Hoe schrijft men een roman over de klimaatramp?

Ilija Trojanow hield gisteren de 28ste Van der Leeuwlezing in Groningen. Co-referent was Arnon Grunberg. De lezing is een initiatief van de Stad, de Provincie en de Rijksuniversiteit van Groningen, de Stichting Martinikerk Groningen en de Volkskrant. Dit zijn de ingekorte versies van hun lezingen. De volledige versies staan in Ilija Trojanow, Requiem voor de toekomst, dat vanaf volgende week verkrijgbaar is bij de Volkskrant.

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het eerst over de opwarming van de aarde heb gehoord. Het onderwerp is me zo vertrouwd dat het lijkt alsof ik er mijn hele leven al mee te maken heb, maar dat klopt natuurlijk niet, het kan niet meer dan vijftien jaar zijn. En het heeft vast een paar jaar geduurd voordat ik het serieus nam.


Waarschijnlijk was ik nooit aan een roman over dit onderwerp begonnen als ik niet overvallen was door een droom, of liever gezegd een nachtmerrie. Een man ligt op een puinhelling, omgeven door een gletsjer die niet meer bestaat. De man is glacioloog, hij is het object van zijn wetenschappelijke passie voor altijd kwijt. Hij is onbeschrijfelijk verdrietig en weet zich geen raad.


Die nachtmerrie liet me niet los. Hoe vaker ik dacht aan de man die zijn gletsjer kwijt was, des te dieper zakte hij weg in een existentiële crisis, scepsis tegenover onze beschaving en een vergaande weerzin tegenover onze manier van economie bedrijven, onze leefwijze en mentaliteit.


Samen gingen we op zoek naar verlossing of genezing en vonden die voorlopig daar waar ijs en gletsjers (nog) niet door het grote smelten worden bedreigd: in de Antarctis. Dus monstert de gewezen glacioloog aan op een cruiseschip, als leermeester, als vakman, als gids. De ongereptheid van de Antarctis stemt hem even opgetogen als bezorgd, want hij weet wat er zal gebeuren als de mens zich ooit meester maakt van het gebied. Hij wordt belaagd door visioenen van ontering en plundering, opgeroepen door kleinigheden, door een sigaret die een soldaat tussen de pinguïns gooit, door de averij die een ander schip oploopt, door arrogante of achteloze opmerkingen van de passagiers aan boord. De Antarctis is de laatste maagdelijke wildernis op aarde - het idee dat die zal worden vernield is voor de gletsjeronderzoeker onverdraaglijk. Hij moet voorkomen dat de mensheid verder in de Antarctis doordringt.


Terwijl de aangrenzende staten staan te popelen om de bodemschatten van de Arctis te ontginnen, wordt de Antarctis beschermd door het Antarctisch Verdrag, dat elke vorm van commercieel gebruik verbiedt en territoriale aanspraken heeft bevroren, in elk geval tot 2048. Terwijl al nuchter rekening wordt gehouden met het einde van de Arctis, is de Antarctis nog te redden. Die dichotomie ligt ten grondslag aan de compositie van de roman. Een manicheïstische structuur. In de woorden van de hoofdpersoon klinkt dat als volgt:


'Arctis en Antarctis, dames en heren - we hebben het over extreme tegenstellingen. Enerzijds seizoensijs, anderzijds een met ijs bedekt continent, enerzijds een onophoudelijk smelten, anderzijds een vierduizend meter dikke ijskap. Enerzijds tot ondergang gedoemd, anderzijds tamelijk goed beschermd en nog niet verloren. Enerzijds spiegel van onze vernielzucht, anderzijds symbool van ons verstand. Om kort te gaan: boven slecht, beneden goed, boven de hel, beneden de hemel. We hebben het, dames en heren, over de twee polen van onze toekomst.'


Een idee hebben is eenvoudig. Het is ook niet moeilijk het te plooien naar de feiten en te zorgen dat het plausibel en geloofwaardig is. Echt moeilijk wordt het pas wanneer je het begint uit te werken. Hoe schrijf je over Antarctica, een oord dat je slechts kunt bezoeken door erlangs te varen? Hoe schrijf je over de laatste terra nullius, een land dat bij geen staat hoort en waar niemand woont? Hoe schrijf je over een landschap dat in de literatuur nauwelijks voorkomt - wat de mens niet bevolkt, beschrijft hij zelden.


En zo begaf ik me aan boord van een van die luxecruiseschepen die in de zuidelijke zomer vanuit Ushuaia in de uiterste punt van Patagonië naar het Antarctisch schiereiland gaan. We voeren door het Beaglekanaal, de geografische markeringen heetten Mount Misery en Cape Deceit, Last Hope Bay en Fury Island. Dat was uit literair oogpunt een goed teken. Alras zwichtte ik voor de poëzie van een onbekend landschap.


De Antarctis is raadselachtig, ongrijpbaar. Bedreigend zelfs, zoals in de Polynesische mythe over Ui-te-Rangiora, die in de 6de eeuw naar het zuiden zeilde, verder dan iedere zeeman voor hem, tot de oceaan stolde en hard werd, zo hard en zo koud dat de held er zich rillend van afkeerde en naar huis ging. De ontdekkingsreizen van Amundsen en Scott zijn ook mythes geworden omdat ze nooit kunnen worden overgedaan. De Antarctis leek lange tijd een verzinsel van Edgar Allan Poe. Een reis naar de Antarctis leidt nog altijd naar de uiterste grens van de beschaving, naar de laatste wildernis.


Als je op het buitendek staat te kijken vergeet je gemakkelijk elke vorm van beschaving: geen vliegtuig, geen drijfhout, geen mast in zicht, alleen wind en golven, alleen oeroude formaties van ijs en gesteenten die zonder ons toedoen - nóg wel - veranderen, alleen stille vogels die vluchtige, voor ons niet te ontcijferen boodschappen in de monochrome lucht tekenen. IJsbergen. Memento mori. Voorraadkamers. Ze bevatten het helderste water en de zuiverste lucht die we op aarde hebben, duizenden jaren geleden opgesloten in kristallen, en nu komen ze op hun trage reis door smelten vrij. Het ijs fungeert ook als een soort geheugen van de aarde. De ijsboringen van het European Ice Core Project in Antarctica hebben al een diepte bereikt die gelijkstaat met een tijdspanne van 900.000 jaar. Gaandeweg wordt het verleden van onze planeet zichtbaar. Allengs ontstaat ook in mij genegenheid voor het ijs.


Ons schip gleed door een natuurlijk kanaal, aan weerszijden witte ijswanden zo hoog het oog reikt, vóór ons het zwart glinsterende oppervlak van glashelder water. De wereld was ongemerkt in een zwart-wittekening veranderd. Warm ingepakt dromden we samen op het buitendek, sprakeloos, roerloos, alsof we een inzegeningsplechtigheid bijwoonden. We verzonken in een deemoedig zwijgen, de enige manier om nog uiting te geven aan het ontzag dat door de overweldigende indrukken van de afgelopen dagen bij ons was gegroeid - sinds het zien van de eerste albatrossen, de eerste ijsbergen, de eerste walvissen, de eerste spitse eilanden.


In de Antarctis heb je het gevoel een plaag te zijn. Als mens. Een gevoel vol tegenstrijdigheden dat licht tot misantropie leidt. Of dat duidelijk maakt dat humanisme als ideaal niet meer voldoet. De wanhopige onzekerheid van de glacioloog wordt gevoed door de overblijfselen van menselijke nederzettingen aan de rand van Antarctica, de ruïnes van walvisstations, die verroeste massavernietigingskampen, bijvoorbeeld op het eiland Zuid-Georgië. De glacioloog kan er niet meer tegen, tegen al die verwoesting, ook al vond die in het verleden plaats.


'Als de Antarctis vergaat, vergaat de mensheid', staat er in het dagprogramma van het cruiseschip, zonder bronvermelding. Dat is precies de boodschap van mijn roman; wat ik zou willen bereiken is dat lezers dat citaat letterlijk nemen, dat ze zich identificeren met de radicale hartstocht (of de vermeende waan) van de glacioloog. In het gunstigste geval (welk een vermetele ambitie!) dat ze anders kijken naar zichzelf en hun vernietigend vermogen.


Na mijn terugkeer uit de Antarctis was ik vastbesloten de roman waarover ik had nagedacht ook echt te schrijven. Voor nadere research ging ik op bezoek bij een van de meest toonaangevende glaciologen van de wereld. Hij luisterde beleefd naar mijn verhaal en vroeg toen hoe oud mijn hoofdpersoon was. Even oud als u, antwoordde ik tot mijn eigen verbazing spontaan (ik schatte hem begin tot midden zestig). Een wetenschapper die zijn leven lang onderzoek heeft gedaan en zijn werk inmiddels ter discussie stelt. Toen hij als jong promovendus bij zijn gletsjer een langlopend meetproject startte, ging hij er als vanzelf van uit: als we het probleem goed analyseren, zullen we het ook oplossen. Als we begrijpen hoe iets leeft, kunnen we het in leven houden.


De professor, die me in zijn bescheiden werkkamer ontving, toonde me op een van de beeldschermen satellietopnamen van de dood van een gletsjer. Zelden had ik zo'n beklemmend schouwspel gezien. Binnen een paar jaar neemt de gletsjer pijlsnel af in dikte en omvang. Het oppervlak wordt donkerder en het ijs absorbeert de stralen van de zon des te sterker, een zichzelf versterkend, dodelijk effect, door wetenschappers runaway-effect genoemd (poëtischer misschien: point of no return).


Ook legde de professor me uit waarom we rampen niet van tevoren kunnen berekenen. Geen model kan onzekerheden becijferen, de vele verschillende factoren die het opwarmingsproces kunnen versnellen, broeikasgassen bijvoorbeeld die vrijkomen door het smelten van de permafrost. Er is geen sprake van een lineair verloop. Kleine inputs kunnen alles op zijn kop zetten, zoals een ijsberg plotseling kan kantelen; dat is ook de reden waarom passagiers van cruiseschepen niet op ijsbergen mogen. Verder is er nog een probleem: elke op zichzelf staande oplossing vergroot de instabiliteit van het hele systeem en kan tot een eindeloze reeks verrassingen leiden.


In de wereld van de mythe betekent de complexiteitstheorie dat onze uit evenwicht geraakte aarde een labyrint is waarvan de meeste gangen elk naar een andere ondergang leiden. Mijn optimisme verdween terwijl ik naar hem luisterde. De politiek beweert daarentegen dat we A moeten doen om B te krijgen, daar zien ze de methode om de problemen op te lossen wel degelijk als lineair. Hoe gaat het nu verder? vroeg ik de professor bij het afscheid. Dat weet ik niet, antwoordde hij rustig, maar één ding lijkt me zeker: Tot nu toe bleek alles altijd erger dan wij, deskundigen, hadden verwacht. Niets wijst erop dat er in die wet verandering komt.


Wij mensen gaan volstrekt irrationeel om met waarschijnlijkheden. In het recentelijk in het Nederlands vertaalde boek Aanval op de vrijheid betogen Juli Zeh en ik dat de moderne mens het instinct heeft verloren dat hem waarschuwde voor gevaar, en dat hij zich daarom gemakkelijk laat manipuleren. Een voorbeeld: Het is volstrekt absurd dat we in de media meer over terrorisme dan over de opwarming van de aarde lezen.


Velen van ons troosten zich met de gedachte dat de catastrofale gevolgen niet definitief zijn bewezen. Natuurlijk zijn ze dat niet, maar ze zijn wel plausibel. En heeft niet ieder van ons in zijn leven wel eens een verzekering afgesloten, tegen brandschade, tegen waterschade, ook al is bekend dat die calamiteit zich bij minder dan één procent van de verzekerden voordoet? We laten ons verzekeren omdat het gevaar plausibel is.


Natuurlijk heeft dit verhaal de subjectieve stem van de gletsjeronderzoeker nodig, een woedende, gekwetste, eigenzinnige, radicale stem. De dualistische structuur vraagt echter ook om een tweede laag, die onder andere duidelijk maakt dat hij zich een eenzaam roepende in de woestijn voelt, een profeet die op zijn eigen planeet niet meetelt. Die laag wordt gevormd door de kakofonie in de wereld, die overstemmigheid, dat vreselijke allegaartje van gezwets en gepraat. De vele bekendmakingen van de media. De tweede vertellaag is een verbale soep waar het bittere lot van de held in oplost.


Als je lang met dit onderwerp bezig bent, ga je onwillekeurig als een vakman denken en draag je diens onverbiddelijke inzichten als een ratel voor je uit:


De rampen stormen sneller op ons af dan we denken.


Het zetten van kleine stappen is niet genoeg. Sommigen van ons denken er nog over na of we spaarlampen moeten gebruiken. Dat mag nuttig zijn voor de ontwikkeling van een kritisch bewustzijn, maar het is zo goed als irrelevant voor het oplossen van de klimaatcrisis.


Het is op dit moment al te laat voor een humane aanpassing aan de omstandigheden zonder veel slachtoffers. Sommige rampen kunnen we niet meer voorkomen, wat we van nu af aan ook doen. Opwarming klinkt knus, maar het betekent massavlucht, hongersnood, oorlog.


Alle levende systemen op aarde gaan achteruit omdat wij de biosfeer verpesten. De hoofdschuldige is onze take-make-waste-economie, voortgestuwd door fossiele energie. De ziekten van het kapitalisme heten consumptie en verspilling. De enige kracht ter wereld die machtig, rijk en vernuftig genoeg is om deze toestand te veranderen, is de kracht die deze toestand teweegbrengt. Zij zal niets veranderen en dus moet ze worden bestreden. Wat kan de literatuur anders doen dan de enkeling beschrijven die zich verzet?


Ilija Trojanow



Ilija Trojanow werd in 1965 in Bulgarije geboren. Hij verzet zich tegen culturele en filosofische starheid. Verandering, aanpassing en het versmelten van identiteiten zijn de thema's van zijn boeken.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden