Hoeveel natuur kan een mens aan?

Meer echte natuur, inclusief grote grazers en toppredatoren. Dat was twintig jaar lang het streven. Maar het project loopt tegen zijn grenzen op. 'Ik weet niet of we de wolf en de lynx nog gaan halen.'

Er is een probleem met grote dieren. In Epe en andere dorpen op de Veluwe wroeten wilde zwijnen tuinen om, op de lokale wegen belanden ze op de motorkap van auto's. In Zandvoort zijn het damherten uit de Amsterdamse Waterleidingduinen die de rozenstruiken van de omwonenden opeten en ongelukken veroorzaken. Ganzen eten in de weilanden van de boeren en poepen rond vennetjes de schrale grond met zeldzame plantjes onder. En in de Oostvaardersplassen gaan edelherten, konikpaarden en heckrunderen zichtbaar dood.


Het probleem is dat het goed gaat met grote dieren in Nederland. 'We hebben het bedje gespreid', zegt David Kleijn, ecoloog in Wageningen en onderzoeker naar populatiedynamieken. 'Herten, reeën, zwijnen, ganzen, kraanvogels, ze profiteren van de door de landbouw toegenomen voedselrijkdom. En natuurgebieden zijn robuust genoeg geworden voor soorten die veel ruimte nodig hebben. Zoals de kraanvogel, zoals de zeearend. De ganzen profiteren daarnaast van de enorme hoeveelheid stikstof in Nederland. Ze zijn dol op het eiwitrijke gras op het boerenland.'


En dan zijn er nog de soorten die profiteren van het natuurbeleid, van de verbindingen die zijn aangelegd tussen gebieden. 'Het zijn de eerste resultaten van het EHS-verhaal, van de ecologische hoofdstructuur', zegt Han Olff, hoogleraar ecologie in Groningen. Dassen, marters, otters, het zijn de eerste soorten die het goed gaan doen als je leefgebieden en verbindingen herstelt. Andere soorten volgen later.'


Je kunt zeggen, zegt Sip van Wieren, universitair hoofddocent dierecologie in Wageningen, 'dat het goed gaat met grote, algemene soorten, vanwege de schaalvergroting in zowel de landbouw als de natuur.'


En nu is er dus een probleem dat er nog niet eerder was: niet te weinig, maar te veel dieren. Althans, zegt David Kleijn, 'Een probleem in de ogen van veel mensen'.


'Wat me opvalt', zegt Han Olff, 'is dat we ons drukker maken om soorten die toenemen dan om soorten die afnemen. Met de vlinder en vele andere soorten gaat het nog altijd steeds slechter, maar dat lijkt ons niet zo bezig te houden.'


Dat heeft te maken, meent Olff, met de omvang van de dieren. 'Hoe groter de soort, hoe groter het probleem. Hoe groter de beesten, hoe meer we vinden dat we moeten ingrijpen. Hoe meer dieren in de buurt komen van onze eigen lichaamsgrootte, hoe meer we over ze gaan nadenken. Ik bedoel: met het roodborstje gaat het ook goed. Maar ik heb nog niemand horen zeggen dat het tijd wordt om het roodborstje te bestrijden.'


Volgens Olff kun je de grens trekken bij de das en de vos. 'Dat het goed gaat met de bosmuis en de veldmuis, dat vinden we geen enkel probleem. Sterker: we weten het niet eens. Zelfs met de boommarter en de steenmarter, waar het ook beter mee gaat, kunnen we goed leven, zolang ze niet bij ons op zolder gaan zitten. De das en de vos, dat gaat nog net, al begint hier de problematische relatie al. Maar bij herten en wilde zwijnen gaan we andersom denken.'


Mooi voorbeeld, vindt Olff: 'Voor de dassen hebben we tunnels gemaakt, om ze te beschermen tegen mensenverkeer. Maar als herten en wilde zwijnen de weg willen oversteken, moeten mensen worden beschermd, vinden we. Terwijl het voor een hert toch ook niet prettig is om geschept te worden door een auto.'


Radicale breuk

Twintig jaar geleden was de situatie nog overzichtelijk. De paar edelherten en wilde zwijnen in Nederland zaten veilig opgesloten op de Veluwe, damherten liepen nog niet in het wild rond en in de Oostvaardersplassen was de ontroering groot toen de eerste grauwe ganzen besloten om er te broeden, nadat ze tientallen jaren eerder waren uitgeroeid. Het waren ook de jaren dat de eerste grote grazers, Schotse hooglanders, konikpaarden, heckrunderen, galloways, in natuurgebieden werden geïntroduceerd. Dat was toen spannend en eng, maar tegenwoordig, zegt Han Olff, 'komt ieder wandelend gezin weleens een koe of een paard tegen in de natuur. We zijn al veel meer gewend dan twintig jaar geleden.'


Het is geen toeval dat de omslag begin jaren negentig kwam. Het fameuze Natuurbeleidsplan, dat in ieder geval tot vorig jaar de leidraad was in het Nederlandse natuurbeleid, trad toen in werking. Dat plan betekende een radicale breuk met het verleden. Niet langer was het krampachtig conserveren van de laatste restjes natuur het uitgangspunt, maar het idee dat de natuur het ook zelf zou kunnen doen. Als gebieden maar groot genoeg waren, en met elkaar en met het buitenland verbonden werden, zou de dynamiek terugkeren en de achteruitgang van het aantal dier- en plantensoorten vanzelf stoppen.


Het ultieme streven van deze offensieve strategie: de terugkeer van complete ecosystemen, van echte natuur dus, inclusief de toppredatoren, die bovenaan de voedselketen staan, zoals de lynx, de wolf, de zeearend. De ecologische hoofdstructuur, die nu al jarenlang gestaag wordt aangelegd, is een direct uitvloeisel van dat plan. Het is duidelijk: niet iedereen was ervan op de hoogte dat het al die tijd de bedoeling was dat in het dichtbevolkte - en extreem agrarische - Nederland, echte natuur zou terugkeren.


En nu, twintig jaar later, lijkt het project tegen zijn grenzen op te lopen. Han Olff: 'Ik vind zelf dat je moet denken op het niveau van ecosystemen. Dat kunnen we ook heel goed bij de kleine soorten, bij de planten gaat het heel goed. Maar als het gaat om grote beesten lukt het steeds minder goed. Ik weet niet of we de wolf en de lynx nog gaan halen. Terwijl deze dieren juist een heel nuttige invloed kunnen hebben, ook bij het terugdringen van overlast.'


'Je kunt hier moeilijk wetenschappelijke uitspraken over doen', zegt Sip van Wieren. 'Dit is toch een kwestie van: wat vind je? Vind je dat beesten de ruimte moeten krijgen, ook in je eigen domein, in je tuin of in je akker. Of vind je dat die twee werelden weer volledig gescheiden moeten worden? Vanuit die laatste optiek is de Veluwe zo lek als een mandje.'


Volgens Van Wieren is 'de geest uit de fles' en zal het nog niet meevallen om de situatie weer terug te draaien, ondanks de 'politieke wind' van nu en 'de dominante boerenlobby'.


Animo om te jagen

'De mentaliteit is wel degelijk veranderd, in twintig jaar tijd. De stedeling heeft de nieuwe natuur omarmd, die wil wat zien als hij de stad uitgaat, de natuur in. Daar komt bij: de rol van de jagers is flink afgenomen. De animo om te jagen is minder groot, dat is een wereldwijde ontwikkeling. In Frankrijk zijn het voornamelijk nog oudere mannen. Op de Veluwe neemt het aantal zwijnen toe, het aantal jagers nauwelijks. En de neiging om in te grijpen bij schade is ook kleiner geworden. Jagers zijn niet meer zo makkelijk in te zetten, dat zie je nu bij de ganzen.'


Volgens Van Wieren zitten jagers 'in de verdrukking.' 'Ze hebben de publieke opinie tegen zich en vertonen angstig gedrag. Daarom zijn ze zich gaan profileren als populatiebeheerders, ze hebben allerlei verplichtingen op zich genomen die ze helemaal niet aankunnen. In andere landen zeggen jagers gewoon: wij doen het voor de hobby, en om te oogsten uit de natuur.'


'De maatschappij is veranderd,' meent Femmie Kraaijeveld-Smit, beleidsmedewerker 'in het wild levende dieren' van de Dierenbescherming. 'Het beleid wordt nog wel bepaald door boeren, jagers en natuurbeheerders, maar ze zien daarbij een trend in de maatschappij over het hoofd: in de stad realiseert men zich steeds meer dat dieren ook bewust zijn van pijn en stress, dat je daar niet zomaar in kunt gaan schieten. Deze mensen worden vaak gezien als bunnyhuggers, als mensen die er geen verstand van hebben. Maar de trend wordt alleen maar groter.'


Het gevolg is polarisatie. Enerzijds neemt met de toename van het aantal dieren de roep om ingrijpen toe, anderzijds wordt het protest daartegen heftiger. Want ook dierenbeschermers richten zich bij voorkeur op grote dieren. Han Olff: 'Hoe groter de dieren, hoe meer we ook gaan nadenken over hun welzijn.'


Dat verklaart de jaarlijkse rituele dans rondom dezelfde thema's, waarbij vooral de radicalere dierenbeschermers zich roeren. Femmie Kraaijeveld-Smit: 'De uitersten in het debat houden elkaar in een houdgreep. Als je altijd, per definitie, tegen populatiebeheer bent, kan dat averechts werken. Voor alle duidelijkheid: de Dierenbescherming is voor het 'nee, tenzij-principe'. Dat betekent dat dieren niet worden gedood, tenzij er echt geen andere oplossing is om serieuze overlast weg te nemen.'


Het beste voorbeeld voor de schizofrene omgang met wilde dieren is te vinden op de Veluwe, vindt de Nijmeegse natuur- en milieufilosoof Martin Drenthen. Ieder jaar rond deze tijd begint daar de afschot van ongeveer 80 procent van het aantal wilde zwijnen, althans, dat is het streven.


Drenthen: 'Die afschot vindt vooral plaats op het midden van de Veluwe, om de mensen in de dorpen in de omgeving er zo weinig mogelijk mee te confronteren. Maar het gevolg is dat de zwijnen vluchten naar de randen van de Veluwe en in diezelfde jachtvrije dorpen terecht komen. En daar brengen ze vooral overlast. En klinkt de roep om maatregelen. Zo vererger je door overgevoeligheid juist het probleem.'


Jachtwild

Maar hoe nu verder? Hoeveel in het wild levende dieren kan onze maatschappij verdragen? En hoe bestrijd je de overlast? Sip van Wieren: 'Het wordt tijd dat er eens een paar scenario's worden besproken met alle relevante maatschappelijke organisaties.'


Uitgangspunt bij Sip van Wieren, en bij Han Olff en Martin Drenthen is daarbij dat het wel iets 'toleranter' mag. Han Olff: 'Het is bijvoorbeeld hypocriet en fout om wilde zwijnen te blijven opsluiten op de Veluwe. Dat beest wordt zijn identiteit afgepakt, door al die rasters. En hij past qua ecologie in veel meer delen van het land. Bovendien is het een fantastische soort, met belangrijke effecten op het ecosysteem.'


Martin Drenthen: 'Het wilde zwijn leefde hier al voordat wij hier waren. Het is een inheemse soort die hoort bij dit land en zich thuis voelt in het hele land.'


Johan Thissen van de Zoogdiervereniging pleit al jaren voor meer leefgebieden voor wilde zwijnen, en er zitten ook al illegale zwijnen in delen van Limburg, Gelderland en Utrecht. 'Maar je moet wel realistisch zijn: je moet de dichtheden laag houden. Dat betekent dus dat er een rol is weggelegd voor jagers. Er weer een hek omheen zetten, dat is geen goed idee.'


In het concept van de nieuwe Natuurwet die eind dit jaar wordt behandeld, is het wilde zwijn voor het eerst aangemerkt als jachtwild. Dat is wat je noemt een paradox. De anti-jachtorganisaties zullen dit als slecht nieuws beschouwen, maar volgens Johan Thissen kan het juist de doorbraak betekenen naar een bredere verspreiding van het zwijn door Nederland; eindelijk verlost van de opsluiting op de Veluwe.


De vereniging Het Edelhert bepleitte deze week iets dergelijks voor het edelhert. 'De Veluwe is niet de ideale biotoop voor het edelhert', zegt Bas Worm, vicevoorzitter van de vereniging. 'Van nature komt het edelhert voor in beek- en rivierdalen en het coulissenlandschap.' De vereniging zou willen dat ons grootste inheemse hoefdier weer zou kunnen leven in delen van Oost- en Zuid-Nederland. Worm wijst erop dat er in Nederland inmiddels tegen de honderdduizend reeën rondlopen, 'zonder noemenswaardige problemen'. Dat de populaties edelherten vervolgens 'beheerd' moeten worden is evident, volgens Worm, wiens vereniging ook jagers in de gelederen telt. 'Je hebt ecologische dichtheden en maatschappelijke dichtheden, zeg ik altijd.'


Meer in het algemeen vindt Worm dat het een mooi streven is dat 'mensen op meer plekken onverwacht dieren kunnen zien'. 'We zijn binnen een paar generaties vergeten dat er iets meer dan honderd jaar geleden overal in Nederland hoefdieren rondliepen. Dat besef is weggevaagd.'


Worm gelooft ook niet in het opsluiten van damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, en hij is niet de enige. 'Dan moet je hekken maken van zeker 2 meter 40, want zo hoog kunnen damherten springen', zegt Henk Revoort, secretaris van het Faunafonds, dat onder meer geld uitkeert aan boeren die schade ondervinden van beschermde dieren. 'Het is wel zo: als er geen hekken zijn, zul je de ergste overlast en schade moeten bestrijden. Dat betekent: populatiebeheer.'


Daar is de Dierenbescherming het dus niet mee eens. Femmie Kraaijeveld-Smit: 'Voor grote hoefdieren is een hek wel een goed alternatief, mits geplaatst op de juiste plekken. Dan werken ze ook veel beter tegen verkeersoverlast dan afschot.'


Natuurbeschermers zijn doorgaans niet dol op hekken, omdat het de migratie van soorten belemmert. 'Je wilt er geen dierentuin van maken', zegt Han Olff. Sip van Wieren: 'Het is een lastige discussie. Het is maar wat je persoonlijke tolerantie is voor de nabijheid van dieren. Zelf zou ik het wel leuk vinden, een damhert in mijn tuin. Maar ik vermoed dat ik niet representatief ben.'


Dierentuinnatuur

Maar wat is er over van de gedachte dat de natuur het zelf kan reguleren? Berend Voslamber, ganzenonderzoeker in de Ooijpolder, houdt nog strikt vast aan dat idee. Hij zegde zijn lidmaatschap van Vogelbescherming Nederland op na het ganzenakkoord, waarin er sprake was van afschot van ganzen. Zijn standpunt is mede ingegeven door zijn ervaringen in de Ooijpolder, waar de populaties ganzen wel stabiliseren zonder jacht. 'De natuur doet hier haar werk', zegt hij.


Ook de ecologen wijzen erop dat er aan de groei van iedere populatie een keer een eind komt. En door het verder gaan met het verbinden van natuurgebieden zou de natuur wellicht in grote delen van het land min of meer haar gang kunnen gaan, zoals dat in de Oostvaardersplassen nu gebeurt. Dat vereist wel dat het ecosysteem wordt gecompleteerd, door de wolf en de lynx bijvoorbeeld.


Henk Revoort van het Faunafonds: 'Persoonlijk ben ik niet tegen de komst van wolven en lynxen. Niemand zal ze ooit zien en ze hebben een regulerend effect op andere soorten. Dus ja, laat de natuur zo veel mogelijk haar werk doen. Maar je moet wel je gezond verstand gebruiken. Je zult intussen overlast moeten blijven bestrijden.'


Rust in het leefgebied

Femmie Kraaijeveld-Smit van de Dierenbescherming verkiest het Oostvaardersplassenmodel in ieder geval boven het Veluwemodel. 'In de Oostvaarderplassen heerst rust in het leefgebied, er worden alleen verzwakte dieren geschoten, als het nodig is, en zonder handelsbelang.'


Maar veel wijst erop dat de koers gaat richting meer hoefdieren die ook buiten natuurgebieden kunnen leven, en meer afschot. Waarbij de jager als vervanger optreedt van de ontbrekende predators. En waarmee het klassieke beeld van de jager die oogst uit de natuur weer in zicht komt.


Een gevoelige kwestie dus.


Maar, zegt Martin Drenthen: 'Als je in het dichtbevolkte Nederland gezonde populaties dieren wilt hebben in de natuur, hoort de jacht er misschien wel bij. Dat is in landen als Canada en Amerika niet anders.'


Drenthen vindt de kwestie jacht of geen jacht eigenlijk niet zo relevant. 'Dieren lijden, dat is de natuur. Interessanter is de vraag: waarom willen we natuur? En dus: geen dierentuinnatuur. Dat is, omdat wij de natuur juist waarderen als die ons confronteert met wat we niet zelf hebben gemaakt of niet zelf controleren. De toenemende vermenselijking van de natuur miskent die eeuwenoude fascinatie voor iets wat groter is dan de menselijke maat. Die vermenselijking duidt op vervreemding van de natuur en leidt tot allerlei praktische problemen. Zoals overgevoeligheid voor het leed van individuele dieren.'


'Het gaat er uiteindelijk om dat we leren te denken in populaties, niet in individuele dieren', meent ook Han Olff. 'Veel mensen vinden dat moeilijk. Daaraan zie je dat we steeds verder van de natuur zijn afgedreven. We hebben de neiging om dieren in de natuur te zien als huisdieren.'


Op die manier, zegt Olff, raakt het grote doel uit zicht. 'Dat is dat we weer een compleet en gezond voedselweb terugkrijgen. En dat je die ecosystemen vervolgens beschermt.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden