Hoge prijs ruwe olie is wenselijk

Het protest tegen de hoge brandstofprijzen spitst zich toe op de overheid en de oliemaatschappijen. Volgens Jacques van Nederpelt geeft Shell een onvolledige voorstelling van zaken en zijn hoge accijnzen nodig om de ontwikkeling van duurzame energie aan te moedigen....

HET protest tegen de hoge olieprijzen vindt behalve in Frankrijk inmiddels ook weerklank in andere Europese landen, waaronder Nederland. Vrachtrijders, boeren en andere beroepsgroepen eisen van hun overheden verlaging van de dieselaccijns, terwijl Eurocommissaris Loyola de Palacio haar zondebok gevonden denkt te hebben in de oliemaatschappijen.

Zij verdenkt met name Shell van mono poliewinsten door prijsafspraken met andere oliemaatschappijen op de Nederlandse markt. Anderen houden het kartel van de Olieproducerende en Exporterende Landen (OPEC) verantwoordelijk voor de prijsstijging, omdat het vorig jaar een productiebeperking van ruwe olie heeft ingesteld. Hoewel de OPEC-landen toezegden de productie te verhogen, wordt er geen wezenlijke prijsdaling voor ruwe olie verwacht. Is de prijs van dertig dollar per vat eigenlijk wel zo hoog?

Sinds de OPEC in maart 1999 een productiebeperking afkondigde, is ruwe olie geleidelijk in prijs gestegen van ongeveer tien tot dertig dollar per vat (159 liter). Dit is van ruim zes naar bijna negentien dollarcent per liter, of in Nederlands geld van van 16 naar 47 cent (dollarkoers: 2,50 gulden); een stijging van 31 cent per liter.

Als er minder olie wordt opgepompt, zijn olieraffinaderijen al gauw bereid er meer voor te betalen. Doorberekening van de gestegen prijs van ruwe olie kan de prijsstijging van benzine, dieselolie en stookolie niet ten volle verklaren. Er is meer aan de hand. Ook de marge tussen de prijs van ruwe olie en die van de eindproducten is fors toegenomen door meer vraag naar olie. Anders gezegd, de olieraffinaderijen van Shell, Esso en andere olieconcerns betalen weliswaar meer dan voorheen voor hun ruwe olie, maar verkopen de eindproducten voor prijzen die nog sterker gestegen zijn. Niet de olielanden maar de olieconcerns en de schatkisten worden hier beter van.

De oliemaatschappijen laden de verdenking op zich garen te spinnen bij de hoge olieprijzen. Daar was alle aanleiding toe toen Shell een maand geleden bekendmaakte dat ze in het eerste halfjaar een recordwinst had geboekt van vijftien miljard gulden.

Shell heeft de afgelopen jaren al onder vuur gelegen vanwege vermeende prijsopdrijving. De Economische Controle Dienst heeft er ook onderzoek naar verricht, maar de rapportage laat lang op zich wachten. Minister Korthals van Justitie heeft maandag verklaard dat hij de resultaten van het onderzoek niet openbaar kan maken omdat dit de energiesector zou schaden.

Dit bericht komt na een weekeinde waarin de Europese Commissie de EU-ministers van Financiën heeft toegezegd om te gaan onderzoeken of de oliemaatschappijen aan kartelvorming doen en zo de prijs kunstmatig hoog houden. Volgens De Palacio bedraagt de basisprijs van een liter benzine (de prijs zonder accijns en btw) in Nederland een paar dubbeltjes meer dan in de omringende landen.

Kennelijk in de verdediging gedrongen geeft Shell op haar website en in paginagrote krantenadvertenties uitleg over de opbouw van de ben zineprijs. Die is als volgt te interpreteren: de prijs af-raffinaderij (de inkoopprijs) waarin ook de prijs van ruwe olie is begrepen, bedraagt 68 cent per liter. Daarop komt vijftien cent voor de oliemaatschappij voor vervoer en opslag, elf voor de pomphouder en drie cent winst voor Shell. Te zamen komt dat neer op een 'basisprijs' van 97 cent. De overheid legt daar 1,72 gulden bovenop in de vorm van accijns en btw, zodat een liter Euro loodvrij heden 2,69 gulden kost.

'Dat is bijna 65 procent. . . Nederland behoort daarmee in Europa tot de landen met de hoogste belasting op benzine', zo stelt Shell. De boodschap is duidelijk: niet Shell maar de minister van Financiën is er de oorzaak van dat de benzineprijzen in Nederland hoger zijn dan in de andere EU-landen. Hieraan moet worden toegevoegd dat Shell ook verdient aan de productie en de raffinage van ruwe olie, aangezien zij de hele keten van boorgat tot benzinepomp in handen heeft. Van de productiebeperking door OPEC en de prijsstijging die dat tot gevolg heeft, profiteren dus niet alleen de OPEC-landen maar ook Shell en andere olieconcerns.

Uit de prijsopbouw van olieproducten blijkt dat de OPEC-landen niet als eerste verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de hoge prijs. De prijs van ruwe olie is namelijk niet doorslaggevend voor de prijs aan de pomp. Evenmin zijn de exportlanden de enige belanghebbenden bij een hoge prijs van ruwe olie.

De Amerikaanse presidentskandidaat Al Gore negeerde deze feiten toen hij een beroep deed op de Golfstaten om de olieproductie te verhogen en zo de prijs te drukken. Maar wat is het effect van de daling van de prijs van ruwe olie van vijf dollar per vat (159 liter) waar hij aan dacht? Ruim drie dollarcent per liter! Misleidend is ook dat Al Gore de suggestie wekt dat de extra dollars ten onrechte naar de OPEC-landen vloeien. De OPEC is 40 jaar geleden opgericht om een vuist te maken tegen de machtige kartels van oliemaatschappijen, de 'Seven Sisters', die de olielanden tegen elkaar uitspeelden.

Zij eisten en kregen een groter deel van de koek toen zij in 1973 de oliekraan deels dichtdraaiden. De olieprijs schoot omhoog om vanaf 1975 weer te dalen. Daarna liepen alleen in tijden van crisis de prijzen weer op tot een vergelijkbaar of zelfs hoger niveau: bij de val van de sjah van Iran in 1979 en tijdens de Golfoorlog van 1990.

De ministers van Financiën van de EU hebben zich uitgesproken tegen verlaging van de accijns op brandstof, zoals de Franse overheid heeft gedaan in een poging om de vrachtrijders tegemoet te komen. Zij vrezen dat zulke maatregelen ertoe zullen leiden dat de OPEC-landen er voortaan vanuit gaan dat de rijke westerse landen eventuele prijsstijgingen van ruwe olie wel zullen compenseren.

Zijn zij er zich van bewust dat lange tijd de omgekeerde situatie heeft bestaan? Omdat de prijs van ruwe olie structureel laag was, konden de overheden van de rijke landen de accijns op brandstof steeds verder opschroeven. Misschien wordt het tijd om de balans te herstellen en de olielanden meer inkomsten uit hun olievoorraden te gunnen. Arme, volkrijke olielanden zoals Nigeria, Indonesië en Rusland kunnen de extra deviezen goed gebruiken. Bovendien is olie een eindige hulpbron waar zuinig mee dient te worden omgesprongen.

Een te lage olieprijs vormt geen aanmoediging voor het zoeken naar duurzame energiebronnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden