'Hoe verder men keek, hoe groter het leek'

Stuk teruggevonden van Martin Bril. 'Gedicht' heet het. Maart 2004. Destijds door mij uitgeknipt om er op te reageren. Dat vervolgens nagelaten.


Het handelt over een van de kortste gedichten uit de Nederlandse literatuur: Heelal van Jules Deelder (van wie ik dankzij Bril, die tien jaar geleden op weg was naar Deelders 60ste verjaardag, nu ook weet dat hij binnenkort, in november, 70 jaar wordt).


Bril zag het gedicht in roze neon langs de snelweg hangen, ergens bij Overschie; een mij volstrekt onbekend gebied, maar ik stel mij er iets bij voor en vraag mij af of de tekst ook nu nog aan die loods hangt. 't Zou mooi zijn.


Bril maakt tien opmerkingen bij het gedicht. Anders en, in geval van observator Bril, ook beter gezegd, hij vermeldt tien dingen die hij opmerkt. Sommige punten zijn heel eenvoudig, zoals dat het gedicht kort is (punt 1), dat je het kunt onthouden (punt 3), dat het rijmt (punt 4). Volgens mij bevordert het rijm de onthoudbaarheid en had Bril de punten 3 en 4 eigenlijk moeten omdraaien, maar dat terzijde.


Op zichzelf is het een tikkeltje verdacht dat Bril uitkomt bij precies tien punten, want waarom zou een mens, nadenkend over wat dan ook, precies bij tien observaties uitkomen? Maar goed, het stuk is een column, en dan mag er veel.


Bril zag echter iets heel wezenlijks over het hoofd en had zijn eerste, tamelijk overbodige observatie moeten vervangen door een andere, namelijk: het gedicht staat in de verleden tijd. Hij zou dan nog steeds bij tien zijn uitgekomen, maar een heel ander en vermoedelijk veel beter stuk hebben geschreven.


De volledige tekst van het gedicht is:


Heelal


Hoe verder men keek, hoe groter het leek


Bril behandelt het gedicht alsof er staat: Hoe verder men kijkt, hoe groter het lijkt. Dat had gekund, natuurlijk. Deelder had het gedicht met evenveel gemak in de tegenwoordige tijd kunnen opschrijven, en het merendeel van Brils waarnemingen zou onverkort geldig zijn gebleven: het gedicht is nog steeds kort, helder, eenvoudig en onthoudbaar mede dankzij het rijm. Maar Deelder schreef niet 'kijkt' en 'lijkt'; hij schreef keek en leek!


In zijn ten achtste schrijft Bril: 'Waar je je ook in verdiept, het wordt altijd meer en groter naarmate je verder, langer, dieper en beter kijkt.' Dat is misschien waar, maar je kunt het niet afleiden uit het gedicht van Jules Deelder, want dat staat in de verleden tijd. Dat handelt over het verleden, de tijd waarin het nog zo was dat naar gelang je verder keek het heelal groter leek.


Zijn ten negende noemt Bril de instinker. Zijn conclusie: 'Zo zeker en duidelijk als het gedicht er dus uit ziet, zo peilloos is het in wezen. Je kunt heel ver en heel diep het heelal, het leven, de jazz en Rotterdam in kijken, uiteindelijk is alles schijn, vergeefs en zinloos.' Of deze conclusie, zelfs bij 'kijkt' en 'lijkt', ook de mijne zou zijn geweest, hoef ik mij niet eens af te vragen, want het is sowieso de verkeerde. Het gedicht gaat niet over schijn, vergeefsheid en zinloosheid. Het gedicht gaat over het voorbij zijn van een tijd waarin men nog deed wat men niet meer doet, nog kon wat men niet meer kan.


Hoe deze vaststelling geïnterpreteerd moet worden, is verder aan de lezer (van het gedicht). Voor mij spreekt er vooral weemoed uit het gedicht. Ik herinner me dat ik tien jaar geleden in Nijhoff ben gaan bladeren en heb nu weer de neiging om al die regels te zoeken waarin deze dichter zijn kindertijd oproept, de tijd waarin hij, veilig bij zijn moeder, naar de sterren, de maan, de wolken - jazeker, het heelal in - kijkt: Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag / Lang-uit met moeder in de warme hei, / De wolken schoven boven ons voorbij en Moeder, weet je nog hoe vroeger / toen ik klein was, wij tezaam / Iedren nacht een liedje, moeder, Zongen voor het raam? (...) Dan zag ik sterren flonk'ren / En de maan door wolken gaan


Dylan Thomas mag ook natuurlijk: Now as I was young and easy under the apple boughs / about the lilting house and happy as the grass was green, / the night above the dingle starry... Ook weer die sterren, ook weer het heelal.


Thomas (hij karakteriseert het gedicht in kwestie als 'a poem of evenings and tears') herinnert zich als huntsman and herdsman, als prince of the apple towns, maar ook als green and dying in de handen van de tijd.


De wolken van Nijhoff worden Scandinavië, eenden, schapen met een herder; iets waarom zijn moeder met een glimlach weende. Weemoed dus. Hoe verder men keek, hoe groter het leek. Terugverlangen naar het kind en zijn ongebreidelde verbeelding. Heel iets anders dan zinloosheid, vergeefsheid en schijn.


Dick Overkleeft, Gelselaar


De ombudsvrouw is met vakantie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden