AnalyseZweefvliegen

Hoe veilig is zweefvliegen?

Vijf jaar gebeurt er niets, en dan ineens zijn er twee dodelijke ongelukken in één weekeinde. In de Nederlandse zweefvliegwereld heerst verslagenheid. Alle slachtoffers waren zeer ervaren piloten. Hoe is zoiets mogelijk?

Een zweefvliegtuig stijgt op aan een lier. Beeld Marcel van den Bergh / De Volkskrant

Zweefvliegen geldt als een veilige sport. In de tamelijk overzichtelijke zweefvliegwereld, waar velen elkaar kennen, is dit een bekende uitdrukking: ‘Het gevaarlijkste van zweefvliegen is de reis naar het vliegveld.’

Maar Bert Otten – hij vliegt al meer dan 20 jaar, is instructeur, verbonden aan de Delftsche Studenten Aeroclub – geeft bij het aanhalen van die gevleugelde woorden onmiddellijk toe dat risico niet zo maar weg te poetsen is. Want: ‘Niets is zonder risico. Deze sport ook niet.’

Dat bleek afgelopen weekeinde weer eens. Zweefvliegen is officieel een sport (voor velen een hobby), en de ruwweg 3.700 beoefenaren van de sport in Nederland zullen dit weekeinde niet licht vergeten: bij twee ongevallen, één in Duitsland op pakweg vijftig kilometer van Winterswijk, en één op de vliegbasis Gilze-Rijen lieten drie zweefvliegers het leven.

Een recente brief van de nieuwe commissie veiligheid van de afdeling zweefvliegen van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) over hoe veilig zweefvliegen wel is (al vijf jaar geen dodelijk ongeval meer in Nederland) komt daarmee meteen in een wrang daglicht te staan.

De dag na het dramatisch verlopen weekeinde is het in de zweefvliegwereld het gesprek van de dag. Wat is er precies gebeurd bij de twee gelouterde wedstrijdvliegers (29 en 25 jaar) die zaterdag boven het Duitse Dülmen met elkaar in botsing kwamen? En hoe kan het een dag later op vliegbasis Gilze-Rijen bij een zogeheten lierstart (aan het eind van de startbaan staat een lier die het vliegtuigje als het ware de lucht intrekt) zo misgaan dat een 37-jarige pilote dodelijk verongelukte?

Beide ongevallen zijn nu in onderzoek door én de luchtvaartpolitie én de Onderzoeksraad voor de Veiligheid. Dat is vaste procedure, legt Frouwke Kuijpers van de KNVvL uit. Zij werkt op het KNVvL-hoofdkantoor in Woerden, vliegt al meer dan veertig jaar, en ze vloog op de zaterdag van het ongeval vanuit haar basis nabij Nijmegen ook boven Duitsland.

Een zweefvliegtuig stijgt op aan een lier. Anderen wachten op hun beurt.Beeld Marcel van den Bergh / De Volkskrant

Kuijpers heeft er voor de gelegenheid de cijfers bij gepakt over de laatste vijf, zes jaar. In Nederland gaat op jaarbasis zo’n vijftigduizend keer een zweefvliegtuig de lucht in. Er zijn 40 zweefvliegclubs. Per jaar hebben die gezamenlijk te maken met twintig meldingen van incidenten (Kuijpers: ‘Vaak blikschade, bij landingen bijvoorbeeld’) en twee echte ongevallen met lichamelijk letsel. En dan hebben we dit weekeinde. Kuijpers: ‘Ik weet het: het zijn maar statistieken. Iedere vorm van vliegen is natuurlijk niet helemaal zonder risico.’ Bij de opleidingen wordt uitputtend stilgestaan bij veiligheidsinstructies, verzekert zij. Zweefvliegers vliegen in principe op zicht maar detectieapparatuur aan boord wordt steeds verfijnder en draagt uiteraard bij aan de veiligheid.

‘Het is gissen naar wat er daar in Duitsland is mis gegaan’, vat Kuipers samen. Wat ze al zeker denkt te weten: aan het weer kan het niet hebben gelegen – de omstandigheden voor zweefvliegen waren perfect –, en aan onervarenheid van de vliegers zelf al helemaal niet. Beiden maakten ooit deel uit van de juniorenkernploeg die aan internationale wedstrijden deelnam, beiden hadden heel veel vluchten achter hun naam staan.

Veel zweefvliegers beginnen jong. Vanaf je veertiende is lessen in een tweezitter met een instructeur al mogelijk. Wie 16 is kan een brevet halen. Velen zien deze vorm van luchtvaart als een opstapje naar bijvoorbeeld de burgerluchtvaart. Lidmaatschap van een zweefvliegclub kost ruwweg tussen de 700 en 1100 euro per jaar. De vliegtuigjes zelf zijn doorgaans bezit van de club, bij goed vliegweer is het soms wachten op beschikbaarheid.

Thermiek is als het ware de motor van de zweefvlieger: opstijgende warme luchtbellen die het toestel naar hoogte kunnen brengen en op hoogte kunnen houden. Juist afgelopen weekeinde waren de weersomstandigheden voor de zweefvliegers dik in orde.

Vaak steken die overigens de Nederlands/Duitse grens over. Voor het Duitse luchtruim gelden volgens Kuijpers ‘minder restricties’ en daar komt bij dat het waterrijke Nederland met zijn vele kustgebied als het om thermiek gaat niet ideaal is: hoe minder vocht de bodem bevat hoe sneller en meer thermiek wordt ‘opgewekt’.

Nu overheerst de verslagenheid in de zweefvliegwereld. ‘Alles komt dichtbij omdat het wereldje klein is’, zegt Kuijpers. Zij hoopt dat er lessen te trekken zijn uit de ongevallen. Zweefvliegen zijn toegerust met GPS-technologie en een detectiesysteem (Flarm) aan de hand waarvan vluchten kunnen worden uitgelezen. Een parachute aan boord is vaak geen verplichting.

‘Dit is wel een hele wrange samenloop van omstandigheden’, blikt Kuijpers terug op het rampzalige weekeinde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden