Hoe Nederland wende aan de islam

Eeuwenlang beschouwden Nederlanders moslims als hun grote vijand. Althans formeel, want handel en wetenschap gingen hun eigen weg. Wat pastoor, dominee of imam ook te zeggen had....

IN 632 stierf Mohammed uit Mekka, bij leven profeet en grondlegger van de islam. Het was hem gelukt de vele rivaliserende Arabische woestijnstammen tot een onverbrekelijke eenheid te smeden en tevens het Arabisch als eenheidstaal in te voeren. Na zijn dood liet hij zijn volgelingen een radicale religie na, die korte tijd later als Koran op schrift werd gesteld. Bovendien gaf hij hun een heilige boodschap mee: bekeer alle ongelovigen door de zogeheten heilige oorlog, de jihad. Alleen joden en christenen, de 'volkeren van het Boek', mochten tegen royale betaling hun religies blijven praktiseren.

Moslims die in de jihad sneuvelden, zo beloofde de profeet, zouden rechtstreeks naar het paradijs gaan, alwaar eeuwig jonge maagden hen met open armen zouden ontvangen. De bekeringsboodschap van de profeet was luid en duidelijk overgekomen en vormde het startsein voor een aanzienlijke reeks veroveringsoorlogen.

Zes jaar na het verscheiden van de profeet viel Jeruzalem in islamitische handen. Het christelijke Westen zag tandenknarsend toe hoe de ziel van haar beschaving aan de heidenen was overgeleverd. Jacob van Maerlant, de 'vader der Dietse dichteren algader', stelde later nog verbitterd vast dat de heidenen, godbetert, vrijelijk de heilige stad konden in- en uitrijden. Maar ook de avontuurlijk ingestelde pelgrim op weg naar het graf van zijn Heiland, moet even hebben geslikt op het moment dat hij de poort passeerde van de heilige stad, waarboven nu trots de banier met de halve maan wapperde.

Het zou echter nog vierenhalve eeuw duren voordat de Europese hoven besloten hun legers te mobiliseren en zij een begin met de kruistochten maakten. De bevrijding van Jeruzalem had kennelijk in die dagen geen prioriteit voor de westerse adel. Die had het nog te druk met de kerstening in eigen streken. Zo had de roomse topmissionaris Bonifatius in de tweede helft van de 8ste eeuw zijn handen nog vol aan de bekering van de Friezen, tot hij in 754 onder enkele gerichte slagen van heidense zwaarden bezweek.

De dreiging kwam ook van een andere kant. Al in de 8ste eeuw maakten de moslims werk van Mohammeds heilige missie. Zij staken uit Marokko de Straat van Gibraltar over en na een aantal bloedige veldslagen slaagden zij erin het gehele Iberische schiereiland onder de knoet van de Koran te brengen. Daarop maakten de Moren zich meester van de belangrijkste centra in het Middellandse-Zeegebied en roofden zij de Sint Pieter in Rome leeg.

Verder naar het oosten veroverden de islamitische legers grote delen van het Byzantijnse rijk. Dat leidde geenszins tot samenwerking tussen Mohammeds volgelingen. Er ontstonden zelfs twee kalifaten: een in Cordoba en een ander in Damascus. De moslim groeide intussen voor het christendom uit tot een erfvijand van formaat, een 'Untermensch', die met Gods zegen diende te worden uitgeroeid. De profeet Mohammed werd de volmaakte antichrist. In zijn Spiegel Historiael gaf de rechtlijnige Maerlant een levendige beschrijving van Mohammeds liederlijke levensloop en portretteerde hij hem als een handige oplichter, een 'scalc' die zich van 'toverien' bediende.

Eeuwenlang zou de Middelnederlandse literatuur de lof zingen van het christelijke ridderideaal: Gods eigen strijders in de persoon van Lanseloeten, Elegasten en Walewijnen die, gesterkt door hun onwankelbare geloof, het vaderland redden van de bloeddorstige ketters. Aanvankelijk dook dit thema op in de vele verhalen rond Karel de Grote, wiens leven kennelijk maar door één ultiem verlangen werd bezeten: de Saracenen verslaan. Het Roelandslied bijvoorbeeld, dat de uitzonderlijke mannenmoed van een van Karels trouwe vazallen bezong, toonde onomwonden aan dat de Moren behoorden tot een verraderlijk soort addergebroed.

Keizer Karels toorn richtte zich in de eerste plaats tegen de moslims in Spanje die een directe bedreiging voor zijn rijk vormden. Aan de Byzantijnse kant hield hij de relaties meer ontspannen. Daar lagen immers te veel handelsbelangen, waaronder de import van veel in het Westen gewilde luxeproducten, zoals kostbare zijde. Hij kon dan ook gemakkelijk zijn harde hand, waarmee hij menigeen in eigen territorium tot het christendom dwong, in vriendschap uitstrekken naar Haroen al Rashid, kalief van Bagdad en held van de sprookjes van Duizend-en-één-nacht. Als goede vrienden wisselden beiden geregeld geschenken uit.

Voor de Moren golden dergelijke compromissen niet. Die moesten te vuur en te zwaard worden bestreden. In 1095 riep paus Urbanus II op tot de eerste kruistocht. Deelnemers kregen een rood kruis op hun schouders, symbool van hun heilige opdracht. Maar de meeste kruisvaarders raakten enthousiaster door de in het vooruitzicht gestelde substantiële aflaat, waarmee allerlei nare straffen konden worden afgekocht.

Ook in de Nederlanden sprong een aantal ridders in het zadel om deel te nemen aan deze eerste grote georganiseerde veldtocht tegen de mohammedanen, onder hen Godfried van Bouillon. Voor chroniqueur Maerlant was deze strijdvaardige hertog een onbetwiste held, een ijzervreter die er niet voor terugdeinsde eigenhandig 'eenen Turc mids ontwee' te slaan.

Formeel stonden de christenen en de moslims vanaf het begin onverzoenlijk tegenover elkaar. Maar ondanks al het wapengekletter tijdens de kruistochten en elders, ging de handel gewoon door. Zij werd zelfs intensiever. Ook de meer vreedzame intellectuele contacten bleven doorgaan. De Arabische wetenschap veroverde hand over hand de westerse wereld. Veel eerder dan het westen hadden de Arabieren de rijke bronnen van de Griekse wijsheid ontdekt en die in hun oosterse bibliotheken opgeslagen. Toen Spanje stad voor stad op de Moren werd heroverd tijdens de Reconquista, volgden in het voetspoor van de christelijke legers begerige geleerden, op zoek naar door de moslims vergaarde kennis. Het duurde niet lang voordat boeken over geneeskunde, sterrenkunde en wiskunde in het Latijn werden vertaald en hun weg naar de Europese intelligentsia vonden.

Na de Middeleeuwen was van een eenduidige vijandige visie op de islam weinig meer over. Voor een deel veroorzaakte de Reformatie een veranderde houding. 'Liever Turks dan Paaps' werd een bekende leuze onder de protestanten. Ook de wetenschap in de Nederlanden was niet langer afkerig van alles wat naar Moorse bronnen zweemde. Integendeel, in Leiden werd een serieus begin gemaakt met de bestudering van de Arabische taal- en letterkunde.

Wetenschap en handel gingen hier hand in hand. Kooplieden en geleerden deden hun voordeel met de nieuwverworven kennis, die zeer van pas kwam in de betrekkingen met de Arabische en Turkse landen van de Levant. Nederlandse arabisten konden zo een groot aantal interessante en kostbare handschriften verwerven.

Dat betekende overigens niet dat men in de 17de eeuw meteen een warme sympathie voor de islamitische religie koesterde. Bepalend voor de beeldvorming was altijd nog Hugo de Groots Bewijs van de ware godsdienst, waarin hij zich in het zesde hoofdstuk 'Teghen de Mahumetisterije' ondubbelzinnig tegen de islam uitsprak. Dergelijke boeken werden herhaaldelijk herdrukt en waren met name bedoeld om de zeevarenden van de islam af te houden als zij hiermee in aanraking zouden komen.

Was Mohammed ook in de Gouden Eeuw officieel dus nog de antichrist, in dezelfde periode kwamen tal van contacten op gang met de islamitische wereld. Diplomatiek verkeer bracht verschillende islamitische diplomaten op Nederlandse bodem. De Marokkaanse ambassadeur Ahmed Abd Allâh Al-Marunî was in 1610 gast bij een banket van Maurits die hem over de islam ondervroeg. De enigszins in verlegenheid gebrachte diplomaat gaf niet direct antwoord, maar stuurde ze later schriftelijk. Een andere diplomaat, uit een delegatie uit Atjeh, overleed bij aankomst en werd volgens de voorschriften van de islamin 1602 in Middelburg ter aarde besteld: op zijn zij en met het gelaat richting Mekka. Voor Nederland was een dergelijk begrafenisritueel waarschijnlijk een primeur.

Islamitische studenten en geleerden bezochten de universiteit van Leiden; kooplieden deden zaken in het florerende Amsterdam. Een Marokkaanse prins die naar de Nederlanden vluchtte en zich tot het protestantisme bekeerde, huwde in 1604 met een volbloed Nederlandse.

Aan de andere kant gingen sommige Nederlanders zelf over tot de islam. Enkele van deze 'renegaten' speelden een belangrijke rol in de handelscontacten tussen Marokko en de Republiek, zoals de Haarlemmer Jan Jansz., die onder zijn Arabische naam Murat Raïs het tot bestuurder van de stad Salé schopte.

Begin 18de eeuw publiceerde de Utrechtse hoogleraar Hadrianus Relandus Over de Mohammedaanse Godsdienst en hij was daarmee de eerste in Europa die een wat verlichtere studie over de islam schreef. Relandus liet heel wat vooroordelen ten aanzien van de Profeet en zijn leer sneuvelen. Zijn werk werd zo belangrijk gevonden dat het in verschillende talen werd vertaald. Dat leverde hem in het buitenland meer waardering op dan in eigen land. Ook Willem Bilderdijk zag het positieve van de Koran in en wilde de mohammedanen juist via hun eigen heilige boek tot het christendom brengen.

Maar werkelijk emancipatorisch werk verrichtte arabist en islamkenner bij uitstek Christiaan Snouck Hurgronje. Hij koppelde voor het eerst de wetenschap aan een praktische toepassing. Snouck bezocht Mekka en verbleef zeventien jaar in Indonesië, waar hij als regeringsadviseur inzake islamitische zaken optrad. Zijn ideaal was van de Indonesiërs een geëmancipeerd en ontwikkeld volk te maken. Daarbij was hij wel voorstander van een meedogenloze onderdrukkingspolitiek voor volkeren die zich aan het koloniale rijk probeerden te ontworstelen, zoals in Atjeh. Hier werkte Snouck nauw samen met gouverneur-generaal J.B. van Heutsz. Snouck wilde godsdienst en politiek streng van elkaar scheiden en dacht dat alle heil kwam van opvoeding en onderwijs, een goed middel om de 'Mohammedanen te verlossen van een deel van den middeleeuwschen rommel, dien de Islam reeds al te lang achter zich aan sleept'.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de islam definitief een vaste plaats in de Nederlandse samenleving. In 1954 verscheen de eerste Nederlandse vertaling van de Koran en een jaar later kon de eerste moskee (in Den Haag) in gebruik worden genomen. Met de komst van de vele Turkse en Marokkaanse gastarbeiders raakte de Nederlandse samenleving nog meer doordrongen van de islamitische cultuur. Moskeeën, islamitische slagers en Turkse bakkers zijn inmiddels in de grote steden net zo vertrouwd als Indonesische afhaalrestaurants, pizzeria's en rai-muziek. Alleen wanneer een imam zijn ultraconservatieve stem verheft, komen de Middeleeuwen weer heel dichtbij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden