Holland-Belgie in de literatuur

Ton Anbeek schreef een geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 en liet daaruit alle Vlamingen weg. Dat kwam hard aan, in België....

WILLEM KUIPERS

In het Vlaamse blad Dietsche Warande & Belfort mag Anbeek uitleggen waarom hij Guido Gezelle, Paul van Ostayen, Maurice Gilliams, Gerard Walschap, Johan Daisne, Willem Elsschot, Louis Paul Boon, Hugo Claus en al die andere Vlaamse schrijvers die wij hier te lande met de grootst mogelijke bewondering hebben gelezen (en nòg lezen!) geen plaats waardig keurde in zijn overzicht.

Heel simpel. 'De literaire ontwikkelingen in Vlaanderen en Holland zijn in zo hoge mate onafhankelijk van elkaar, dat zij het beste afzonderlijk beschreven kunnen worden. Met andere woorden: het zijn twee verschillende verhalen.'

Dat is de vraag.

Anbeek neemt zijn critici weliswaar veel wind uit de zeilen door in plaats van 'het in dit verband vertroebelende adjectief Nederlands' de aanduiding 'Holland' te introduceren, maar daarmee is hij er niet, zoals Hugo Brems, Martien J.G. de Jong, Bert Vanheste en Anne Marie Musschoot in reacties op zijn verdediging laten weten.

Natuurlijk is er niets op tegen, zo begrijp ik uit sommige van deze stukken, dat iemand in Nederland exclusief de Nederlandse kant van de medaille laat zien - de gulden in plaats van de frank - maar daarmee is de kwestie niet uitputtend behandeld, want, zo redeneert vooral Martien J.G. de Jong, als het gaat om literatuur dan hebben we het over kunstwerken-in-taal en die taal is in dit geval het Nederlands, een taal waarin zowel in Nederland als in Vlaanderen wordt geschreven.

Die opvatting heeft verstrekkende gevolgen. Wie als geschiedschrijver de literatuur recht wil doen als een vorm van kunst die binnen een bepaald taalgebied de cultuur haar grootste verfijning (in esthetische zin) heeft gegeven, kan het zich niet permitteren zo eenzijdig te werk te gaan als Ton Anbeek.

Lezers noch schrijvers in Vlaanderen en 'Holland' zullen dat accepteren, ook niet wanneer benadrukt wordt dat hier sprake is van een 'deelstudie' die vanzelfsprekend aanvulling behoeft om 'een geheel' te worden.

Deze 'heuse polemiek', zoals hoofdredacteur Hugo Bousset de discussie in zijn inleiding noemt, lijkt een onderonsje van universitaire neerlandici - en als zodanig niet zo interessant -, maar wie alle argumenten vóór of tegen een geïntegreerde geschiedschrijving beluistert, begrijpt dat je het verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse cultuur - dat tot op zekere hoogte nog steeds bestaat - niet moet verwarren met de Vlaamse en Nederlandse literatuur. Die laatste geeft een heel ander beeld van onze wederzijdse afhankelijkheid.

In Dietsche Warande & Belfort - wat een zwierige naam trouwens in vergelijking met strenge Nederlandse tijdschrifttitels als Tirade, De Revisor, Maatstaf of De Gids - komt verder het eigentijdse 'teksttheater' van Paul Pourveur, Peter Verhelst, Koos Terpstra, Eric de Volder en Peter de Graef uitgebreid aan de orde. Tom Blokdijk knoopt er een beschouwing aan vast, waarin hij de hedendaagse toneelschrijvers ervoor waarschuwt hun personages niet steeds verder te verinnerlijken. 'Als hun ''helden'' ten slotte niet meer zijn dan hun bewustzijn', schrijft hij, 'betekent dat het einde van het toneel als theaterkunst.'

Tirade opent met drie prachtige foto's van Piet van Leeuwen, die laten zien hoe desolaat de Haarlemse woning van de vorig jaar overleden schilder Kees Verwey erbij ligt. George Moormann schrijft er gedichten bij. Ook Maria Barnas reageert poëtisch op foto's, die van Silling Lo. George Moormann heeft zich als dichter ook nog laten inspireren door een schilderij van Giorgio Morandi: Natura Morta. En zelfs het uitgebreide opstel dat Toine Moerbeek, in nauwe samenwerking met de wiskundige Hans Lauwerier, aan het werk van Kees Ouwens wijdt, hoeft het niet zonder plaatjes te stellen.

Men houdt van het beeld bij Tirade, dat is duidelijk.

Maar men houdt niet minder van het woord. Wie zich zo verlustigt in de vaak ondoorgrondelijke woordkunst van Kees Ouwens als Toine Moerbeek moet de taal wel dierbaar zijn. Dank zij Lauwerier die over natuurlijke en onmeetbare getallen spreekt, ontdekte Moerbeek hoezeer in een roman als Een twee drie vier. . . van Kees Ouwens de natuurlijke en onmeetbare getallen een structurerende rol spelen: regelmatig terugkerende, vaststaande motieven in Ouwens' werk kun je bij elkaar optellen, om tenslotte uit te komen bij. . . ja, bij wat eigenlijk?

Ik heb Moerbeeks wiskundige analyse van Een twee drie vier. . . met de grootst mogelijke bewondering gelezen - waar haalt-ie het vandaan? Maar behalve de slotsom dat je Ouwens' ontwikkeling moet zien in het licht van de 'uittreding' en de doodsangst die daarmee gepaard gaat - en die hem geholpen heeft de fotografische pornografie te vervangen door lust, 'iets wat de katholieke liturgie eertijds bij hem niet vermocht te bewerkstelligen' -, hield ik er niets aan over. Moerbeeks analyse benadert in ondoorgrondelijkheid het werk van Ouwens zelf: een geval van mimicry?

Van Guus Middag, poëzie-recensent van NRC Handelsblad, leerde ik dat Huub Beurskens een 'knikdichter' is: 'een dichter met een knik in zijn oeuvre', legt hij uit, 'net zoals bijvoorbeeld Kopland, Nolens, Otten en Faverey.' Middag wil er maar mee zeggen dat Beurskens is veranderd: van een 'autonome' dichter werd hij een frank en vrij zingende impressionist, die in zijn verzen van de laatste jaren tot uitdrukking brengt dat 'alles is wat het is en meer is er niet'. Dat vond ik een mooie constatering. Het lijkt me het allergrootste compliment dat een dichter kan krijgen.

Willem Kuipers

Dietsche Warande & Belfort, 1996, nr. 2, ¿ 16,50.

Tirade, 1996, nr. 2 (363), ¿ 25,-.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden