Hoe Orban flirt en China wegkijkt

Europese landen in nood richten de blik al snel op China, het land met het meeste geld. De Hongaarse premier Orban ging hierin het verst. Hij keerde zich af van EU en IMF en bestempelde China als de 'nieuwe bondgenoot'. Maar de liefde bleek niet wederzijds en Orban moest met de pet in de hand weer terug.

Voor een handjevol Tibetanen in Boedapest verliep zaterdag 21 juni 2011 bepaald ongelukkig. Zij hadden zich voorgenomen te demonstreren tegen de Chinese premier Wen Jiabao, die in Hongarije op bezoek kwam. Maar de Hongaarse politie ontbood hen juist die dag op het politiebureau voor de controle van hun papieren. Dat vergde zo veel tijd dat de premier door geen enkele demonstrant tegen het Chinese Tibet-beleid last werd lastig gevallen. Zo kon premier Wen ongestoord met zijn Hongaarse collega, de conservatieve politicus Viktor Orban, langs de Donau kuieren.


Na afloop grossierde de laatste in superlatieven over de hulp die China zijn land zou gaan bieden. Die was niet minder dan 'historisch' en 'een erg belangrijke mijlpaal in de vernieuwing van Hongarije'. De onderhandelingen hadden het mogelijk gemaakt dat China en Hongarije 'nieuwe bondgenoten voor de lange termijn' van elkaar konden worden. 'Ik zie onze onzekerheden wat onze financiering op de middellange termijn betreft verdwijnen', meende de premier optimistisch. Over de mensenrechten geen woord.


Waarom schuwde de rechtse premier geen enkel middel om een wit voetje bij de Chinezen te halen? Zijn strategie was even eenvoudig als geopolitiek bezien gewaagd: hij had bedacht dat hij zich van de Europese Unie financieel onafhankelijk moest maken. In China, met zijn honderden miljarden aan reserves, zag hij zijn redder in de nood.


Bij zijn aantreden in mei 2010 bevond Orban zich in een lastig parket. De kiezers mochten hem dan een uitzonderlijk ruim mandaat hebben gegeven in de vorm van een tweederde meerderheid in het parlement, economisch erfde hij een failliete boedel. De voorgaande jaren van socialistisch bewind werden gekenmerkt door veel te hoge uitgaven en de kredietcrisis was daar nog eens vol overheen gekomen. Een noodinfuus van 12 miljard euro bij het IMF moest het land in 2008 voor een bankroet behoeden.


Over dat krediet, verstrekt in samenspraak met de Europese Unie, moest direct na Orbans aantreden opnieuw worden onderhandeld. Enkele dagen na zijn overwinningsfeest toog hij naar Brussel om ruimte te krijgen voor wat hij zijn kiezers had beloofd: een stimuleringspakket voor de economie. Maar van Europese Commissie-voorzitter José Manuel Barroso, hoewel politiek gezien een geestverwant, kreeg hij nul op het rekest. 'Er is geen ruimte voor zelfgenoegzaamheid', stelde de Portugees. Vanwege de Griekse crisis kon Brussel zich geen vrijelijk spenderende lidstaat tegenover de financiële markten permitteren. Dus moest de Hongaarse premier zich strikt houden aan de begrotingsnorm van 3 procent - stimuleren was uitgesloten, bezuinigen was zijn opdracht.


Bij de trotse Hongaar schoot dat in het verkeerde keelgat. De retoriek van Orbans woordvoerders ging prompt in de hoogste versnelling. Niets minder dan een 'economische vrijheidsstrijd' zou er moeten worden gevoerd, de 'financiële onafhankelijkheid van het land' stond op het spel. Grote woorden die bij de Hongaarse bevolking onvermijdelijk associaties opriepen met de tijden van de Sovjet-Unie. Als jonge jurist had Orban zich in 1989 onderscheiden door de Russen op te roepen hun tanks terug te trekken. Nu schuwde hij die parallel niet. 'We zijn in opstand gekomen tegen Rusland in 1956 en 1989, vandaag laten we ons niet een dictaat door Brussel opleggen', oreerde hij op de nationale onafhankelijkheidsdag in maart 2011. Dat hij als premier zelf de Hongaarse toetreding tot de EU in gang had gezet, bleef onvermeld. Zijn financiële problemen zou hij wel elders oplossen - de opkomende macht China zou de redder moeten worden, want 'de wind waait uit het Oosten'.


Nu zijn de betrekkingen tussen Hongarije en China van oudsher goed. Wat helpt is dat de Hongaren in een ver verleden vanuit Mongolië over de Aziatische steppen naar hun land zijn getrokken. Een herinnering aan die vervlogen tijd is het feit dat Hongaren hun familienaam voor hun voornaam plegen te plaatsen - net als de Chinezen en uitzonderlijk in Europa. Zwaarder telt dat het land in de jaren tachtig als een interessant experiment door de Chinese Communistische Partij intensief werd gevolgd. China keek met grote interesse toe hoe het ideologisch verwante Hongarije vooropliep in het experimenteren met de vrije markt. Eén zo'n geïnteresseerde Chinees was Dai Bingguo, ook wel de 'Chinese Kissinger' genoemd en nog altijd de voornaamste buitenlandadviseur van president Hu. Hij was ambassadeur in Hongarije vanaf 1989. 'De kennis die de Chinese leiders van Hongarije hebben, is enorm', zegt topdiplomaat Janosz Hovari op het ministerie van Buitenlandse Zaken met trots.


Anticommunist

Die Chinese kennis omvat uiteraard ook de handel en wandel van Viktor Orban, de man die zich zo nadrukkelijk als hun nieuwe vriend begon te profileren. Dat hij zich als student als een uitgesproken anticommunist had gemanifesteerd, is niet iets waar de Chinezen wakker van liggen, menen China-experts in Boedapest. Maar zijn gedrag tijdens zijn eerste premierschap van 1998 tot 2002 werkt nog wel door. Toen kapittelde hij niet alleen de Chinese regering over diens omgang met dissidenten en ontving hij de Dalai Lama, maar wees hij ook een uitnodiging van de Chinese autoriteiten om naar Peking te komen af.


Orban dacht het zich te kunnen permitteren: China speelde nog een bescheiden rol in de wereldeconomie en met zijn afwijzing van China kon de premier zich profileren als de fervente anticommunist die hij van jongs af is. Zijn energie richtte hij op de toetreding van zijn land tot de Europese Unie. 'Zijn weigering om op bezoek in Peking te komen, was echt een grote belediging en iets wat de Chinezen absoluut niet vergeten', zegt hoogleraar Chinese studies Imre Hamar, directeur van het Confucius Instituut van Boedapest. Orbans minister voor staatscommunicatie Zoltan Kovacs wuift het weg: 'De Chinezen gaan daar pragmatisch mee om. Ze hebben geen probleem met onze premier. Anders was hun eigen premier toch niet bij ons op bezoek gekomen?'


De politieke tegenstanders van Orban stellen dat hij nu in zijn verhouding tot China naar het andere uiterste is doorgeslagen. Hij zou hun staatskapitalisme als voorbeeld zijn gaan zien, net als de Chinese methoden om de sociale controle op de samenleving te vergroten. De nieuwe mediawet die de persvrijheid bedreigt, het gemorrel aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, het strafrechtelijk vervolgen van voormalige premiers van socialistische huize en de grotere greep op de economie zijn volgens buitenlandexpert David Koranyi 'allemaal maatregelen uit het communistische handboek'. Zeker, Hongarije is nog altijd een democratie, erkent de 31-jarige Koranyi, die in 2009 en 2010 de rechterhand voor buitenlands beleid van Orbans voorganger was. Maar wel een land waarvan de premier 'uit de crisis van westerse democratieën heeft geconcludeerd dat staatskapitalisme zo slecht nog niet is. Hij mag zich dan nog altijd een anticommunist noemen, maar hij bewondert de Chinese prestaties op dat vlak.'


Waar dat toe kan leiden? 'Op den duur wil hij naar een door de staat geleide economie', meent Koranyi. Als bewijzen voert hij de oprichting van een nieuw staatsbedrijf voor mobiele telefonie aan, de expansie van de activiteiten van het staatselektriciteitsbedrijf MVM en het nieuwe staatsbelang in een eerder geprivatiseerd gasbedrijf. In Hongarije doet zich de wonderlijke paradox voor dat de socialisten zich privatiseringskampioenen betoonden, terwijl nu de rechtse Fidesz de staatsgrip op de economie versterkt. Met bevoordeling van 'een kleine groep rijke zakenvrienden die zich om Orban heen bewegen', aldus Koranyi. In het regeringskamp wordt de prominentere rol van de staat niet ontkend, wel gerelativeerd. 'Dat heeft echt niets met marxisme van doen', zegt minister Kovacs. 'We zijn niet dogmatisch en we zijn bereid onorthodoxe maatregelen te nemen. Waarom zou de staat geen goede eigenaar van bedrijven kunnen zijn?'


Hoe dat ook zij, de flirt met China heeft vooralsnog weinig opgeleverd. Het bezoek van Wen Jiabao in juni leidde, na diens ongestoorde wandeling langs de Donau, tot de ondertekening van maar liefst twaalf overeenkomsten. Die bestreken een waaier aan activiteiten: van hulp aan Hongaarse ondernemingen via verbetering van de Hongaarse spoorwegen en studentenuitwisselingen tot de aankoop van Hongaarse obligaties. In de media werd de parallel met de Chinese aanpak van Afrika getrokken. De brede samenwerking die daar gebruikelijk is, zou nu ook voor het eerst in Europa worden toegepast.


Maar een half jaar later is van die gezwollen verwachtingen weinig over. Van grote aankopen van staatsobligaties is niets gebleken en de recente afwaardering van deze waardepapieren tot de junkstatus zal de Chinezen niet enthousiaster hebben gemaakt. Op de andere terreinen was er bovenal sprake van 'woorden en nog eens woorden, allemaal mooie intenties maar niets concreets', meent hoogleraar Hamar. 'De premier dacht met slogans de Chinezen aan boord te krijgen, maar tevergeefs.' Minister Kovacs vindt het voorbarig om van een mislukking te spreken: 'Het is nog te vroeg te oordelen. Wacht maar af'.


Glazen parels

Maar Hamar krijgt bijval van Agnes Szunomar, een China-specialiste bij de Hongaarse Academie van Wetenschappen: 'Als China-experts zeiden we al dat het nooit zou lukken om de Hongaarse economie door China te laten redden. China heeft zo zijn eigen problemen en staat echt niet te trappelen om ons te redden.' De charmante, vrouwelijke ambassadeur van China in Hongarije, Gao Jian, bevestigde dat in februari op een openbare bijeenkomst. In een auditorium van een universiteit in hartje Boedapest mocht zij voor studenten ongestoord een lofrede over haar eigen land uitspreken, kritische vragen over mensenrechten bleven achterwege. Toch deed ze een pikante uitspraak, die als een antwoord op Orbans flirt klonk. 'Hongarije ligt in Europa, de ligging heeft bepaald dat het hier is geworteld. En dus niet in China', stelde ze met nadruk.


Mis ging het voor de Hongaarse regering na de topontmoeting van juni vorig jaar. De onderhandelingen die daarop volgden, liepen vast. Tekenend is dat de speciale gezant voor China, Orban-vertrouweling Tamas Fellegi, in december van zijn taak werd ontheven en als nieuwe klus de onderhandelingen met het IMF kreeg. Hij kreeg geen opvolger. 'Dat vinden de Chinezen niet fijn', weet Szunomar. Bovendien werd in januari het vierkoppige team dat onder Fellegi viel, ontslagen. Voor China-experts een duidelijk teken dat de onderhandelaars hadden gefaald. Verder bewijs: een aantal van hen werd vervolgens door de regering geconsulteerd over hoe er toch met Chinezen moet worden omgegaan.


China-expert Gergely Salat, verbonden aan het Confucius Instituut en zoon van de voormalige ambassadeur in China, stelt dat 'er grote fouten in de onderhandelingen zijn gemaakt. De opstelling van de Hongaarse delegatie was toch een beetje die van de witte man die met inboorlingen denkt te praten: ik geef jou glazen parels en dan geef jij mij goud. Dat kon misschien in de 19de eeuw, maar daar moet je nu bij de Chinezen echt niet meer mee aankomen. Die hebben dat als erg beledigend ervaren.'


Eén van die glazen parels was de Hongaarse trots, luchtvaartmaatschappij Malev. De Chinezen lieten het noodlijdende bedrijf eind vorig jaar links liggen, in februari ging het na 66 jaar failliet. Hoe kan een regering zich zo misrekenen? 'Ze hebben gewoon geen enkele kennis van China. Niemand die weet wat ze denken, hoe je met ze moet onderhandelen. Niemand die zelfs maar Chinese kranten leest', meent Salat. 'We hebben de neiging in Hongarije om te overschatten, hoe belangrijk we zijn', luidt de verklaring van hoogleraar Imre Hamar.


De regering-Orban koesterde te veel illusies over China, stelt oud-minister van Buitenlandse Zaken, Peter Balazs. Hij nam deel aan de technocratische, door de socialisten gesteunde regering die in 2009 en begin 2010 de macht had. Met de in linkse kringen populaire voorstelling van Orban als dictator ('Viktator') heeft hij niks op: 'Dat soort kwalificaties is iets voor jonge meisjes. Ik bekijk zaken koel en analytisch.' Die benadering brengt hem tot de conclusie dat 'Orban zich inmiddels heeft gerealiseerd dat China hem niet gaat redden en dat hij dus niet om het IMF en de EU heen kan.' Ook hoogleraar Hamar ziet vooral een realistischer koers: 'De regering beseft inmiddels dat ze van Hongarije geen klein China in het midden van Europa kunnen maken. Onlangs zei Orban in het parlement dat we een deel van Europa zijn.' Met lichte spot: 'Fijn dat hij dat ook weer beseft.'


CHINA AFZIJDIG IN EUROCRISIS

Geen daden, maar woorden. Dat is, enigszins kort door de bocht, de houding die China jegens Europa bij het oplossen van de eurocrisis inneemt. Concrete Chinese steun in de vorm van het opkopen van staatsobligaties van zwakke eurolanden vindt op zijn best mondjesmaat plaats. Cijfers hierover zijn niet beschikbaar - de EU-landen noch China geven daar inzicht in. Maar obligatiehandelaren hebben sterk de indruk dat de Chinezen hun kruit droog houden. Hun voorkeur gaat uit naar eersteklas-staatsobligaties, zoals de Duitse Bunds. Verder beperken ze zich tot het uitspreken van mooie intenties.


De eurocrisis moet nog veel heftiger worden, willen de Chinese leiders in actie komen. Voorlopig is en blijft hun lijn: aan de Chinese bevolking valt niet uit te leggen dat rijke westerlingen miljarden aan steun krijgen. Verandering komt hierin pas wanneer de Chinezen direct last van de eurocrisis gaan ondervinden in de vorm van een te lage economische groei. Dat valt niet uit te sluiten, omdat de EU hun grootste afzetmarkt vormt.


HONGAREN NIET BANG VOOR SUPERMACHT CHINA

Opmerkelijk in Hongarije is de afwezigheid van angst in het publieke debat over China. De opkomst van een nieuwe, economische supermacht wordt bovenal als een kans gezien. Dat staat haaks op de kritische houding in West-Europese landen, waar voor Chinese dominantie en banenverlies wordt gevreesd. Vanwaar dat verschil? Socioloog Emre Sik houdt het er op dat 'we het ons kunnen permitteren om niet bang te zijn. Wij spelen nu eenmaal niet in dezelfde divisie als Duitsland.' Bovendien heeft Hongarije de negatieve kanten van de opkomst van China veel minder ervaren dan bijvoorbeeld Zuid-Europese landen: de eigen schoen- en textielindustrie was al grotendeels ten onder gegaan door de blootstelling aan de vrije markt na de Wende van 1989 en leed dus niet onder de latere toevloed van goedkope Chinese producten. Volgens China-deskundige Agnes Szunomar maakt het ook een verschil dat Hongaren, anders dan West-Europeanen, vertrouwd zijn 'met geleid worden, in plaats van zelf te leiden. Eerst de Russen, toen de Amerikanen, straks de Chinezen, we zijn er aan gewend.' Kritische pijlen worden eerder op het westen gericht: op Brussel en de westerse multinationals. De Chinese investeringen in Hongarije zijn nog altijd zeer beperkt en dus ook niet aanstootgevend.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden