Bellen metonze verslaggever

Hoe verhouden de Taliban zich tot journalisten – nu en 25 jaar geleden?

Dinsdag vond de eerste persconferentie van de Taliban plaats sinds zij de Afghaanse hoofdstad Kabul innamen. Hoe moeten we de woorden van de Taliban wegen? We bellen met verslaggever Rob Vreeken, die het land al ruim drie decennia volgt en in 1996 bij de allereerste persconferentie van de Taliban aanwezig was.

 De eerste persconferentie van de Taliban afgelopen dinsdag in Kabul. Beeld Marcus Yam / Los Angeles Times via Getty Images
De eerste persconferentie van de Taliban afgelopen dinsdag in Kabul.Beeld Marcus Yam / Los Angeles Times via Getty Images

Bij de vorige machtsovername door de Taliban, 25 jaar geleden, was je een van de weinige internationale journalisten die bij de allereerste persconferentie van de Taliban waren. Hoe was toen de situatie in Afghanistan?

‘De Taliban hadden op dezelfde manier Kabul ingenomen als nu, ook volkomen onverwacht en zonder een schot te lossen. Wat nu is gebeurd, is eigenlijk een kopie daarvan. In het weekeinde werd destijds duidelijk dat de Taliban de stad hadden ingenomen. Ik ben toen halsoverkop naar Peshawar in Pakistan gevlogen. Met veel geluk en enige slimheid stond ik maandagochtend in Kabul.

‘De context was wel anders. Toen was er net vier jaar burgeroorlog geweest. Een kwart van de stad lag totaal in puin, in de andere delen was nauwelijks infrastructuur, alleen pure armoede.

‘De Taliban-woordvoerder zei deze week ook: ‘De tijden zijn veranderd, wij zijn volwassener geworden.’ Kabul is nu een meer ontwikkelde stad. De Afghaanse samenleving is niet meer hetzelfde. Veel meer mensen hebben onderwijs gehad en zich maatschappelijk ontwikkeld. Je hebt internet tegenwoordig: ze zijn verbonden met de wereld.’

Hoe verliep die eerste persconferentie van de Taliban in 1996?

‘Er waren toen heel weinig buitenlandse journalisten. We hadden allemaal contact met elkaar, de meesten zaten in hetzelfde guesthouse, de German Club. We kregen een oproep van de Taliban om op dinsdagmiddag op het ministerie van Buitenlandse Zaken te verschijnen voor een persconferentie.

‘Die persconferentie was heel bijzonder: de wereld had de Taliban nog nooit gezien. Het was een geheimzinnige groepering, die vanuit het zuiden was opgekomen. Niemand had ooit contact met ze gehad. In een kamertje mochten wij, zo’n tien internationale journalisten, vragen stellen aan vice-minister Shir Mohammed Stanikzai, een forse man met een zwarte baard en tulband. Afghaanse journalisten had je toen nog helemaal niet.

‘Bij de persconferentie van dinsdag kwam de eerste vraag van Al Jazeera-journalist Charlotte Bellis. Maar in 1996 mochten de twee aanwezige vrouwen eigenlijk geen vragen stellen. Wij vroegen ons destijds onderling af of we die regel moesten accepteren. Maar de vrouwen zeiden: het is een historisch moment, we blijven gewoon zitten.

‘Later in de persconferentie stak de Nederlandse journalist Antoinette de Jong toch haar hand op om een vraag te stellen. Toen schrokken ze een beetje. Stanikzai gaf haar vervolgens wel antwoord, maar keek haar niet aan.’

Op dit moment ben je in Istanbul, hemelsbreed ongeveer 3.500 kilometer van Kabul vandaan. Toch maakte je gisteren een soort reportage door de lege straten van Kabul en langs de drie toegangswegen van het vliegveld. Hoe ben je te werk gegaan?

‘Ik heb nog veel contacten in Afghanistan. Drie mannen heb ik gesproken. Een van hen, Reza, vertelde me een dag eerder al dat hij de stad in zou gaan om rond te kijken. Dat is een buitenkansje, dacht ik. Hij kan dan als onze ogen en oren fungeren.

‘Reza vormde zo de basis van mijn artikel. Hij is een betrouwbare man, ik heb hem in Afghanistan in 2014 ontmoet. Met hem sprak ik af dat hij zo veel mogelijk zou zien en met mensen zou spreken. Hij heeft zes of zeven uur in Kabul rondgereden en -gelopen. Na afloop deed hij via Skype verslag aan mij.

‘Daarnaast sprak ik nog twee mannen in Kabul. Oo heb ik met andere mensen gesproken, bijvoorbeeld met iemand die in Europa druk bezig is zich in te zetten voor families in Kabul. Ook de persbureaus zijn een belangrijke informatiebron. Dat wordt soms onderschat. Wat de journalisten van internationale bureaus als Reuters, AP en AFP allemaal doen, is goud waard.

‘Die informatie is natuurlijk allemaal uit de tweede hand. Ik kan niet van alles nagaan of het klopt. Vandaar dat ik in het artikel de nadruk heb gelegd op geruchten die rondgaan. Ik citeer ook persbureau AP, dat ook van een bericht zei dat het niet onafhankelijk te verifiëren was.

‘Let wel: als je nu als verslaggever in Kabul bent, kun je ook niet alles met eigen ogen waarnemen. Dan werk je deels op eenzelfde manier. Je hoort van alles, je leest wat. Andere dingen zie je wel weer zelf. Dat je sommige dingen uit tweede hand moet vernemen, is ook ter plekke onvermijdelijk.’

Denk je dat de laatste journalisten in Kabul ook het land zullen verlaten?

‘Ik vermoed dat de journalisten daar blijven zitten. Ik denk ook dat de Taliban internationale journalisten hun gang zullen laten gaan. Niet wat alles betreft natuurlijk, maar de Taliban gaan echt niet op jacht naar westerse journalisten. Op de persconferentie zei de woordvoerder al nadrukkelijk: laat nu de internationale journalisten een vraag stellen. Ze waren er duidelijk op gericht om internationaal een goede indruk wekken.’

Tot slot, waar moeten we de komende dagen op letten?

‘Allereerst natuurlijk op de regels die de Taliban gaan invoeren. Hoe streng worden die? Hoe wordt het leven voor vrouwen in Afghanistan? Ook is het interessant hoe de Taliban een regering in elkaar zetten. Worden daar nog anderen bij betrokken? Worden daar alle etnische groepen in vertegenwoordigd? En in bredere zin: komt er nog verzet tegen de Taliban?

‘Dan zijn er nog de Hazara’s, een sjiitische minderheid die altijd het minst Taliban-gezind zijn geweest. Daar schrijf ik morgen een artikel over. In de jaren negentig hebben er wel slachtpartijen plaatsgevonden.

‘Bovendien is er nog een plekje in Afghanistan dat niet onder controle is van de Taliban. Dat is de de Pansjir-vallei in het noorden, als laatste bastion een soort Asterix-dorp. Daar zit Ahmad Massoud, de 32-jarige zoon van de legendarische mujahedinleider Ahmad Shah Massoud, met een militie van een paar duizend man. Hij roept op tot verzet tegen de Taliban, bijvoorbeeld in een stuk in The Washington Post vandaag.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden