REPORTAGE

Hoe Yangon een kunsthoofdstad werd

De Volkskrant bezoekt de metropolen van de toekomst. Aflevering 3: Waar is de vierkantemeterprijs hoger dan die van Manhattan? In Yangon, de grootste stad van Myanmar, het bijna vergeten land tussen India en China. Vooral de creatieve sector beleeft een bloei die zijn weerga niet kent.

Pansodan Street in Yangon. Beeld Yvonne Brandwijk

'Zie je dat blauwe gebouw? Daar is mijn nieuwe appartement.' Met een arm vol verfspetters wijst Nann Nann naar de zevende verdieping van een gebouw in een straat zoals alle andere in Chinatown: mensen eten, koken en verkopen tussen de geparkeerde auto's, aan bomen hangen altaars en op de hoek van de straat is een supermarkt en een tempel. 'Penthouse', zegt de 43-jarige beeldend kunstenaar. '1 miljoen dollar.' Pardon? Om er zeker van te zijn dat we haar goed begrijpen, schrijft ze het op. En inderdaad daar staat het: een één met zes nullen.

Moderne kunst

Het is moeilijk te geloven dat dit dezelfde vrouw is die zojuist vertelde dat ze per ongeluk ontdekte wat moderne kunst is. In een atelier vol oude bouwmaterialen vertelt ze over haar eurekamoment, tijdens de les beeldhouwen op de kunstacademie in Myanmarese stad Yangon, het vroegere Rangoon. 'Ik was druk bezig toen ik ontdekte dat mijn mes weg was. Ik kwakte mijn beeld tegen de grond en riep: 'Wie heeft er aan mijn spullen gezeten?' Verschrikt keek iedereen naar de homp klei die ze van de grond raapte. Het beeld van de moeder met een kind op haar heup was totaal vervormd. Nann Nann juichte: 'Ik heb moderne kunst gemaakt!'

De excentrieke Nann Nann zocht al een tijd naar een manier om zich te onderscheiden van klasgenoten die braaf het werk van de docent namaakten. Boeken of internet om zich door te laten inspireren waren verboden door het regime, Nann Nann moest zelf haar eigen stijl ontdekken. De sculpturen en schilderijen die ze maakt, zijn mooi maar niet uitzonderlijk. Dat galeries in de hele wereld haar werk willen exposeren komt vooral door het verhaal achter haar werk. Ze is een van de eerste Myanmarese kunstenaars die experimenteerden met moderne kunst. En nu Myanmar zich heeft geopend voor de buitenwereld, profiteert ze van haar voortrekkersrol.

Bijeenkomst Amsterdam

Pakhuis de Zwijger heeft in samenwerking met Future Cities een programmareeks over steden van de toekomst. Vanavond, woensdagavond 29/6, praten de makers aan de hand van videofragmenten met relevante gasten en sprekers over de ontwikkelingen in Yangon.

Pakhuis de Zwijger, Amsterdam, 29/6, 20.00 uur.

Hillary

Eind 2010 kwam er een einde aan vijftig jaar onderdrukking, toen het militaire bewind de macht overdroeg aan een semi-civiele regering. Yangon, de grootste stad van Myanmar, heeft sindsdien een niet te remmen aantrekkingskracht op alles en iedereen. Dagelijks arriveren gelukszoekers uit eigen land, multinationals en toeristen uit de hele wereld. Hillary Clinton, in 2011 nog de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, kwam en kreeg voor elkaar dat de route van het vliegveld naar de Amerikaanse ambassade de eerste weg werd zonder kuilen.

Na de aankondiging van de hervormingen liet Kentucky Fried Chicken weten naar Yangon te komen - bij de opening in 2015 was de wachtrij voor het eerste Amerikaanse fastfood twee uur. De fastfoodgigant is zeker niet de enige. Buitenlandse investeerders staan te dringen in het economisch ongerepte land dat zo strategisch tussen India en China ligt en waar behoefte is aan alles - van tampons tot belminuten.

Vrouwen op straat. Beeld Yvonne Brandwijk

Sinds het begin van het democratiseringsproces groeit de economie tussen de 7 en 9 procent per jaar. Buitenlandse investeringen en een ontbrekend banksysteem - waardoor 'nieuw' geld in onroerende zaken wordt geïnvesteerd - veroorzaken een vastgoedbubbel. Kostte een vierkante meter kantoorruimte in 2011 nog 17 dollar, drie jaar later is dat 100 dollar, wat Yangon tot een duurdere plek maakt om zaken te doen dan downtown Manhattan.

Ruimte is zo duur en schaars dat veel plekken multifunctioneel zijn. Het politiebureau is kantoor, slaapkamer en gaarkeuken tegelijk, een tempel doet dienst als witgoedwinkel en restaurants worden 's avonds omgebouwd tot slaapvertrek voor de eigenaar en zijn familie. Elke auto heeft een andere verrassing in de achterbak: van kantoor tot een projectiescherm waarop films worden vertoond. Zomaar langs de weg ontstaan minibioscopen: iedereen die een stoel meeneemt, kan aanschuiven.

Waar gebeurt het in 2025 of 2040?

Dagelijks komen er wereldwijd 200 duizend stedelingen bij, meer dan 70 miljoen mensen per jaar. In 2050 woont meer dan 70 procent van de wereldbevolking in een stedelijke omgeving. Iedereen weet dat Shanghai en Rio de Janeiro booming zijn, maar wat zijn de steden van de toekomst? Met deze vraag reizen journalist Stephanie Bakker en fotograaf Yvonne Brandwijk de wereld over op zoek naar de opwinding in een aantal wereldsteden van de toekomst. Van het toekomstige modemekka van Afrika tot het Silicon Valley van Latijns-Amerika. Kijk voor de webdocumentaire op: futurecities.nl

Voor kunstenaars betekenen de veranderingen een bevrijding. Na een halve eeuw zijn ze (min of meer) vrij om zich te uiten. En niet onbelangrijk: de economische boom genereert een afzetmarkt. Nann Nann kan voor het eerst sinds haar afstuderen in 1998 leven van de kunst. En goed ook. De prestigieuze River Gallery verkoopt haar schilderijen vanaf 1.330 dollar, de prijs voor de sculpturen is op aanvraag. Waar ze echt veel geld mee verdient, zijn de opdrachten om nieuwe hotels te decoreren. Bestellingen gaan met honderden schilderijen tegelijk. 'I rich, dat is niet goed voor de romantiek', lacht ze. Om daarna met smaak te vertellen over mannen die na de eerste afspraak wegrennen voor een onafhankelijke vrouw en alleenstaande moeder.

New York

Dat de kunst in Yangon opbloeit, is niet toevallig. Door de politieke hervormingen en de economische voorspoed komt tot wasdom wat altijd latent aanwezig is geweest. Myanmar - dat destijds Birma heette - was voor de Britse kolonisatie in 1885 al een van de meest geletterde landen ter wereld dankzij de tempelscholen, waar jongens en meisjes leerden lezen en schrijven. Onder Brits bestuur ontwikkelde Myanmar zich tot de op een na welvarendste economie van Azië, met Yangon als bruisend economisch en kosmopolitisch hart. Het was het New York van het Oosten, waar mensen uit heel Zuidoost-Azië naartoe kwamen om te wonen, werken en winkelen. Yangon had de beste universiteiten van de regio, het eerste warenhuis met elektrische roltrappen en een internationaal bekende filmindustrie. Meer dan de helft van de inwoners kwam van buitenaf, en die creatieve smeltkroes trok schrijvers, kunstenaars en intelligentsia aan van over de hele wereld. De belofte was groots: niet Singapore maar Yangon zou het rijke centrum van Azië worden.

In conservatief en religieus Yangon protesteren punkers tegen de status quo. De revolutie van de punkers gaat ook door nu het democratiseringsproces is gestart. Behalve tegen systeem protesteren ze nu tegen het kapitalisme. Sinds de opstand van de monniken in 2007 werd neergeslagen door het regime zijn de punkers in Yangon actief bezig. Ze protesteren tegen het systeem en tegen het kapitalisme. Beeld Yvonne Brandwijk

Het liep anders: in 1962 greep generaal Ne Win de macht. Hij vestigde een militaire dictatuur en liet weinig heel van de kosmopolitische grandeur. Hij repatrieerde 300 duizend buitenlanders, deed westerse organisaties in de ban en verbood lesgeven in het Engels. In 1987 kreeg Myanmar van de Verenigde Naties de status van Minst Ontwikkeld Land. De gevangenissen zaten vol met andersdenkenden. Het hebben van een Gmail-account was genoeg om te worden opgepakt door de beruchte geheime dienst.

Alleen de koloniale pracht en praal in het centrum van Yangon herinnert aan deze tijden van welvaart. Brede boulevards zijn omlijst met enorme overheidspaleizen, herenhuizen en imposante bankgebouwen, die eruitzien alsof ze elk moment kunnen instorten - wat soms ook gebeurt. Pre-koloniale pagodes staan gebroederlijk zij aan zij met Chinese en Indiase tempels, moskeeën, baptistische kerken en zelfs een synagoge.

Yangon heeft een actieve punkscene. Beeld Yvonne Brandwijk

Een uniek plaatje in Azië, dankzij en ondanks het regime. Waar bulldozers in Singapore en Hongkong alles platwalsten en vervingen door dertien-in--een-dozijnkantoortorens, is door de economische malaise van de afgelopen jaren in Yangon het erfgoed bewaard gebleven.

Punker in Yangon. Beeld Yvonne Brandwijk

Kunstprijzen

Het verval wekt het gevoel op van een stad waar de tijd heeft stilgestaan. Maar er gebeurde altijd al meer dan menigeen vermoedde: Yangon bleef een creatieve stad, ook tijdens het dictatoriale bewind. Het werd alleen niet opgemerkt. Het land had te maken met handelsembargo's; en politica en Nobelprijswinnaar Aung San Suu Kyi riep herhaaldelijk op het land te boycotten. Terwijl de wereld Myanmar vergat, werkten de kunstenaars door. Nann Nann kreeg kunstprijzen en exposeerde in galeries in Hongkong en San Francisco.

Het scheelt dat haar werk niet politiek is, maar ook kunstenaars die kritiek hadden op het regime, lieten zich niet weerhouden door censuur, onderdrukking en armoede. Ze werkten ondergronds, onder pseudoniem en creëerden hun eigen ecosysteem. Zelfs tot in de gevangenis, zoals kunstenaar Htein Lin. Vanaf het moment dat hij leiding gaf aan de studentenprotesten van 1988, klinkt zijn leven als een film. De 49-jarige kunstenaar leerde schilderen in een vluchtelingenkamp, vocht in de jungle tegen de junta en belandde, nadat hij de revolutie had opgegeven, alsnog zeven jaar in de cel omdat zijn naam was opgedoken in een brief over een nieuwe politieke partij.

Ex-politiek gevangene en kunstenaar Htein Lin. Beeld Yvonne Brandwijk

In de gevangenis ging hij door met kunst maken, een beslissing waarvan hij later zegt dat het zijn leven heeft gered. 's Avonds voerde hij samen met een celgenoot een hoorspel op achter gesloten deuren. Overdag schilderde hij als een bezetene. Hij gebruikte gevangenisuniformen als doek, bewakers smokkelden verf naar binnen en dopjes van tandpasta en medicijnflesjes vormden het alternatief voor een kwast. Na zeven jaar had hij driehonderd doeken beschilderd en bijna duizend schetsen gemaakt. 'Om te creëren heb ik een gevoel van vrijheid nodig', zegt hij, 'en dit vond ik in de gevangenis.' Omdat hij weet dat het gek klinkt, vervolgt hij: 'Op straat durfde niemand over politiek te praten. In de gevangenis ontmoette ik gelijkgestemden, niemand was bang om zich te uiten.'

Van Gogh

De gevangeniskunst van Lin verbeeldt het leven in de Myanmarese gevangenissen. De pijn tijdens de martelingen, de wanhoop van de gevangenen die zelf een teen of vinger afhakten om maar te worden vrijgesteld van dwangarbeid. Lin vertelt verhalen die niemand kent en iedereen wil horen, en dat is precies wat Myanmarese kunst zo interessant en spannend maakt. De tentoonstelling van Lin in 2015, nadat hij na zeven jaar ballingschap weer permanent in Yangon was gaan wonen, werd de publiekshit van het Goethe Instituut. In de vervallen villa van het Duitse culturele instituut exposeerde hij de gevangenisdoeken, een installatie die zijn proces verbeeldt en een landkaart gemaakt van gevangeniszeep.

Tegelijkertijd werkte hij er live aan zijn nieuwe project A Show of Hands waarvoor hij de handen van ex-politieke gevangen in gips giet terwijl hij ze bevraagt over hun idealen, opofferingen en hun overlevingsstrategie in de gevangenis. Hij heeft al duizenden minuten video-interviews en vijfhonderd gipsafdrukken gemaakt. Het dubbele aantal gaat hij - helaas - makkelijk halen. Met de indrukwekkende verzameling wil hij zijn publiek eraan herinneren hoeveel mensen hun vrijheid opgaven voor een betere samenleving.

Teashops zijn al decennia de ontmoetingsplaatsen voor kunstenaars, dichters en schrijvers. Beeld Yvonne Brandwijk

Kunst is voor Lin een manier om de waarheid over het verleden van Myanmar te vertellen. En daarin is hij niet de enige. Het narratieve potentieel van Myanmarese kunstenaars is enorm, zegt Aung Soe Min, eigenaar van de populaire Pansodan Gallery. Het valt hem op dat zelfs kunstenaars van net 20 al een levensverhaal hebben. Ze hebben het socialisme meegemaakt, de onderdrukking en het democratiseringsproces. Hun gedachten, ideeeën en ervaringen zijn jaren verborgen zijn gebleven en zullen de komende jaren opborrelen.

Wanneer en in wat voor vorm, weet niemand. 'Dat maakt van Yangon een van de spannendste kunststeden van de toekomst', aldus Min.

Dat Myanmarese kunstenaars jarenlang ongezien en in afzondering werkten, heeft ze gevormd. Waar Frans Xavier van het Goethe Instituut het een gemis vindt dat Myanmarese kunstenaars niet zijn onderwezen in internationale kunststromingen, ziet Lin het ontbreken van referentiekaders juist als een voordeel. Hij vertelt dat hij voor eerst een schilderij van Van Gogh zag, in 2006. Toch was hij al geïnspireerd door diens werk sinds zijn leermeester in de jungle over de unieke stijl van de schilder vertelde. 'We leefden niet helemaal afgesloten van de wereld, maar ver genoeg om onze eigen fantasie te prikkelen.'

Niet de hoofdstad

Sinds 2005 is Naypyidaw de officiële hoofdstad van Myanmar. Een compleet nieuwe stad, 300 kilometer ten noorden van Yangon (Rangoon). Ver weg van het water - er wordt gezegd dat de junta een invasie van de Verenigde Staten vreesde - en het oproergevoelige Yangon. Naypyidaw is zes keer zo groot als New York, de wegen zijn 20 banen breed, alle restaurants hebben er wifi en er is altijd elektriciteit. Er is slechts een ding dat ontbreekt: mensen. Terwijl de bevolking van Yangon de komende 25 jaar zal verdubbelen tot 10 miljoen, is Naypyidaw een werkstad, waar iedereen eind van de week of na een meeting het liefst weer vertrekt. In de ogen van de overheid is Yangon echter een provinciestad als alle andere. Geld om de enorme uitdaging van de verstedelijking aan te gaan is er dan ook nauwelijks. Yangon heeft een divisie stadsplanning, maar zelfs de verantwoording over het erfgoed is verspreid over diverse landelijke ministeries.

Gaga

De opening van het land bracht voor kunstenaars nog een ander voordeel met zich mee. Onder druk van Europa en de Verenigde Staten deed de regering in 2012 de censuur officieel in de ban. Tot die tijd moest elk gedicht, spotprent, schilderij, of songtekst door het ministerie van Informatie worden goedgekeurd, tot de sportverslaggeving aan toe. Het probleem was dat de censuurpolitie overgevoelig was. 'Ze lazen tussen de regels door', volgens zangeres Phyu Phyu Kyaw Thein (30). 'We wisten meestal niet waarom we werden gecensureerd.'

Phyu Phyu beleefde haar internationale coming out in 2012, tijdens een concert van MTV. Het was het eerste openluchtconcert in 50 jaar waar buitenlandse bands optraden. Aan de voet van de gouden Shwedagon Pagode hadden zich 70 duizend Myanmarezen verzameld. De buitenlandse pers viel massaal voor de Myanmarese die tenger oogt, maar op het podium tekeergaat op een manier waar haar held Bon Jovi een voorbeeld aan kan nemen. Ze noemden haar de Myanmarese Lady Gaga.

Phyu Phyu is vereerd met de vergelijking, maar wijst erop dat haar uitgesproken gedrag en extravagante outfits er jarenlang toe leidden dat haar shows niet werden uitgezonden op televisie. Sinds 2012 is het relaxter, zegt ze. Ze had haar laatste album, met een nummer over de door monniken geleide saffraanrevolutie in 2007, drie jaar geleden nooit kunnen uitbrengen. Alleen werkt de censuur volgens haar nu op een andere manier. Het nummer is verboden op concerten en ze wordt aangevallen door zogenoemde keyboard armies, hackers die volgens haar in opdracht van de overheid opereren. Ze verdenkt ze van het rondsturen van haatcampagnes en roddels via internet. 'Op deze manier willen ze je laten weten dat je niet te ver mag gaan', denkt Phyu Phyu. Wie 'ze' is? 'Dat weet niemand,' zegt ze schouderophalend.

Koreaanse mode

Tot duidelijk is wat wel en niet kan, zoekt de creatieve scene de grenzen op van de vernieuwing. Yangon is een stad in een spagaat, met een been in de nieuwe tijd en de ander stevig in het verleden. Aung San Suu Kyi mag dan de verkiezingen afgelopen november glorieus hebben gewonnen, de militairen hebben nog altijd een kwart van de zetels in het parlement en een aantal belangrijke ministeries.

De stad ademt transitie, tegelijkertijd zijn de tradities nooit ver weg. Meisjes dragen moderne kleding, maar beschilderen hun gezichten met tanaka, een pasta van boomschors die dient als make-up en zonbescherming. Jongens gekleed in een traditionele longyi, (sarongs voor mannen) hebben hun haren naar de laatste Koreaanse mode rood of blauw geverfd.

En in een achterafstraatje in een volksbuurt zit opeens een hippe bar waar jongeren van allerlei nationaliteiten muziek maken, films kijken en over kunst praten. Hoe lang de Rough Cut Bar op deze plek blijft, weet Kuang Htet niet. 'Alles is pop-up hier. We hebben permissie, maar dat kan morgen zomaar anders zijn.' Htet - bretels, snor en een Hummer waar 'press' op staat - is fotograaf bij de Myanmar Times, meubelrestaurateur en mede-eigenaar van de bar. Al zijn vrienden hebben drie banen of projecten tegelijk. 'Er is zoveel te doen. Als ik het vandaag niet doe, doet een ander het morgen.'

Het is een tijd van grenzen verkennen, oprekken en je neus stoten, weet ook Ivan Pun, de 30-jarige jongste zoon van een van Myanmars rijkste zakenmagnaten. Hij werd geboren in Hongkong, studeerde in Oxford en woonde hij afwisselend in Peking en New York waar hij onder meer op de redactie van Vogue werkte. Met zijn donkerblauwe maatpak, witte sneakers en persoonlijke assistent lijkt hij in de haven van Yangon nog hipper dan in zijn hagelwitte kantoor vol repats (teruggekeerde expats). Achter hem sjouwen dokwerkers balen rijst op hun rug de kade op.

De zus van Kuang Htet - fotograaf, meubelrestaurateur en eigenaar van een kunstenaarscafé - wil hem naar Canada halen. Htet blijft liever in Yangon: 'Ik ben liever een grote vis in een kleine vijver dan dat ik een van de vele getalenteerde mensen ben in Canada.' Beeld Yvonne Brandwijk

'Het is een werkende haven', zegt Pun met Britse tongval. 'Zo moet het Meatpacking district eruit hebben gezien voor de galeries, restaurants en clubs kwamen.' De naam van zijn Myanmarese antwoord op het creatieve district van New York staat achter hem op de loods geschreven: TS.1. Het is de afkorting van 'Transit Shed 1' en zijn eerste project nadat hij in 2011 had besloten het geluk te gaan beproeven in het geboorteland van zijn vader.

'De mogelijkheden in Yangon zijn eindeloos', zegt hij. 'Alles wat in andere steden allang bestaat, ontbreekt hier.' Met TS.1 creëerde hij de meest vooruitstrevende plek van Yangon: een galerie met exposities, avantgardistische installaties en concerten. Op de kade dronk de Myanmarese society champagne met ex-politieke gevangen en globetrotters van over de hele wereld die dit staaltje van stadsvernieuwing als eerste wilden ervaren.

Cultureel ondernemer Ivan Pun. Beeld Yvonne Brandwijk

Aan dat feest kwam een einde toen de ambtenaren van de gemeente kwamen. Zij hadden nog nooit van het Meatpacking District gehoord en ontbonden het huurcontract. Wat exact de reden is, blijft onduidelijk. Het is 'het systeem' zeggen de mensen in Yangon en daar zijn zelfs geld en een invloedrijke vader niet tegen opgewassen. Het zou de bureaucratie kunnen zijn of een kwestie van prioriteiten waardoor de ambtenaren die kwamen niet de juiste mensen waren.

Pansodan

Kunst in Yangon is underground; het wordt vooral gewaardeerd door een kleine elite en een groeiende groep expats. Er is geen kunst in de openbare ruimte en de schuur waar Htet zijn meubels maakt, is (net als de vele home studios) zonder lokale gids onmogelijk te vinden. Maar verandering hangt in de lucht: kunstenaars, curatoren en cultureel ondernemers werken er hard aan om de culturele sector te ontsluiten. Vooral omdat kunst een cruciale rol heeft in het opbouwen van een nieuwe maatschappij.

Het beste voorbeeld is Aung Soe Min. Zijn Pansodan Gallery is gevestigd op de tweede en derde verdieping van een koloniaal pand. De muren zijn afgebladderd, de wanden hangen vol schilderijen, schetsen, foto's en prenten. De ramen staan wagenwijd open, waardoor het lijkt alsof je pal naast de ronkende bussen in de straat staat. Airconditioning ontbreekt bewust. 'Dan komen Myanmarezen niet binnen, omdat ze denken dat het een plek voor buitenlanders is', zegt Min. Hij vertelt dat de socialistische leiders kunst in de ban deden - ze vonden het een zaak voor de elite. 'Bij veel mensen is dat nog altijd de heersende gedachte', zegt hij. 'Ze schilderen thuis, kopen boeken en schilderijtjes op straat - maar ze zullen nooit zomaar een galerie binnenstappen.' Hij ziet het als zijn missie die mindset te veranderen. 'Kunst is niet buitenaards, het is voor iedereen.'

Min was uitgever in een tijd dat boeken verboden waren en leerde zichzelf films maken - het kostte hem vier jaar om zonder kennis van de taal een Engels studieboek door te worstelen. Tien jaar geleden verkocht hij alles wat hij had om de eerste Myanmarese galerie voor moderne kunst te beginnen. Van een appartement tot een collectie Myanmarese meesters. 'Iedereen zei: Aung is gek geworden, hij verkoopt oude meesters voor kunstenaars zonder naam, die schilderen als kinderen.'

De excentrieke Min was onverbiddelijk: er waren geen plekken in Yangon die kunstenaars stimuleerden moderne kunst te maken en degenen die dat wel deden waren totaal onbekend bij het publiek. Met Pansodan zette hij het model voor een galerie op zijn kop. Van een plek waar je alleen komt om kunst te kopen en verkopen naar een levendige plek waar van alles gebeurt.

Van isolatie naar smartphonemaatschappij

Myanmar heeft de snelst groeiende internetmarkt ter wereld. Sinds eind 2014 twee buitenlandse telecombedrijven de markt betraden is een simkaart, die vijf jaar geleden 850 dollar kostte, voor 2 dollar op straat verkrijgbaar. Inmiddels hebben meer mensen een smartphone in hun handen dan elektriciteit in hun huis.

De dinsdagavonden, waarop hij bier en Myanmarees eten serveert, zijn een begrip in de stad. Steeds vaker komen er jonge Myanmarese kunstverzamelaars naar zijn galerie of ouders die willen weten waar ze hun kind naartoe moeten sturen om te leren schilderen, schrijven of dichten. Glunderend vertelt hij dat er het afgelopen jaar dertig galeries zijn geopend, niet zelden op weg geholpen door Min zelf. 'Vrienden waarschuwen dat ik mijn rivalen creëer. Dat klopt niet: ik creëer geen concurrentie, ik creëer cultuur.'

Min democratiseert de kunst en ontdoet het van zijn elitaire imago. Dat is zowel cultureel als maatschappelijk belangrijk werk. In een tijd waarin het kapitalisme in een sneltreinvaart het boeddhistische land binnenstormt, kan kunst fungeren als smeermiddel; het verbindt mensen, herinnert ze aan een gezamenlijk verleden en helpt dat te verwerken. 'De wereld leert ons hoe je zaken moet doen, maar een nieuwe maatschappij opbouwen gaat over meer dan geld alleen', zegt Min. 'In kunst vinden we elkaar, het kapitalisme met zijn winnersmentaliteit vergroot de tegenstellingen alleen maar.'

Om zijn doel te bereiken, breidde Min de Pansodan-familie uit met PanSuriya, een museum voor fotografie, en Pansodan Scene waar hij exposities, debatten en lezingen organiseert. Een keer in de week zijn er de opnamen voor Open Music Festival, dat Myanmarese muzikanten een podium biedt op televisie. De voorwaarde is dat ze hun eigen muziek maken. Bands die internationale muziek kopiëren, mogen niet meedoen.

Ratten

Ivan Pun lanceert aankomend jaar zeker vier nieuwe concepten: twee restaurants, een conceptstore voor Myanmarees design en een meubelfabriek waarvoor hij samenwerkt met internationale en Myanmarese ontwerpers. Ondertussen zoekt hij naar een locatie om TS1 te heropenen. En anders dan je zult verwachten met al die leegstaande panden, is dat niet makkelijk. De herenhuizen en koloniale gebouwen waar hij zijn oog op heeft laten vallen, komen bijna nooit op de markt. Ze zijn van de overheid en zo slecht onderhouden dat ze elk moment kunnen instorten.

Een groter probleem is dat vaak niet bekend is van wie een pand is. Buitenlandse eigenaren zijn verbannen door het regime, het pand is cadeau gegeven aan een generaal of de eigendomspapieren zijn opgegeten door de ratten. Pun zou geen ondernemer zijn als hij zou opgeven. 'De culturele scene is underground en klein', zegt hij. 'Om uit te kunnen groeien tot iets groots moet je kunstenaars de ruimte bieden om te experimenteren. Het publiek moet steeds iets nieuws te zien krijgen.'

De volgende stap is een museum, de droom van de hele culturele scene. Een plek waar inwoners van Yangon gratis naartoe kunnen om kunst te leren kennen en te waarderen. Met wisselende exposities, goede curators en ruimte voor internationale uitwisseling. 'Ik weet zeker dat we in een jaar 200 miljoen bij elkaar kunnen krijgen', zegt de Amerikaanse kunsthistorica Nathalie Johnston. Ze woont sinds 2009 in Yangon en zou weleens gelijk kunnen hebben. Myanmar is geen arm land, de rijkdom is alleen ongelijk verdeeld.

Wat er volgens haar moet veranderen is de houding van de Myanmarezen. Ze hebben een afkeer van het grote geld omdat miljonairs hun geld hebben verdiend tijdens het regime en dat betekende dat je moest samenwerken met de generaals. 'Laat die miljonairs om het goed te maken, hun geld steken in projecten waar iedereen van profiteert', oppert Johnston. 'In Amerika zijn alle kunstinstituten gebouwd door miljonairs, we noemen ze filantropen.'

Een vrouw rookt een sigaar in het Lokanat gebouw, ooit de beste plek in Yangon voor Engels snoep, Duits bier en Egyptische sigaretten. Beeld Yvonne Brandwijk

Ali Baba

Op de laatste avond in Yangon heeft Min een verrassing. Hij gaat voor op de donkere trap naar zijn appartement. 'Het is acht keer 26 treden, tel maar dan weet je wanneer je er bent.' Dan zwaait de deur open en wanen we ons in de grot van Ali Baba. Het appartement van honderd vierkante meter is van onder tot boven gevuld met foto's, boeken, dichtbundels, traditionele gebruiksvoorwerpen, boeddha's en schilderijen. Een kamer is gevuld met filmscripts.

'Het is genoeg voor drie musea', zegt Min met de lach van iemand die zich beseft hoe bijzonder zijn verzameling is. Hij vertelt dat de afgelopen decennia niemand om deze schatten gaf, iedereen was bezig met overleven. 'Mensen verkochten zelfs hun erfstukken op straat.' Min heeft gelijk: de collectie hoort thuis in een museum, de plek die Myanmarezen confronteert met hun geschiedenis en hun creatieve genen.

Future Cities is een onderzoeksproject naar snelgroeiende steden en baseert zich op cijfers van ondermeer het Global Institute van McKinsey. Het project wordt gesteund door: het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, het Volkskrant Stimuleringsfonds, Freepress/Postcodeloterijfonds voor journalisten, het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie en het 'Innovation in Development Reporting Grant' program van het European Journalism Centre (EJC), gefinancierd door de Bill and Melinda Gates Foundation.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden