Hofstad-vonnis tast vrije meningsuiting aan

Het vonnis tegen de Hofstadgroep tast de vrijheid van meningsuiting aan, meent Jit Peters. De rechters moeten beter waken over de grondrechten....

De uitspraak van de Rechtbank te Den Haag inzake de verdachten van dezogenoemde Hofstadgroep is in meerdere opzichten interessant. BrittaBöhler is al ingegaan op de relatie met het antiterrorismebeleid (Forum,12 maart). Mijn zorg betreft de relatie met het grondrecht van de vrijheidvan meningsuiting. Voor Nederland is het ongekend dat zes verdachten wordenveroordeeld wegens het voorhanden hebben en het verspreiden van bepaaldegeschriften. Daarvoor kregen de zes gevangenisstraffen opgelegd van ééntot twee jaar, en dat is toch niet niks.

Het ging daarbij om de 'actievelingen'. Vijf 'meelopers' werdenvrijgesproken. Hierbij ga ik niet in op de veroordeling van die verdachtendie werden veroordeeld voor andere daden. De een wegens het in bezit hebbenvan een geladen en schietklaar machinepistool (vijf jaar gevangenisstraf)en twee wegens het gooien van een granaat naar politieagenten, van wie vijfgewond raakten, en het in voorraad hebben van nog een aantal granaten(respectievelijk dertien en vijftien jaar. Die veroordelingen zullenniemand hebben bevreemd. Wel werden zij daarnaast ook veroordeeld wegensdeelneming aan een criminele en aan een terroristische organisatie.

Het opvallende aan de uitspraak is de botsing met de vrijheid vanmeningsuiting en de wijze waarop de rechtbank daarmee omsprong. HetKamerlid Hirsi Ali heeft een punt als zij stelt dat hier de vrijheid vanmeningsuiting wordt aangetast. Weinig Kamerleden zullen hebben bevroed dathet nieuwe artikel in het Wetboek van Strafrecht dat deelneming aan eenterroristische organisatie verbiedt, nog eens zou worden ingezet opuitingsdelicten als haatzaaien en opruiing.

De rechtbank achtte bewezen dat het met de Hofstadgroep ging om eenterroristische criminele organisatie nu de organisatie bestond uit een minof meer vaste groep mensen die elkaar regelmatig bezochten en ideeënuitwisselden. Zij baseerden zich daarbij op een bepaalde enge uitleg vande islam, van het begrip tawheed. Volgens de deskundige, op wie derechtbank zich baseert, is deze uitleg een standaardonderdeel van deideologie van radicaal-islamitische groepen. Deze ideologie heeft weinigrespect voor de waarden van onze rechtsstaat. Door die bepaalde uitlegworden de geesten rijp gemaakt voor de jihad, zonder dat er sprake is vanconcrete werving. Dat laatste is op zichzelf strafbaar.

Hoewel de verdediging van bijna alle verdachten had gewezen op hetbelang van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst,besteedt de rechter daaraan relatief weinig aandacht. De rechter gaat welin op het grote goed van de vrijheid van meningsuiting en op degodsdienstvrijheid, maar merkt terecht op dat deze grondrechten kunnenworden beperkt. 'Dit samenspel van vrijheden en de daaraan gesteldewettelijke beperkingen waarborgt dat mensen van heel verschillendelevensovertuiging in Nederland in vrijheid en in vrede met elkaar kunnensamenleven. Het is steeds de rechter die in een concreet geval bepaalt ofeen uiting onrechtmatig of strafbaar is'.

Na deze mooie passage zou je verwachten dat de rechter concreet zegtwaarom de vrijheid van meningsuiting in deze zaak moet wijken voor anderebelangen. Artikel 10 van het Europese Verdrag tot Bescherming van deRechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden dwingt de Nederlandserechter concreet te zeggen waarom de belangenafweging hier ten koste gaatvan de vrijheid van meningsuiting. Het alleen maar verwijzen naar debedoeling van de wetgever volstaat niet. Juist met het oog op debescherming van grondrechten zien wij de rechter vaak als onze laatstetoeverlaat.

Wat beoogde nu de criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegenvan terroristische misdrijven? Waren dat nu aanslagen of anderegewelddadige acties? Men zou toch denken dat met het oog op het voorkomenvan dit soort gewelddadige acties dit nieuwe artikel is opgenomen? (Artikel140a Sr.) Maar het concreet beramen van dit soort acties kan niet bewezenworden. Dus gaat men liggen voor het anker van de uitingsdelicten opruiing,aanzetten tot haat en bedreiging. Dat kan natuurlijk, maar men raaktdaarmee onmiddellijk aan de vrijheid vanmeningsuiting. Voor hetstrafrechtelijke delict opruiing wordt zelden iemand veroordeeld.

Op basis van de artikelen die gaan over het zogenaamde haatzaaien engroepsbeledigingen kennen wij wel regelmatig veroordelingen. Op basishiervan is de Centrum-Democraat Janmaat nog eens veroordeeld. Hetoud-Kamerlid Van Dijke en imam El-Moumni werden vrijgesproken toen zij zichbij de belediging van homoseksuelen beriepen op de godsdienstvrijheid.

Over het algemeen kan men stellen dat bij dit soort delicten destrafbaarheid niet snel wordt aangenomen en de rechter het belang van devrijheid van meningsuiting zeer zorgvuldig afweegt in het concrete geval.Voor al deze uitingsdelicten geldt dat de uitingen in het openbaar moetenzijn gedaan of voor de openbaarheid zijn bedoeld.

Voor het delict bedreiging geldt dat het slachtoffer direct of indirectkennis heeft genomen van de geuite bedreiging. Hoewel veel van debetreffende geschriften nog niet naar buiten waren gebracht, nam de rechteraan dat dit wel de bedoeling was. Sommige geschriften hadden, hoewel nogniet verstuurd, het karakter van een open brief zoals een bedreiging aanHirsi Ali. De geschriften betroffen, in meestal krasse bewoordingen, ondermeer bedreigingen van geweld tegen de democratische rechtsorde, derechtsgang, het verheerlijken van het martelaarschap van de moordenaar vanVan Gogh en een oproep de jeugd te rekruteren voor de jihad. In de woordenvan de rechtbank draaide het uiteindelijk om zending.

In de VS is door de rechter als verweer tegen de communistenvervolgingende clear and present danger-test ontwikkeld. De vrijheid van meningsuitingmag pas wijken als er sprake is van een duidelijke en directe bedreigingmet geweld. Daartoe volstond het in abstracte woorden oproepen tot derevolutie niet. Ook in een aantal uitspraken van het Europese Hof van deMensenrechten vinden wij deze gedachtegang terug, alhoewel mindereenduidig. Er moet sprake zijn van een concrete bedreiging wil een inbreukop de vrijheid van meningsuiting te rechtvaardigen zijn.

Waar bestond de concrete bedreiging met geweld in de Hofstadzaak nueigenlijk uit? Volgens de rechtbank was het onze rechtsorde die werdbedreigd. Daarmee wordt volgens de rechtbank de basis gelegd voormisdrijven die de bevolking vrees aanjagen. Kortom, het gaat om eenindirecte en abstracte bedreiging met geweld waarvoor hier de vrijheid vanmeningsuiting moet wijken.

Waartoe dat kan leiden, leren ons de processen tegen communisten in deVS in de jaren vijftig. Alleen als het een oproep tot een directebedreiging met geweld betreft, zoals de bedreiging van Hirsi Ali, dient devrijheid van meningsuiting mijns inziens te wijken.

Het is duidelijk dat de vrijheid van meningsuiting als basis van onzedemocratie onder vuur ligt. Die bedreiging komt van intolerante burgers envan intolerante staten, zoals in de zaak van de Deense cartoons. Die leidttot zelfcensuur. Bij die bedreiging past geen enerzijds-anderzijds-verhaalvan politici, maar een principiële verdediging van de vrijheid vanmeningsuiting. Die bedreiging komt ook van onze regering, die met eenapologieverbod - een verbod op verheerlijking van terrorisme - de vrijheidvan meningsuiting wil beperken.

Kunnen onze rechters de taak aan om onze vrijheidsrechten te waarborgen?Of overschatten we de rol van de rechter? Na de uitspraak in de Hofstadzaakstaat de vrijheid van meningsuiting er zeker niet beter voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden