'Hoe zou het met Bommel gaan?'

Dat hij de bedenker is van woorden als minkukel en bovenbaas weet niet iedereen meer. Marten Toonder is voor altijd de schepper van Tom Poes en Olivier B....

'HONDERD kunstenaars wonen hier!' zegt Marten Toonder als we door de doodstille gangen van het Larense Rosa Spierhuis lopen. 'Zou je niet zeggen hè? Je zou verwachten dat het hier een bruisende boel is, maar nee. Ik zie zelden een levend wezen.'

In het hoofd van de schrijver en tekenaar is de stilte nog niet ingetreden. Volgende week, op 2 mei, wordt hij 90 jaar. Groot feest in Rotterdam. Er zal een monument worden onthuld, en hij zal er de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs uitreiken aan Joyce Roodnat, voor haar romandebuut 't Is zo weer nacht.

Hij voelt zich ontheemd, in een land dat hij niet meer herkent. Hij kan de weg niet meer vinden, overal staan andere huizen, zelfs in Laren, waar hij ooit negen jaar woonde. Maar wat hij wel herkent is de fantasieloze, regelzuchtige Hollandse geest. Nee, hij zal hier geen Shee, een voorouderlijke geest, aantreffen op het bospad, zoals hem en zijn vrouw Phiny regelmatig overkwam in de Ierse heuvelen. Ruim een jaar geleden moest hij, na een dubbele longontsteking, zijn huis in Ierland verlaten. Nu zit hij vaak alleen op zijn kamer, in het gezelschap van zijn overleden dierbaren en de personages uit zijn tweehonderd verhalen.

Alles bestaat nog, in het ijzersterke geheugen dat gevangen zit in een lichaam dat niet meer wil. Zijn kindertijd, de oorlogsjaren, zijn bedrijf Toonder Studio's, de geboorte van zijn kinderen, de gelukkige tijd in Ierland - moeiteloos springt Marten Toonder, als hij begint te vertellen, kriskras door zijn lange leven. De chronologie doet er niet toe. Tijd en leeftijd zijn rekenkundige begrippen. Negentig, het zal wel. Ja, dan is het alweer zestien jaar geleden dat zijn laatste Bommel-aflevering verscheen, in 1986. Toen liet hij Olivier B. Bommel trouwen met de lieve juffrouw Doddel. 'Hoe zou het met ze gaan? Zijn ze gelukkig samen? Ja, dat vraag ik me wel eens af.' Zijn gezicht breekt open in een brede lach; er woont een jongen van twaalf vlak onder zijn huid.

Trouw zijn aan wie je bent, dat is het enige, zegt hij. Dan gaat het leven vanzelf. 'Anderen bepalen je leven niet. Wat je ervan maakt, dat zit al in jezelf. Vanaf het moment dat ik kon praten, ben ik niet meer opgehouden. Verhalen over dingen die echt gebeurd waren, maar als ze niet gebeurd waren, dan liet ik ze gebeuren. Ik was trots toen ik dat ontdekte. Mijn twee jaar jongere broertje Jan Gerhard, die later schrijver zou worden, luisterde naar mij. Heerlijk! Dus ik praatte dag en nacht tegen hem. Wij leefden samen in een fantasiewereld. Aan mijn verhaal komt nooit een einde.'

Ze vormden een wonderlijk gezin. Zijn vader, zeeman, kende hij amper. Hij was de man die een paar weken per jaar thuiskwam en dan bulderde over het slechte rapport. En bij zijn moeder hoefde hij niet aan te komen met zijn verhalen. 'Zij was vaak depressief. ''Ja, mooi hoor'', zei ze afwezig als ik iets liet zien. Maar ik vond het niet akelig thuis. Als je jong bent, neem je alles wat er gebeurt aan voor normaal, hoe gek het ook is. Want alles is tenslotte gek, hè? Dit theekopje hier, dat is een vreemd ding, maar het is er. Zoals je moeder is, zo hoort het. Het is zoals het is.'

Dat hij ook nog kon tekenen, ontdekte hij bij toeval. 'Ik wilde mijn broertje iets vertellen, bijvoorbeeld over een avonturier die rotsen ging beklimmen. Hij had een riem, met een sabel, grote laarzen. . . maar dan werd mijn broertje ongeduldig, hij wilde weten wat er met die man ging gebéuren. Dus tekende ik het maar voor hem, dan kon ik verder. Een geniale ingeving: wat je tekent, hoef je niet meer te vertellen. De vorm die ik later voor Bommel koos, is míjn vorm.'

DE WOORDEN, de figuren, de landschappen, alles moet functioneel zijn in een verhaal. Toonder verrijkte het Nederlands met nieuwe woorden: minkukel, zielknijper, bovenbazen - ze worden nog altijd gebruikt, maar ooit waren het vondsten. 'Niet om gek te doen', zegt Toonder, 'maar omdat ik die woorden nodig had. Als het woord dat je bedoelt niet bestaat, dan is het handig om een nieuw te verzinnen.' Maar hij vindt het wel leuk om in de krant te lezen over de 'bovenbazen' bij KLM.

Hij heeft wel eens spijt gehad van zijn keuze voor dierenfiguren om menselijke trekken te verbeelden. 'Mensen vroegen wel eens: waarom is Bommel een beer? Tja, het past bij hem. De oude Egyptenaren gaven de goden ook dierengezichten. En bij de Grieken stond de beer tussen de goden en de mensen in, een wijs iemand, een middelaar.'

Al zijn figuren zijn hem even dierbaar, zelfs de schurken. 'Het zijn natuurlijk allemaal facetten van jezelf. Je verzint soms verschrikkelijke dingen, maar je voert ze niet uit. Als schrijver kun je dat alsnog doen. Dan komen vanzelf de archetypen naar voren, zoals Jung ze noemde. Goed en kwaad zijn bij mij altijd in een strijd verwikkeld.

'Tom Poes wordt vaak een irritant, betweterig ventje genoemd. Maar ik mag hem graag. Hij moest wel slim zijn, steeds een list verzinnen, om mensen die kwaad willen tegen te houden. Zulke mensen zijn nodig in de wereld. Bommel, die had het maar makkelijk. Hij kon aardig zijn tegen een schurk die hem kwaad had berokkend. Tom Poes niet, die kon niet over zich laten lopen.'

Met Phiny, zijn eerste vrouw, met wie hij 65 jaar lang optrok, deelde hij zijn verbeeldingswereld, zoals ooit met zijn broertje. Toen zij jong was, schreef en illustreerde zij kinderboeken, later ging ze schilderen. Jarenlang werkten ze samen in een kamer, terwijl de kinderen - zij voedden er vijf op, hun twee zoons, een neefje en twee geadopteerde dochters - om hen heen speelden. Ze was zijn buurmeisje. 'Onze moeders hebben ons gekoppeld. Die vonden dat wij naar dansles moesten, en omdat Phiny niet alleen door het donker mocht, moest ik haar begeleiden. Vreselijk. Bokkig zwijgend liepen we naast elkaar. Maar het ging zoals met veel dingen: als je het maar een tijdje volhoudt, blijkt het leuker dan je dacht. Ze was een mooi meisje, Phiny, en erg lief.'

Phiny kreeg een flinke klap van de oorlog. Zij zag dat de mens niet deugde. 'Het was de enige periode', zegt Toonder, 'dat ik niet alles met haar kon delen. Ik hield een bedrijf in een huis, waar wel eens dingen gebeurden die niet gebeuren mochten: we hadden onderduikers, joden, we hadden een illegale drukpers. Dat kon ik Phiny niet vertellen, en dat zat haar erg dwars. Maar ik moest wel. Mensen die in moeilijkheden zaten, hielp je automatisch.'

Bang was hij niet, hoewel hij gevaar liep. 'Ik zag tijdens de oorlog het bewijs van iets waar ik als klein kind al bang voor was: de macht van de massa. Allemaal in het gelid, verstand op nul en luisteren naar de baas. Dat is het engste wat er is; en het is nog altijd zo.

'Wat ik ook leerde, tijdens de oorlog, is dat niet alle Duitsers rotmoffen waren. Het moederbedrijf van een in Amsterdam gevestigd bedrijf dat kinderfilmpjes maakte, zat in Berlijn. De eigenaar ervan was fel anti-nazi. Ik vond het vreselijk dat zulke mensen ineens allemaal rotmoffen waren. Maar ja, die nuance maakt wel eens een verkeerde indruk. Ik was absoluut niet pro-mof natuurlijk. Er is wel beweerd dat ik lid was van de Kultuurkamer. Dat was niet zo. Belachelijk! Ik heb me nooit aangemeld. Mijn broer wel. Toen hij lid was, mocht hij weer schrijven, maar dat deed hij niet. Hij zorgde voor een onderduikadres voor joden, en werd nooit lastiggevallen. Mensen oordelen zo makkelijk; dat is wel eens een beetje droevig.'

Na de oorlog verscheen de Bommel-strip in Het Handelsblad, de NRC, de Volkskrant, De Tijd, in kranten van de Brabant-pers, en in verschillende buitenlandse kranten. 'Elke dag een strip. Je lichaam stelt zich erop in, het wordt een ritme. Je bent net een mecanicien eigenlijk.'

Hoofdredacteur Joop Lücker haalde hem binnen bij de Volkskrant. 'Hij had een typisch karakter: wat hij zei, moest gebeuren. Maar hij zat vol goede ideeën. In ongelooflijk korte tijd heeft hij van een klein krantje een goede krant gemaakt. Er waren bij de krant mensen die Lücker haatten. Ze hebben hem er in 1964 uitgezet. Godfried Bomans zei toen: als híj eruit gaat, gaan wij, tekenaars en columnisten, ook. Maar hij kreeg niet veel medestanders; ik was eigenlijk de enige die hem niet afviel.'

Zijn eigen productiebedrijf Toonder Studio's werd in de jaren zestig groter en groter. 'Op een zeker moment hadden we dertien dagelijkse strips. Rijen tekenaars en schrijvers waren er bezig. Al die verhalen had ik in m'n hoofd, en dat kan te veel worden. Ik dacht: dat bedrijf, dat kan het ook wel af zonder mij.' In 1965 vestigde hij zich in Ierland. 'Het gekke was dat ik tóen pas ontdekte hoe leuk het was om aan die verhalen te werken. Toen kwam er liefde in.'

Die liefde, dat was Ierland. Op het eerste gezicht. 'Bommel zou in 1952 verschijnen in The Irish Independent en de hoofdredacteur wilde met me praten. Hij zei: ''Jullie moeten naar het westen gaan, daar is het 't mooist.'' We waren meteen verkocht. Het landschap, de meren. Mensen die ons kwamen opzoeken, zeiden: dit is precies het landschap dat je altijd getekend hebt! En ja, verrek, dat was zo. Phiny en ik herkenden er onze verbeelding, onze voorkeur voor het geheimzinnige. Als je dat eenmaal ziet, dan móet je daar zijn.'

NA 25 zeer gelukkige jaren kwam er een tijd van verlies en verdriet. Phiny stierf in 1990. Jan Gerhard in 1992. Onno, de jongste zoon, overleed voor zijn vijftigste aan een beroerte. In 1993 ontmoette Toonder zijn tweede grote liefde, de componiste Tera de Marez Oyens. Zij trouwden in 1996, ze stierf datzelfde jaar, aan kanker. En alsof de goden het nog niet bont genoeg hadden gemaakt, namen zij ook nog zijn beide dochters weg.

'Om krankzinnig van te worden. Wat kan ik erover zeggen? Ouders die hun kinderen overleven, dat is totaal verkeerd. En ik bleef maar leven. Maar je gevoel, waar moet het heen? Je bent zo alleen.'

Toch weet hij het zeker: de dood is geen einde. Er komt een volgende kans, om weer andere ervaringen op te doen. 'Als jongen begroef ik mijn dode konijntje, met stijve pootjes, en wist: dit is 'm niet meer, hij is nu ergens anders. Ik heb het ook gezien bij mijn dierbaren. Dat lijk, dat lijkt nog wel een beetje, maar hij of zij is weg. Ik heb weinig op met begrippen als hemel en hel, en dat afschuwelijke verhaal over de lieve Jezus die voor mijn zonden aan het kruis werd gespijkerd. Een vreemd bijgeloof. Later heb ik me verdiept in Krishnamurti, in het boeddhisme en taoïsme. Daarin vond ik inzichten die me beter lagen. Maar ik ben geen boeddhist geworden, hoor. Voor je het weet, zit je weer gevangen in een systeempje. Dan is het weer: gij zult niet dit en gij zult niet dat - en dat moet helemaal niet. Je moet vrij blijven.

'Over mijn eigen dood heb ik nooit nagedacht. Pas toen mijn tweede vrouw overleden was, vond ik er niks meer aan. Wat deed ik hier nog? Waarom zij wel en ik niet? Kennelijk heb ik een sterk lichaam. Maar ik heb longen als een vaatdoek: ik heb tot mijn 72ste gerookt, twee pakjes per dag. Een ander zou daar allang aan bezweken zijn.'

Marten Toonder zal wel zien. Hij lacht nog maar eens zijn jongenslach. 'De dood is welkom. Ik zal niet veel doen om 'm weg te jagen. Maar nu eerst maar eens negentig worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden