'Hoe vond U de verzen?'

In de oorlog onderhield Achterberg briefcontact met psychiater Hans Alex Keilson. Achterberg zat toen in een inrichting vanwege moord op zijn hospita....

Vier tot nu toe ongepubliceerde brieven van dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) zijn integraal afgedrukt in het gisteren verschenen septembernummer van het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid. Achterberg schreef de brieven in de periode 1941-1946 aan psychiater en schrijver Hans Alex Keilson (1909). Binnenkort zal Keilson de collectie overdragen aan het Haagse Letterkundig Museum.

De joodse psycho-analyticus die in 1936 naar Nederland was gevlucht, kon in 1943 een halfjaar onderduiken in de Rekkense Inrichtingen. Hij was nog geen zenuwarts toen hij daar al eerder via directeur Fontein in contact kwam met patiënt Achterberg, die na de moord op zijn hospita in 1937 ter beschikking gesteld was van de regering.

Al langer was Keilson - die zelf ook dichtte en drie romans publiceerde - een bewonderaar van Achterbergs zijn poëzie. Tijdens en kort na de oorlog hebben de twee elkaar enkele malen ontmoet en geschreven.

Zelf beschouwde Achterberg zich als ter beschikking gesteld van de poëzie. In de Rekkense tijd schreef hij vele gedichten waarin hij een gestorven geliefde ('u', 'gij') door middel van magische taal reanimeert. Keilson beschouwde Achterberg als een mysticus, een moderne Orpheus, voor wie de poëzie de lacune vulde tussen zijn grote sexuele drift en zijn omgeving.

In de brieven is Achterberg blij met Keilsons waardering voor de bundel Thebe, meldt hem wat hij leest (Van Goghs brieven, Pascal, Georg Heym) en vraagt hem om literatuur over parapsychologie. Op 19 november 1941 schrijft hij: 'Ik ben nu bijna vier volle jaren geïsoleerd en weet niet hoe ze zijn omgegaan. De hoop, telkens weer, op een mogelijke vrijheid, heeft ze broksgewijze verslonden.' Op 18 januari 1942: 'Ik vind het een goede gedachte ook Osmose in Uw handen te weten. Moge het U niet teleurstellen.'

Na de oorlog trouwde Achterberg met Cathrien van Baak en mocht hij, zij het onder toezicht, de psychiatrische instelling verlaten. Op 27 mei 1946 kreeg hij in Amsterdam de - eenmalig ingestelde - Pinksterprijs. Bij deze gelegenheid droeg Achterberg voor het eerst van zijn leven in het openbaar uit eigen werk voor. Keilson was daar bij aanwezig. Drie dagen later dankte Achterberg hem daarvoor: 'Er werd in mij een slag geleverd van actedron (een wekamine) tegen zenuwen en ik was 's avonds bekaf. (...) Hoe vond U de verzen die ik voordroeg? Waren ze direct te volgen?'

Met horten en stoten las Achterberg onder meer Omsingeling: 'Voorstellingen aangaande/ het nog van u bestaande/ verschemeren onderling. (...) Maar desniettegenstaande/ trek ik om u tesamen/ in een al nauwer ring.' Keilson roemde de evocatieve kracht van de verzen, en beoordeelde de voordracht met een fraai understatement: 'Ik kan mij denken dat men Uw gedichten anders kan lezen als U het deed.'

In het speciale Achterberg-nummer van het maandblad (een uitgave van het Trimbos Instituut in Utrecht) wordt ook 'de loopbaan van Gerrit Achterberg in de psychiatrie' gereconstrueerd. Psychiater J. Vink concludeert aan de hand van een justitieel een psychiatrisch rapport dat de dichter moet hebben geleden aan 'een zeer ernstige persoonlijkheidsstoornis, met zowel psychopathische als narcistische kenmerken'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden