Hofleverancier van schaatsmedailles

Sinds de eerste olympisch deelname van Nederland is een kwart van alle medailles veroverd op noren of klapschaatsen, 27 van de 107 gouden medailles. Schaatsen kunnen we, en voetballen. Toch zou Nederland ook in andere sporten kunnen uitblinken: kwestie van geld en mentaliteit.

Hoe goed is... de sporter? Goed, maar excelleren vinden we niks


De winter is het hoogseizoen van de Nederlandse sport. Al decennia. Schaatsen staat garant voor succes. Elk tijdvak heeft een gezicht dat zo bekend is dat voornamen volstaan: Ard, Kees, Hein, Rintje, Gianni, Erben, Marianne, Sven, Ireen.


Deze winter is niet anders. Halverwege is de medaillescore alweer hoog opgelopen. Kramer en Wüst, de Europees kampioenen allround, hebben gezelschap gekregen van twee nieuwkomers. Michel Mulder werd twee weken geleden wereldkampioen sprint. Freek van der Wart toonde aan dat Nederlandse schaatsers niet alleen rap zijn op een ovaal van 400 meter. Hij werd Europees kampioen shorttrack, op een baantje van 111 meter.


De schaatsprestaties brengen vreugde teweeg, afgemeten aan de onveranderlijk hoge kijkcijfers. Maar de Nederlandse overheersing zaait ook twijfel, of zelfs cynisme. Wat stelt schaatsen voor? Hoe goed zijn de winnaars van de 'open NK's' eigenlijk? Geregeld luidt de conclusie: wint een Nederlander, dan heeft de sport weinig om het lijf.


Is dit zelfkastijding van een klein land, dat moeite heeft trots te zijn op de eigen cultuur? Joop Alberda, bondscoach van de olympisch volleybalploeg die in 1996 olympisch goud won en voormalig topman van NOC*NSF, meent van wel. Het stoort hem.


Alberda: 'In de diepere waardenbeleving van Nederland zit iets dat excelleren niet normaal vindt. Het vermogen van Nederlanders om topprestaties te relativeren of ontkennen, grenst aan het ongelooflijke. In de Angelsaksische cultuur zijn ze trots op de performance. Als bij ons iets groot wordt, maken we het meteen heel klein. Eerst vinden we turnen een wereldsport. Als Epke Zonderland wint, gaan we ons afvragen hoeveel rekstokspecialisten er nu eigenlijk zijn op de wereld.'


Is het louter calvinistische relativering? Buiten het voetbal, waarin het Nederlands elftal twee jaar geleden kortstondig de wereldranglijst aanvoerde, spelen Nederlanders geen rol van betekenis in sporten die wereldwijd de televisieschermen domineren: tennis, wielrennen, atletiek, golf, Formule 1, basketbal of honkbal.


Tweede plaats

In tennis bereikte sinds de Wimbledonzege van Richard Krajicek in 1996 slechts één Nederlander een grandslamfinale. In wielrennen werd in 2001 voor het laatst een belangrijke voorjaarsklassieker gewonnen. In de atletiek pakte Ellen van Langen 21 jaar geleden de laatste olympische medaille (800 meter), acht jaar geleden de eerste en enige wereldtitel behaald door Rens Blom (polsstokhoogspringen). In het voetbal is bij WK's de tweede plaats het hoogst haalbare gebleken. En in de andere zogenoemde Big Impact Sports figureert hooguit een enkele Nederlander.


De kracht van Nederland bleek onomstotelijk uit een rekensom die sportkoepel NOC*NSF drie jaar geleden maakte. Nederland heeft 96 procent van alle olympische medailles veroverd in acht sporten: schaatsen, zwemmen, hockey, (baan)wielrennen, roeien, zeilen, paardensport en judo. Schaatsen is van die acht de succesvolste sport. Sinds de eerste olympisch deelname van Nederland, in 1900, is een kwart van alle medailles veroverd op noren of klapschaatsen, 27 van de 107 gouden medailles.


Valt er meer te verwachten van een klein, welvarend land? Afgezien van het sportidolate Australië, wellicht, is er wereldwijd geen land van vergelijkbare economische statuur dat er wel in slaagt een prominente rol te spelen in de sporten die de meeste zendtijd krijgen. En dat is geen toeval. Sportief succes is niet alleen een kwestie van cultuur. Er is een directe relatie tussen geld en medailles.


Het olympische landenklassement is daarvan bij uitstek een voorbeeld. In de toptien staan acht van de tien grootste economieën. Alleen India en Brazilië weten een bloeiende economie niet te vertalen in veel olympische medailles (ze blinken wel uit in respectievelijk cricket en voetbal). Groot-Brittannië wist bij de Spelen in Londen op te klimmen tot de derde plaats in het medailleklassement, achter Amerika en China, door een extra investering van circa honderd miljoen euro per jaar in de sport.


Het succes van grote niet-olympisch sporten heeft ook een duidelijk financiële component. Tennis, golf, basketbal, honkbal en de Formule 1 zijn opgezet als business. Geld verdienen is het doel. In Nederland is sport een aangelegenheid van verenigingen, die het beoefenen van de sport voorop stellen. Dat kost eerder geld dan dat het wat oplevert.


Economische crisis

Maurits Hendriks, de topman van NOC*NSF, beseft als geen ander dat geld een belangrijke voorwaarde is. 'More money in, more medals out' luidt de uitspraak waarmee hij in 2010 een lijvige studie presenteerde. Het was een ambitieuze poging om de Nederlandse sport op te stoten in de vaart der volkeren. Hij bood een aantrekkelijk vergezicht, met Nederlandse medailles in grote en kleine sporten.


Het prijskaartje loog er niet om: per 2011 zou er 100 miljoen euro per jaar nodig zijn, grofweg driemaal zo veel als NOC*NSF nu heeft te besteden aan topsport. Per 2020 zou het moeten oplopen tot 200 miljoen. Het geld kwam nooit, mede door de economische crisis.


Zou de sport er anders voorstaan met tientallen miljoenen extra per jaar? Niet meteen. Maar mogelijk was een begin gemaakt met het topsportmodel dat iets zou weghebben van de manier waarop het jeugdvoetbal in Nederland is georganiseerd. De 'Hollandse school' verklaart volgens Kees Jansma, perschef van het Nederlands elftal, waarom Nederland in de grootste mondiale sport een rol van betekenis speelt.


Volgens Jansma is in Nederland in de loop der tijd, zonder vooropgezet plan, een unieke voetbalcultuur ontstaan. Kinderen kunnen op jonge leeftijd terecht bij verenigingen met mooie kunstgrasvelden, verwarmde douches en kunstlicht. De meest getalenteerden krijgen training van deskundige coaches. De zeldzame spelers met grote aanleg worden door een uitgebreid scoutingsysteem al snel opgepikt door profclubs.


Jansma: 'Als je het vergelijkt met Engeland zijn wij veel beter. Amerikanen vallen van hun stoel als ze zien wat hier de norm is. Kinderen gaan hier vanzelfsprekend op voetbal. In ieder dorp zijn accommodaties, trainers, velden. Je doet je kind er gauw op als ouder. Alleen in hockey zijn ze met iets vergelijkbaars bezig.'


Het Nederlandse voetbal voldoet aan vier kernwaarden die volgens Joop Alberda nodig zijn voor sportief succes. Een goede infrastructuur (velden, clubhuizen, competitie). De sport sluit aan bij de nationale cultuur. De lichaamsbouw van de Nederlander is er geschikt voor (groot, sterk, lang). En de sport sluit aan bij de mentale eigenschappen van Nederlanders. Alberda: 'We zijn een handelsvolk, er is teamgeest, samenwerken wordt gewaardeerd.'


Zonder tientallen miljoenen extra voor Nederland zou het ondoenlijk zijn om het voetbalmodel in vele sporten te introduceren. Zelfs in de kleine sporten is steeds meer geld nodig om aansluiting bij de top te houden. Uit berekeningen van NOC*NSF is gebleken dat een olympische medaille twee miljoen euro kost, een koopje naar internationale normen. Volgens NOC*NSF kost een medaille de Duitsers tweemaal zoveel geld.


Is het lot van Nederland daarmee bezegeld? Is uitblinken in kleine sporten het hoogste haalbare? Het is een conclusie die er niet in wil bij Alberda of NOC*NSF, al is het maar omdat zij televisiezendtijd niet de belangrijkste maatstaf vinden voor de omvang een sport. Zij vinden het relevanter om uit te gaan van het aantal landen dat op mondiaal niveau actief is.


Volgens die definitie zijn turnen, zwemmen en judo, waaraan bij de Olympische Spelen tientallen landen meedoen, in elk geval grote sporten. Bij de Spelen van Londen veroverden Nederlanders in die drie sporten medailles, met de gouden plakken van turner Epke Zonderland en zwemster Ranomi Kromowidjojo als uitschieters die mondiale erkenning kregen.'His name is Zonderland, but he should be called Wonderland', zei een ontroerde BBC-commentator over de duivelse buitelingen van de sportman van het jaar.


Door het uitblijven van extra overheidssteun kiest NOC*NSF komende vier jaar nadrukkelijker dan voorheen voor het financieel steunen van de sporten waarin Nederland olympische medaillekansen heeft. Daartoe behoren de acht sporten die eerder veel prijzen hebben opgeleverd, maar ook atletiekdisciplines als de tienkamp en de sprint, snowboarden, beachvolleybal, handboogschieten, fietscross en vrouwenrugby.


Televisiesporten

Joop Alberda gelooft trouwens niet dat Nederland per definitie is uitgesloten van succes in grote televisiesporten. Als coach heeft hij met zijn olympische zege in het volleybal, zeventien jaar geleden, laten zien dat een land kan uitblinken in een sport, ook als er weinig geld beschikbaar is en er geen traditie van succes bestaat.


De oud-topman van NOC*NSF acht het mogelijk dat de economische crisis een omslag in de Nederlandse mentaliteit bewerkstelligt, waardoor genoegen nemen met het gemiddelde (of ietsje meer) niet langer volstaat. Het streven naar topprestaties zal hoger in aanzien komen te staan, mogelijk met succes in allerlei takken van sport tot gevolg.


Alberda: 'Of een land wel of geen performancecultuur heeft, wordt niet bepaald door de sport. Dat bepaalt de economische werkelijkheid. Het gaat om het moment dat ouders tegen hun kinderen zeggen: denk erom dat je presteert, het is voor je eigen toekomst. Die sociale werkelijkheid bepaalt uiteindelijk ook of sporters succes hebben.'


De top is altijd smal


Aan de top is het eenzaam, of de sport nu groot of klein is. Het is een misverstand om te denken dat een groter aantal beoefenaren, meer geld of publiciteit het moeilijker maakt om tot de top te behoren.


De concurrentie voor Sven Kramer en Ireen Wüst mag dan gering zijn, in vele grote sporten is de top ook smal. In het tennis hebben Roger Federer en Rafael Nadal jarenlang nauwelijks concurrentie gehad, bij de vrouwen staat Serena Williams op eenzame hoogte.


In het voetbal zetten Spanje, Brazilië en Duitsland de toon. In het wielrennen is het aantal mogelijke winnaars van de Tour de France of voorjaarsklassiekers klein, ondanks of dankzij doping.


Zelfs in de atletiek is de tegenstand voor de topatleten nauwelijks groter dan voor Sven Kramer op de lange afstanden, ondanks het grote aantal landen dat aan atletiek doet. Dat Usain Bolt wint, staat voor de race vrijwel vast.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden