Hoekige estheet

Hij kon worden geraakt door een gasveld met vlampijpen en een interviewer tot wanhoop drijven met nors zwijgen. Hij won zowel de P.C. Hooft- als de Constantijn Huygensprijs. De tegendraadse dichter, romancier en wiskundige Gerrit Krol overleed zondag, 79 jaar oud.

Uitbundigheid moet je voor het juiste moment bewaren, wist Gerrit Krol, die afgelopen zondag op 79-jarige leeftijd in zijn woonplaats Groningen is overleden. Pas toen hij eind 2000 hoorde dat hem de P.C. Hooftprijs 2001 zou worden toegekend voor zijn romans en verhalen, kreeg televisiekijkend Nederland in het Journaal een dankbare reus te zien die zowaar het woord 'verrukkelijk' in de mond nam.


Ongewone emotie, die echter bij die prestigieuze bekroning onbekrompen werd losgelaten. Zoals de Groninger, die enkele jaren geleden naar zijn geboortestad terugkeerde toen hij door de ziekte van Parkinson getroffen bleek, zijn proza kon opladen met hoekige wijsheden ('Lagos is zonder meer de lelijkste stad ter wereld, maar dat geldt voor meer Afrikaanse steden'), zo kon hij interviewers radeloos maken door langdurig nors te zwijgen. Of er nou een tv-camera bij was of niet.


Waarover de stoïcijnse Krol zat na te denken, liet hij zien in zijn romans, verhalen en poëzie. Sinds zijn debuut in 1962 (De rokken van Joy Scheep-maker, in 2005 herschreven als Sofa aan zee) schreef hij in de uren buiten zijn dagelijkse werk als computerprogrammeur en systeemanalist bij de Koninklijke Shell (waarvoor hij ook jaren in Venezuela en Nigeria verbleef) en bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in Assen.


Krol had wiskunde gestudeerd en liet dat zijn lezers merken door zijn romans geregeld te onderbreken met een abstracte formule of mathematische tekening. En soms ook met een foto die niets aan de verbeelding overliet, zoals het zijaanzicht van een reuzenvrouwenbil (in De laatste winter, 1970), voorzien van het onderschrift: 'De geest van de macho, sterk vergroot.'


Iets moeilijks mooi en duidelijk presenteren (en om met Krol zelf te spreken: 'Wat mooi is, is moeilijk'), dat is de robuuste kracht van een formule. Ze zijn in al zijn werk terug te vinden, zelfs in het niet-literaire, zoals de Data Atlas van 680 pagina's die hij voltooide vlak voor zijn pensionering in 1993 en waarin hij zeshonderd bestaande computersystemen met elkaar verbond: 'Al die dingen aan elkaar gekoppeld. Convergent, uniek, volledig en leesbaar. Verdomd: ik zag die wereld zoals-ie was.'


Hij was vatbaar voor een ander soort schoonheid dan het gros van zijn schrijvende collegae. 'Ik word geraakt door een gasveld met vlampijpen, gloeiend in de avondzon. Een nachtelijk verkeersplein, niemand te bekennen, behalve één automobilist die netjes stopt voor rood licht. Een autobus die stipt volgens de dienst-regeling zijn rondjes rijdt, terwijl er niemand in stapt. Prachtig.'


Voor die tegendraadse romantiek heeft Krol (wiens verzamelde poëzie in 2009 de titel De industrie geneest alle leed kreeg) een oeuvre lang lezers gewonnen. In 1986 werd dat oeuvre met de Constantijn Huygensprijs bekroond, in 2005 kreeg Krol een eredoctoraat aan de VU te Amsterdam.


Zijn romans zijn dikwijls proef-nemingen: een experiment, eens kijken waar je dan komt. In Rondo Veneziano (2004) breken geleerden op een congres zich het hoofd over de vraag door wie of wat de hegemonie van de natuurwetenschappen kan worden overgenomen. De oplichter Jan Pipper, een wiskundige die zijn bul heeft gestolen, vermaakt zich prima, en uitgerekend hij ontdekt na afloop ineens de compositie van de wereld. 'Inzicht komt altijd onverwacht en toont aan hoe eenvoudig de wereld is - als je het eenmaal weet. Zo eenvoudig dat wij de genialiteit ervan over het hoofd zien.'


Over zijn werk als computerprogrammeur en systeemanalist schreef Krol het boekje 60 000 uur, dat met 100 pagina's even verbluffend kort was als Duivelskermis uit 2007, over zijn ziekte. Maar dat wil niet zeggen dat er weinig in staat. 'Vergaderen is een vorm van verval - dat is mijn idee en ik ging er vandoor.'


Zijn poëtica verwoordde Krol als volgt in het gedicht Ary's tuin, geschreven na een bezoek aan de tuin van Ary Langbroek, eertijds zijn uitgever bij Querido: 'Het leuke van een tuin/ is dat je hem voortdurend/ snoeien moet,/ of snoeien, noem het/ oogsten, of wat je zoal/ met snijbloemen doet,/ snijden, in een vaas zetten,/ de stelen, in knop/ waar men de bloem in ziet,/ of bloem, noem het poëzie,/ of een gewoon verhaal, want/ wie niet waagt die knoeit,/ wie schrijft die snijdt,/ wie snijdt die bloeit.'


Snijden kon Krol met meesterhand. In de novelle De vitalist (2001) pleegt de grijze hoogleraar wiskunde Johan een moord, en voelt zich daarna een stuk beter. Spijt heeft hij niet. Hij had geen reden, dus kon hij ook geen spijt hebben. Is trouwens ook onnodig, want hij komt de vermoorde Barbara nadien weleens als schim op straat tegen, en dan blijkt dat ze hem als haar liefde beschouwt. Ruim een half jaar na zijn misdaad loopt Johan de zee in, om onder water met haar het paradijs tegemoet te gaan.


Oftewel: wie zijn wij om zomaar te oordelen over goed en kwaad? Hoe weten wij hoe het er in het hiernamaals aan toe gaat? 'De ethische wetten die hier gelden, kunnen daar wel 'ns heerlijk afwezig zijn.'


In 1990 baarde Krol opzien met het essay Voor wie kwaad wil, dat veelal verontwaardigd werd opgevat als een pleidooi voor de doodstraf. Nee, legde de schrijver later uit, hij wilde vooral aantonen dat alle argumenten tegen de doodstraf (die is onnatuurlijk en wreed) onverkort ook gelden tegen de wél geaccepteerde, gebruikelijke lange gevangenisstraf. 'We ontdoen ons van de dingen die we niet willen zien.'


Een schrijver, vond Krol, is een versterker: 'Hij verduidelijkt wat de mensen beweegt en roept dat als een middelaar uit naar andere gemeenschappen: 'Zo zijn wij.' Zoals een omroeper in de Middeleeuwen van gehucht naar gehucht trok.'


Zijn poëzie oogt zakelijk en bijna wetenschappelijk, de werkelijkheid eromheen krijgt daarentegen mythische trekken, schreef Piet Gerbrandy over zijn verzamelde gedichten. De industrie geneest alle leed - mits je haar met een poëtisch oog kunt bekijken.


'God is overal. Maar hij is ook: zeldzaam', schreef Krol. 'Hij lijkt daarin op poëzie, indien we poëzie willen begrijpen als het juiste woord voor dingen die niet bestaan.' Alfa en bèta, industrie en poëzie, nuchterheid en wonderen, Gerrit Krol bezat de kennis en het vakmanschap om zulke ver uiteen liggende terreinen en begrippen meesterlijk met elkaar te verbinden. De sublieme snijder was ook een legendarisch lasser.


De drie beste van Krol


In de roman De laatste winter (1970) volgt Krol een paar expats in zonnige, politiek riskante gebieden. Ze mogen even rondlummelen. Alle gelegenheid voor een spervuur aan gortdroge grollen: 'Dat hij hoog-leraar was, dankte hij misschien aan de omstandigheid dat hij een Rus was. Russen in het buitenland zijn altijd goed, vooral in de buurt van een universiteit.' De herschreven versie uit 2005 is ook mooi, maar mist deze spreuk: 'Van alle vogels is het de paradijsvogel die het meeste schijt.' Even onontbeerlijk is de spannende roman Maurits en de feiten (1986): een student vermoordt een meisje, vlucht en geeft zich aan. Krol laat ons vakkundig aan alles en iedereen twijfelen: 'Een mens is wat anderen in hem zien.'


In zijn autobiografie 60 000 uur (1998) vat hij dertig jaar werken als computerprogrammeur helder en geestig samen. De schrijver overklast de systeemanalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden