Reportage

‘Hoer!’ in stoepkrijt: Naomi kaart straatintimidatie aan, net als veel andere vrouwen die niet langer ‘op hun hoede’ willen zijn

Vrouwen hebben schoon genoeg van straatintimidatie en laten van zich horen. Zoals in Rotterdam, waar een verbod op het wangedrag ineffectief en juridisch onhoudbaar bleek. Wat werkt er wel tegen het sissen, schelden en betasten?

Naomi Landman (20) schrijft voorbeelden van straatintimidatie met stoepkrijt en verspreidt ze op Instagram. Beeld Eva Roefs
Naomi Landman (20) schrijft voorbeelden van straatintimidatie met stoepkrijt en verspreidt ze op Instagram.Beeld Eva Roefs

Op de hoek van de Hartmanstraat en de Witte de Withstraat in het centrum van Rotterdam zit een jonge vrouw te stoepkrijten. In gele, blauwe en paarse letters schrijft ze woorden op de tegels. Als je er van een afstandje naar kijkt, biedt het een vrolijke aanblik. Kom je dichterbij, dan lees je dit: ‘Mag ik je melken?’

Die woorden zijn letterlijk zo door een stel mannen geroepen, precies op deze plek, vertelt Naomi Landman (20), terwijl ze haar stoepkrijt weer opbergt in haar rugzak. Niet naar haar, maar naar een andere jonge vrouw uit Rotterdam, die ze niet eens persoonlijk kent. Landman, net afgestudeerd aan de mbo theaterschool, verzamelt dit soort voorbeelden van straatintimidatie al twee jaar op haar Instagramaccount (@catcallsofrot) en gaat alle plaatsen delict in de stad af om de teksten op de grond te kalken. Op de West-Kruiskade: ‘Hé mooie dame, wel een beetje lachen hè.’ Op de Jonker Fransstraat: ‘Wat een lekkere billen!’ Op Het Hofplein: ‘Hé schat, lekker kontje. Laat me je poesje eens likken.’ Op de Spoorsingel: ‘Als jullie niet zo jong waren, had ik jullie allang opengescheurd.’

Chalk Back

Chalk Back heet de wereldwijde beweging van vrouwen die schoon genoeg hebben van mannen die hun zo nodig op straat moeten naroepen, nasissen, uitschelden, achtervolgen en betasten, en door hun ervaringen neer te krijten een discussie proberen aan te wakkeren. Ook in andere delen van Nederland is de beweging actief. De reacties op haar Instagramaccount zijn overweldigend, zegt Landman. ‘In mijn omgeving ken ik niet één vrouw die nog nooit met straatintimidatie te maken heeft gehad.’

Dat uitgerekend Rotterdamse vrouwen de noodzaak voelen om dat probleem aan te kaarten, is veelzeggend. Rotterdam was de eerste stad in Nederland waar straatintimidatie hoog op de politieke agenda belandde en geldt sindsdien als voorbeeld voor andere steden in Nederland die ook met het wangedrag worstelen. Landelijk werkt demissionair minister Grapperhaus aan een verbod op straatintimidatie, dat naar alle waarschijnlijkheid over een of twee jaar zal worden bekrachtigd.

Maar uit een onlangs verschenen evaluatierapport van de Erasmus Universiteit blijkt dat het beleid dat de afgelopen vier jaar in Rotterdam is gevoerd om het probleem de kop in te drukken, weinig tot niets heeft opgeleverd. Werd in 2017 nog 44 procent van de vrouwen in de Maasstad op straat lastiggevallen, inmiddels ligt dat aandeel op 47 procent. Hoe kan dat? Waar heeft het Rotterdamse beleid gefaald? En wat kunnen andere steden daarvan leren?

Op de hoek van de Hartmanstraat en de Witte de Withstraat: ‘Mag ik je melken?’ Beeld Eva Roefs
Op de hoek van de Hartmanstraat en de Witte de Withstraat: ‘Mag ik je melken?’Beeld Eva Roefs

Leefbaar Rotterdam

Bij gemeenteraadspartij Leefbaar Rotterdam konden ze op 19 december 2018 hun geluk niet op. Die middag had de Rotterdamse rechtbank, voor het eerst in Nederland, een man veroordeeld wegens het intimideren van vrouwen op straat. De 36-jarige Rotterdammer Everon el F. was op de Coolsingel en het Schouwburgplein achter acht vrouwen aangelopen, dicht naast hen gaan zitten op een bankje, had kusgebaren gemaakt en dingen geroepen als ‘Hé schatje, blijf nog even bij me’. Dat de rechtbank hem hiervoor kon bestraffen, was te danken aan het lokale verbod op straatintimidatie waarvoor Leefbaar Rotterdam sinds 2010 had geijverd, en dat begin dat jaar eindelijk van kracht was geworden.

De maatregel gold als het belangrijkste wapen in de strijd die toenmalig wethouder Veiligheid Joost Eerdmans in 2017 was aangegaan tegen de intimiderende praktijken van een deel van de Rotterdamse mannen, onder Leefbaar ook wel bekend als ‘het tuig’. Overtreders van het verbod konden rekenen op een geldboete tot 4.100 euro of een gevangenisstraf van drie maanden, stelde Eerdmans in een persbericht. ‘Als je gedrag wilt veranderen, zul je flinke tikken moeten uitdelen’, verklaarde hij. ‘Singapore aan de Maas, dat is mijn motto.’

Everon el F., een man met een verstandelijke beperking, had geen advocaat meegenomen naar zijn rechtszaak en kreeg slechts een boete van 200 euro opgelegd. Maar voor Leefbaar maakte dat weinig verschil. ‘We did it! Wat een mijlpaal, superblij mee!’, twitterde raadslid en aanjager van het verbod Tanya Hoogwerf na de uitspraak.

Het Rotterdamse beleid tegen straatintimidatie had meer om het lijf dan strafbaarstelling alleen. Zo werd er ook de StopApp gelanceerd waarmee vrouwen melding konden maken van incidenten, werd er voorlichting gegeven aan politieagenten en jongerenwerkers, en zou slachtoffers psychische ondersteuning, weerbaarheidstraining en een armband met geurbom worden aangeboden. Dit alles omlijst met een abricampagne waarvoor, geheel in de stijl van het gespierde bestuursjargon dat in Rotterdam eerder al de ‘stadsmarinier’ en de ‘patsercontrole’ had voortgebracht, de term ‘pikpraat’ werd bedacht.

Omlopen en aanpassen

Zwaar geschut, al met al, en dat was op zich te begrijpen. Onderzoek van de Erasmus Universiteit uit 2017 had uitgewezen dat veel Rotterdamse vrouwen zich onveilig voelden op straat, en dat ook meisjes in de puberleeftijd al de smerigste dingen naar hun hoofd geslingerd kregen. De meesten van hen bleken hun gedrag daarop volledig te hebben aangepast. Sommigen gingen niet de deur uit zonder na te denken over hun kleding. Anderen meden bepaalde plekken in de stad. En het gros van de vrouwen en meisjes had zichzelf allerlei gewoonten aangewend wanneer ze onderweg mannen of jongens passeerden: ze hielden hun ogen naar de grond gericht, zetten een koptelefoon op, deden alsof ze een telefoongesprek voerden of klemden hun sleutels tussen hun vingers.

Dit vroeg om harde actie, vonden ze bij Leefbaar Rotterdam. Niet in de laatste plaats omdat er op landelijk niveau niets was geregeld om de overlast te kunnen aanpakken. Hoewel toenmalig PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch al in 2012 pleitte voor een wet tegen straatintimidatie, was die er nooit gekomen. Een landelijke publiekscampagne over het probleem bestond evenmin. Stichting Sire confronteerde Nederlanders wel met de vraag ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?’, maar vroeg geen aandacht voor de minstens zo prangende kwestie waarom sommige jongens leken te denken dat je rustig ‘hoer’ naar een meisje kon roepen. Dit alles terwijl Nederland de plicht had een antwoord te formuleren op (onder meer) straatintimidatie sinds het in 2011 samen met 46 andere landen een handtekening zette onder het Verdrag van Istanbul, dat geweld tegen vrouwen moet tegengaan.

Bij Leefbaar Rotterdam wisten ze wat hun te doen stond: niet lullen, maar poetsen, met de agressiefste middelen die voorhanden waren.

Naomi Landman was 16 toen het beleid tegen straatintimidatie in haar stad werd ingevoerd, en heeft er weinig van meegekregen. Hoewel ze al vanaf de basisschool werd nageroepen door mannen, leefde ze lang in de veronderstelling dat dit er gewoon bij hoorde. Dat is nu wel anders. ‘Het enge van straatintimidatie’, zegt ze, ‘is dat je nooit weet waar het eindigt. Het kan zijn dat het blijft bij een gore opmerking, wat al intimiderend genoeg is, maar voor hetzelfde geld word je een auto ingesleurd. Je moet als vrouw dus altijd op je hoede zijn.’

Van die ernst leken niet alle media doordrongen toen ze in Rotterdam hun maatregelen bekendmaakten. Kranten schreven eufemistisch over een ‘sisverbod’. Op sociale media klonk het verontwaardigd dat bouwvakkers nu zeker ook geen vrouwen meer mochten nafluiten. Al eerder wijdde de Volkskrant een Stekel, een kort ironisch commentaar, aan Amsterdamse plannen om ‘gesis en ander primitief vertoon van bewondering’ aan banden te leggen: ‘Als dit kanon op de laatst overgebleven alfaman wordt afgevuurd, is er voor vrouwen helemaal geen lol meer aan.’

Eigenlijk was Joost Eerdmans dus heel woke voor zijn tijd, toen hij bij de presentatie van zijn beleid stelde dat het hier ging om ‘de onvrijheid die vrouwen voelen om zich te kleden hoe ze willen, en te gaan en staan waar ze willen’.

Aantallen gestegen

En toch, alle Rotterdamse inspanningen ten spijt, heeft Naomi Landman het vier jaar later maar druk met straatintimidatie in haar stad. Er zijn weinig wijken waar ze nog niets op de gegrond heeft gekalkt. Bij de Euromast: ‘Hé dame, je loopt verkeerd, mijn huis is die kant op.’ Op de Lijnbaan: ‘Lekker hoor, die tieten in de wind.’ In de Provenierstraat: ‘Stomme slet, arrogante trut.’

Volgens het evaluatierapport van de Erasmus Universiteit is niet alleen het aantal Rotterdamse vrouwen dat te maken heeft gehad met straatintimidatie sinds 2017 gestegen, ook hun angst en neiging tot risicomijdend gedrag zijn sterker geworden.

Joost Eerdmans, tegenwoordig fractieleider van JA21 in de Tweede Kamer, erkent dat hij liever een andere uitkomst had gezien. ‘Maar voor mij is dit geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten’, zegt hij. ‘De aanpak van straatintimidatie kost nu eenmaal tijd. Het rapport van de Erasmus Universiteit sterkt mij vooral in de overtuiging dat we de strijd moeten voorzetten en er nog harder tegenaan moeten gaan.’

Vrijheid van meningsuiting

Maar worden de tegenvallende resultaten van Eerdmans’ beleid wel voldoende verklaard door een gebrek aan tijd en inspanningen? Neem het verbod op straatintimidatie. Leefbaar Rotterdam heeft het nog altijd als een van haar successen op de partijwebsite staan. In werkelijkheid kon het verbod al snel worden bijgezet in het museum voor papieren tijgers. In twee jaar tijd werden er maar twaalf processen-verbaal voor straatintimidatie opgemaakt en twee plegers voor de rechter gebracht en veroordeeld. En die vonnissen besloot het gerechtshof in Den Haag eind 2019 ook nog eens te vernietigen, omdat het verbod strijdig zou zijn met de vrijheid van meningsuiting.

‘Krankzinnig’, vond raadslid Tanya Hoogwerf. Toch kon het oordeel van het hof onmogelijk een verrassing zijn. Diverse juristen hadden vooraf in de media gewaarschuwd dat het verbod niet zou standhouden. De vrijheid van meningsuiting wordt in Nederland nu eenmaal ruim geïnterpreteerd. Ook de man die ooit een parkeerwachter toebeet: ‘Dan duw je die teringbon er maar onder, vuile kankerzak’, werd door de rechter vrijgesproken. Bovendien mogen verbale uitingen niet plaatselijk worden ingeperkt, dat mag alleen de centrale overheid. Zo zette de rechter in de jaren tachtig en negentig al een streep door verboden op godslastering in de Biblebelt.

Die informatie werd in Rotterdam bewust genegeerd. ‘We zijn nogal van de can do-mentaliteit’, zei Joost Eerdmans in 2017 in De Telegraaf. ‘Dus niet eindeloos praten, maar gewoon proberen.’

Preventieve maatregelen

Dat het uitdelen van boetes een sisyfusklus zou gaan worden, wist Eerdmans eveneens. Criminoloog Tamar Fischer, die beide onderzoeken van de Erasmus Universiteit uitvoerde, had dat al in haar eerste rapport voorspeld. Volgens Fischer zelf, en de vrouwen en jongerenwerkers die ze had geïnterviewd, kon straatintimidatie veel beter worden aangepakt door te focussen op preventieve maatregelen, zoals voorlichting op scholen. ‘Alle respect voor Tamar, maar daarom werkt zij op de universiteit en ik op het stadhuis’, zei Eerdmans daarover in NRC Handelsblad. ‘Het is een politieke keuze geweest om vol in te zetten op de strafbaarheid.’

Die keuze is mogelijk wel ten koste gegaan van de andere onderdelen van het Rotterdamse beleid. Uit de evaluatie van de Erasmus Universiteit blijkt in elk geval dat vrouwen die via de StopApp melding maakten van wangedrag vaak geen ondersteuning of training kregen. Ook zijn er nauwelijks armbanden met geurbom uitgedeeld. Preventieve maatregelen kwamen amper van de grond: de pikpraat-campagne duurde maar kort, het aantal voorlichtingsbijeenkomsten op scholen was beperkt en de invloed van jongerenwerkers is nooit gemonitord.

Luidt dus de conclusie dat de Rotterdamse aanpak van straatintimidatie uiteindelijk vooral symboolpolitiek was? Joost Eerdmans vindt van niet: ‘Ik denk dat we de juiste stappen hebben gezet. We hebben pech gehad met het verbod, ik had gehoopt dat de rechter welwillender zou zijn. Maar ik vind het al heel mooi dat we het onderwerp zo breed onder de aandacht hebben kunnen brengen.’

Ook Tamar Fischer is niet al te negatief. Ze wil als wetenschapper sowieso geen direct verband leggen tussen het Rotterdamse beleid en een toename van het aantal vrouwen die overlast zeggen te ervaren en ’s avonds liever een blokje omlopen. ‘De aandacht voor het probleem kan er evengoed toe hebben geleid dat meer vrouwen zijn gaan beseffen dat bepaald gedrag niet oké is’, zegt Fischer, waarbij ze ook wijst op het mogelijke effect van de #MeToo-beweging.

Hoewel ze gelijk kreeg over de beperkte handhaafbaarheid van strafbaarstelling, is ze anders gaan denken over de waarde van het verbod. ‘Het heeft wel een norm gesteld en een verandering in het bewustzijn veroorzaakt. Vroeger konden bestuurders en politieagenten nog rustig beweren dat straatintimidatie geen probleem vormde, of de verantwoordelijkheid voor de overlast bij slachtoffers leggen. Dat zal nu niet zo snel meer gebeuren. Vrouwen voelen zich daardoor serieuzer genomen.’

Vertrouwen in de rechtsstaat

Socioloog Mischa Dekker, die vergelijkend onderzoek deed naar de aanpak van straatintimidatie in Nederland en Frankrijk, is kritischer. ‘Experimenteren met wetgeving kan schade toebrengen aan het vertrouwen in de rechtsstaat’, zegt hij. Bewijs daarvoor ziet Dekker in de vele woedende reacties op sociale media na de vernietiging van het verbod door het Haagse gerechtshof. ‘Are you fucking kidding me?’, twitterde dichter Lieke Marsman. Andere tweets varieerden van ‘Welke ruggengraatloze rechter heeft dit nu weer bedacht?’ tot ‘Weer een belachelijke uitspraak van rechters in Nederland!’

Dekker vindt dat Rotterdam zijn vrouwelijke inwoners geen dienst heeft bewezen met het verbod. ‘Als je belooft daders te gaan bestraffen, terwijl je eigenlijk al weet dat je die belofte niet kunt waarmaken, laat je slachtoffers in de kou staan.’

Lange adem

Nog geen 18 jaar zijn ze, de drie jongens die zich op een woensdagmiddag aan het eind van de Koopgoot hebben geposteerd. Drie paar ogen schieten in de winkelstraat in hartje Rotterdam driftig heen en weer. Bij elke jonge vrouw die hun voorbij loopt, klinkt het van onder hun vlassnorren: ‘Hé meisje, hé meisje, hé meisje!’ Een reactie krijgen ze niet. Na een minuut of veertig durft een van de jongens het aan. Hij kijkt, hij wacht, hij kijkt nog eens en roept dan naar een blonde twintiger in een wit topje: ‘Hé meisje, dikke tieten!’ Het ongemak is van het gezicht van de jonge vrouw af te lezen. Maar ze zegt niets en loopt door.

Wat is nu de effectiefste manier om dit soort gedrag uit te bannen? Het is een vraag waarover ze niet alleen in Rotterdam, maar ook in andere delen van Nederland het hoofd breken. Onderzoeken wijzen uit dat vrouwen in Amsterdam, Utrecht en Den Haag ongeveer evenveel last hebben van straatintimidatie als hun Rotterdamse seksegenoten. Ook buiten de Randstad regende het de laatste jaren maatregelen, meldpunten, publiekscampagnes en protestacties.

Volgens deskundigen is het in elk geval van belang te onderkennen dat de aanpak van het probleem een lange adem vergt. ‘Er bestaat geen kant-en-klare ­oplossing’, zegt Jens van Tricht van Emancipator, een organisatie voor mannenemancipatie. ‘Je kunt dit niet in een paar jaar oplossen’, zegt ook Marianne Cense van kenniscentrum Rutgers, die onder meer een project leidde over machogedrag onder jongens. ‘Dit vraagt om een cultuuromslag en dat kost tijd.’

Alle soorten mannen

Om die omslag voor elkaar te krijgen, menen de deskundigen, moet onder ogen worden gezien dat straatintimidatie iets is waar alle soorten mannen zich schuldig aan maken. Dus niet alleen de jongemannen van Marokkaanse en Turkse afkomst die vrouwen nasissen en ‘hoer’ toeroepen, waarvoor sommige politieke partijen en media extra aandacht lijken te hebben. ‘Je kunt niet beweren dat het een specifiek cultureel probleem is’, zegt Tamar Fischer, ‘want het overgrote deel van de mannen met een migratieachtergrond valt nooit vrouwen lastig. Bovendien heeft #MeToo wel aangetoond dat seksueel grensoverschrijdend gedrag niet aan één bepaalde groep is voorbehouden.’

Uit het onderzoek van de Erasmus Universiteit uit 2017 kwam naar voren dat plegers van straatintimidatie volgens de geïnterviewde vrouwen uiteenlopende profielen hebben. Voor zover bepaalde etniciteiten in sommige wijken oververtegenwoordigd waren onder de daders, werden daarvoor andere verklaringen aangedragen: straatcultuur, verveling en het feit dat meer dan de helft van de Rotterdamse bevolking uit mensen met een migratieachtergrond bestaat.

Ook de stichting Stop Straatintimidatie bestrijdt het beeld dat de overlast vooral een niet-westers gezicht heeft. ‘Elke vrouw die weleens in de buurt van een voetbalstadion, bouwkeet, hockeyfeest of studentenvereniging is geweest, weet dat je op al deze plekken het risico loopt om op een seksuele manier te worden geïntimideerd’, zegt Erik Verweij, projectmedewerker Rotterdam bij de stichting en tevens advocaat. ‘Er is dus één constante factor, en dat zijn mannen.’

Niettemin drong Joost Eerdmans er in 2017 bij de Erasmus Universiteit op aan nader onderzoek te doen naar de afkomst van daders. Toen de universiteit daarvoor bedankte, besloot Eerdmans zijn eigen onderzoek te laten uitvoeren. Zo’n zeshonderd Rotterdamse vrouwen werd gevraagd wat de etniciteit was van de laatste man door wie ze waren belaagd. Resultaat: het gros van de mannen was volgens de respondenten van Marokkaanse of Antilliaanse origine. ‘Die uitkomst verbaasde mij niet’, zegt Eerdmans. ‘Marokkanen en Antillianen hebben nu eenmaal heel andere opvattingen over vrouwen en seksualiteit dan wij. Voor sommige politieke partijen is dat een taboe, maar ik vind dat je dat gewoon moet kunnen benoemen, zodat je met die gemeenschappen in gesprek kunt gaan.’

Tamar Fischer noemde het onderzoek van Eerdmans destijds in de media onbetrouwbaar. ‘Het is onwaarschijnlijk dat al die vrouwen nog precies wisten welke etniciteit de dader had’, zegt ze nu. ‘Ik heb daar nog een uitgebreid gesprek met hem over gevoerd.’

Vanuit linkerzijde kreeg Eerdmans de kritiek dat hij vooral een stok zocht om mee te slaan en politiek bedreef over de rug van vrouwen. Sommigen zagen hun vermoedens bevestigd in het samenwerkingsverband dat Leefbaar Rotterdam in juni 2017 aanging met Thierry Baudet, bekend om zijn opvatting dat vrouwen ‘helemaal niet willen dat je hun ‘nee’, hun weerstand respecteert’, maar ‘overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden’.

Toch heeft etniciteit nooit een directe rol gespeeld in de Rotterdamse aanpak, zegt Erik Verweij van Stop Straatintimidatie. ‘Maar ik heb wel gemerkt dat de ideeën die sommige rechtse politici hebben verspreid over het profiel van daders zich in de hoofden van veel mensen hebben geworteld. Altijd als ik op Twitter over straatintimidatie begin, krijg ik te horen dat ik maar het halve verhaal vertel, dat ik een wegkijker ben. En echt niet alleen van types die voor alles de schuld bij migranten zoeken.’

Motieven

Er zijn momenten waarop Naomi Landman er even helemaal klaar mee is. Bijvoorbeeld als ze terugdenkt aan de nacht waarin ze door de welgestelde wijk Hillegersberg fietste, en er een man in een auto naast haar kwam rijden die maar bleef aandringen: waarom ging ze niet met hem mee? Moest hij dan helemaal alleen naar huis? Of als ze weer eens een intimiderende tekst op de grond zit te krijten, en zelfs dan van passerende mannen iets vulgairs krijgt toegeworpen. Op dat soort momenten denkt ze: ‘Waar halen die mannen het lef vandaan om de wereld op deze manier te regeren?’

Het is een wezenlijk punt bij de aanpak van straatintimidatie: wat drijft de daders?

Uitgebreid onderzoek naar motieven is er nooit gedaan. Volgens Jens van Tricht van Emancipator draait straatintimidatie vooral om macht, meer dan om seks. ‘Mannen willen laten merken: dit is mijn ruimte, dit zijn mijn vrienden, dit is de pikorde. En ze proberen elkaar te overtroeven om te laten zien dat ze geen mietje zijn.’

Ook Marianne Cense van Rutgers wijst op de invloed van bewijsdrang en groepsdruk: ‘Als je jongens een-op-een spreekt over dit soort gedrag, blijkt dat ze er zelf vaak ook niet tevreden over zijn.’

Juist vanwege dat machtsaspect werkt het uitdelen van boetes voor straatintimidatie eerder contraproductief, zegt Cense. ‘Het klinkt natuurlijk heel stevig om te zeggen: we gaan dit probleem eens even keihard aanpakken. Maar dat zal bij die jongens alleen maar tot gezichtsverlies leiden, waardoor ze zich nog eens extra zullen willen bewijzen.’

Jens van Tricht ziet nog een ander risico van een verbod, zeker in combinatie met het dominante beeld van daders: etnisch profileren. En volgens Tamar Fischer zal het altijd lastig blijven om het onderscheid te maken: ‘Wanneer is iets intimidatie en wanneer niet?’

Volgens sommige deskundigen zit er dus maar één ding op: alle ballen op voorlichting voor jongens. ‘We zullen onze zoons moeten heropvoeden’, zegt Van Tricht. ‘Door hun te leren luisteren, empathie bij te brengen en niet meer mee te lachen als vrienden zich misdragen. En we zullen hun de wezenlijke vraag moeten stellen: wat voor man, zoon en partner wil je zijn?’

Nationaal coördinator

Maar daarmee ben je er nog niet, denkt Van Tricht. Wil je straatintimidatie werkelijk met wortel en tak uitroeien, dan zul je het probleem volgens hem in een breder kader van geweld tegen vrouwen moeten plaatsen. ‘Als je niet ziet dat dit een uitwas is van de scheve verhoudingen in onze maatschappij, die ook ten grondslag liggen aan online-intimidatie, huiselijk geweld en verkrachting, dan heb je er niets van begrepen.’ Begin maart ondertekende Emancipator daarom samen met 21 andere organisaties een oproep voor een nationaal coördinator tegen geweld tegen vrouwen. Van Tricht: ‘Het is absurd dat die er nog niet is, terwijl we wel een Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding hebben. Geweld tegen vrouwen ontwricht de maatschappij veel meer dan terrorisme.’

Vooralsnog lijken de aanbevelingen van de deskundigen grotendeels aan dovemansoren gericht. In Alkmaar en Enschede gaan ze straatintimidatie binnenkort ook strafbaar stellen. Door zich niet op verbale uitingen, maar op hinderlijk gedrag te concentreren, hopen de steden het verbod juridisch mogelijk te maken. ‘Ik heb geen honderd procent zekerheid dat dit plan niet in strijd is met de wet’, zei het Enschedese VVD-raadslid Malkis Jajan daarover. ‘Maar ik vind dat we het sowieso moeten proberen.’

Het landelijke verbod op straatintimidatie waar demissionair minister Grapperhaus ondertussen aan werkt, zal waarschijnlijk na de zomer in de Kamer worden behandeld. Joost Eerdmans zal dan een van de eersten zijn om namens JA21 te betogen dat de daders meestal een migratieachtergrond hebben. ‘Het zou een omissie zijn om dat niet te doen.’

Een landelijke voorlichtingscampagne over het wangedrag staat voorlopig niet op de planning. Een nationaal coördinator tegen seksueel geweld tegen vrouwen komt er in elk geval niet, liet demissionair minister Van Engelshoven van Emancipatiezaken al in antwoord op Kamervragen weten.

In Rotterdam bracht VVD-wethouder Bert Wijbenga deze week zijn plannen naar buiten over de toekomstige aanpak van straatintimidatie in de stad. Wijbenga wil, anders dan zijn voorganger Eerdmans, veel meer werk maken van voorlichting voor jongens en mannen en nazorg voor slachtoffers. De vraag is wat daarvan terechtkomt. Wijbenga vertrekt na de zomer als wethouder, hij wordt burgemeester van Vlaardingen. Bovendien zijn er volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen, waarna de prioriteiten weer heel anders kunnen liggen. Leefbaar Rotterdam en de plaatselijke VVD-fractie dienden al met succes een moties in om notoire overlastplegers te weren uit het uitgaansleven en het openbaar vervoer. Kan dat wel zonder veroordeling? ‘Ik vind dat we al eerder moeten ingrijpen’, zegt Tanya Hoogwerf. ‘Je kunt in trams en cafés smoelenboeken met foto’s van al die jongens ophangen. Gewoon, lik op stuk.’

Naomi Landman wil zich niet laten leiden door politieke grillen. Zolang straatintimidatie bestaat, krijt ze door. Toen ze laatst weer eens met een tekst bezig was, bleven een moeder en haar zoontje staan kijken. ‘De moeder legde het jongetje precies uit waarom het nodig was dat ik dat deed. Dat vond ik zo bijzonder’, zegt Landman. ‘Als elke ouder het zo zou aanpakken, kan ik mijn Instagramaccount misschien ooit opheffen.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden