Homomuseum heeft geen bestaansrecht

De homobeweging wil met de fondsen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld voor oorlogsslachtoffers, een museum over de homovervolging oprichten....

AMSTERDAM wordt binnenkort misschien weer een museum rijker. Tijdens overleg afgelopen vrijdag tussen de homobeweging en het ministerie van VWS is gesproken over financiële steun voor een 'museum annex documentatiecentrum voor de homovervolging'.

De homobeweging acht de oprichting van een dergelijk prestigieus instituut al jarenlang noodzakelijk. Het geld en een gedegen wetenschappelijke fundering voor het plan ontbraken evenwel tot op heden. Maar dankzij de genereuze gift die het kabinet onlangs aan oorlogsslachtoffers beschikbaar heeft gesteld, lijkt zowel de financiering als de rechtvaardiging van het project in één handomdraai geregeld.

Gaat de overheid met dit opmerkelijke plan akkoord dan weet zij duidelijk geen onderscheid te maken tussen echte en gecultiveerde oorlogsslachtoffers. De oprichting van een 'homovervolgingscentrum' is dan ook een even onbezonnen al ridicuul initiatief. De vrijgekomen oorlogsgelden zijn er niet voor bedoeld en de museumwereld wordt er niet mee verrijkt.

Het plan tot oprichting van een dergelijke instelling heeft de homo-emancipatie als vader en de hedendaagse slachtoffercultus als moeder. Sinds de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft de homobeweging een aantal lovenswaardige successen behaald. Met de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van gelijk geslacht, waartoe de Tweede Kamer vandaag waarschijnlijk zal besluiten, heeft zij - geheel terecht - de laatste belangrijke hindernis naar gelijke behandeling weggenomen.

Maar daarmee is de kous voor een deel van de emancipatiebeweging nog niet af. Zij eiste al enkele jaren geleden de oprichting van een eigen museum en documentatiecentrum om het verhaal van de jarenlange stelselmatige discriminatie en onderdrukking een vaste plaats in de Nederlandse museumwereld te geven. Helaas bleek een degelijke wetenschappelijke fundering en de noodzakelijke financiering daarvoor niet rond te krijgen.

Toen onlangs het kabinet de Nederlandse oorlogsslachtoffers vanwege hun koele ontvangst een geldelijke genoegdoening in het vooruitzicht stelde en met miljoenen guldens over de brug kwam, zag ook de homobeweging haar kans schoon. Het museumplan werd weer uit de ijskast gehaald en met veel creativiteit opnieuw geformuleerd.

De rechtvaardiging van het project werd nu de 'homovervolging' door de nazi's en het repressieve optreden van de overheid in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De museumwens kan zo onder het mom van oorlogsslachtofferschap alsnog worden ingevuld.

De aangedragen rechtvaardiging van onder meer het COC is daarentegen zwak. Zowel over de aard als de omvang van de vervolging van homoseksuelen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog bestaat onduidelijkheid.

Daarnaast heeft de huidige generatie homo's, in tegenstelling tot bijvoorbeeld joodse families, directe noch indirecte betrokkenheid bij het oorlogsleed gehad. Desondanks vinden verschillende homobelangenorganisaties dat er voldoende aanleiding is een deel van de gelden die voor oorlogsslachtoffers zijn beschikbaar gesteld, voor zichzelf op te eisen.

Of de werkelijke oorlogsslachtoffers blij moeten zijn met dit eigengereide optreden is zeer de vraag. De wens dit centrum op te richten lijkt immers voornamelijk de invulling te zijn van het verlanglijstje van de huidige homobeweging. Zij deint, geheel in overeenstemming met de huidige modegrill, mee op de golven van een gecultiveerde aandacht voor slachtoffers in Nederland. Maar deze zelf opgelegde slachtofferrol heeft met werkelijk oorlogsleed weinig te maken. Het geld wordt door het ministerie dan ook simpelweg aan het verkeerde doel toegekend.

Belangrijker is dat voor de oprichting van een museum meer nodig is dan een slachtoffergevoel en een hoop geld. Het documentatiecentrum moet volgens de initiatiefnemers een duidelijke museale functie krijgen. Het bestaansrecht van een museale instelling hangt echter onder meer samen met de beschikking over een relevante collectie. Die is in geen velden of wegen te bekennen.

Bij gebrek aan een vaste collectie is daarom het plan opgevat met behulp van wisselende exposities de homorepressie onder de aandacht te brengen. Maar het opzetten van een paar tentoonstellingen over vervolging en discriminatie kan nooit een rechtvaardiging zijn voor de oprichting van een permanent museum.

Musea mogen niet vervallen tot instellingen die slechts als oogmerk hebben het slachtofferschap van een bepaalde doelgroep uit te dragen. Voor dit - op zichzelf billijke - doel zijn het homomonument en het bestaande Homodok in Amsterdam juist bij uitstek geschikt. Men verwart derhalve de functie van een herinneringsmonument met een museale instelling.

Op zichzelf is de wens van de homobeweging aandacht voor haar geschiedenis en achtergronden te krijgen in de Nederlandse museumwereld niet irreëel. Net zo goed als de slavernij en andere 'zwarte vlekken' uit de Nederlandse geschiedenis een plek verdienen in een museum. Maar het zou in dit verband van meer realiteitszin getuigen om dergelijke exposities in bestaande musea onder te brengen. Het ministerie van VWS zou er beter aan doen gesprekken tussen die musea en de homobeweging te stimuleren.

De beschikbare miljoenen voor oorlogsslachtoffers kan zij beter aan een daartoe gerechtvaardigd doel besteden. Er zijn in Nederland genoeg museale instellingen die aan dit deel van de Nederlandse geschiedenis blijvende aandacht kunnen en willen besteden. De oprichting van een apart museum annex documenatiecentrum is pure geldverspilling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.