Hoe magerder, hoe beter

Al in de 17de eeuw trokken Italiaanse jongetjes de Simplonpas over om, tot in Rusland toe, schoorsteenveger te worden. Een groep hield halt in Amsterdam....

Vol overgave vertelt Anita Hofer in het schoorsteenvegersmuseum, het Museo di Spazzacamini in het Noord-Italiaanse Santa Maria Maggiore, over de Schoorsteenvegerssteeg in Amsterdam. ‘Er woonden daar eeuwen geleden wel tien Italiaanse schoorsteenvegersfamilies. Er is zelfs een klein museum gevestigd, met een prachtig ouderwets uithangbord.’

Wanneer haar duidelijk wordt gemaakt dat de bewuste steeg al jaren geleden zijn naam heeft verloren en is dichtgebouwd aan de kant van het Singel voor de vestiging van de seksclub Yab Yum, valt haar mond open van verbazing. Maar Hofer, vice-president van de Associazione Nazionale di Spazzacamini, de Italiaanse schoorsteenvegersbond, herstelt zich moeiteloos. ‘Interessant voor de bezoekers van het museum om dat ook te weten.’

De donkere geschiedenis van de zonnige kant van de Alpen: zo is de periode tussen grofweg 1650 en 1930 het best te omschrijven. Elk gezin in de dalen van Vigezzo en Cannobina in Italië en Centovalli, Osernone, Maggia en Verzasca in het Zwitserse kanton Tessin heeft in die tijd een jongen tussen de 6 en 10 jaar verkocht aan een patron om te gaan werken als schoorsteenvegersjongen (rüsca) in Milaan. Ze konden niet anders – op het moeilijk bewerkbare land werd vrijwel niets verdiend en de zeer grote gezinnen hadden nauwelijks wat te eten: een hap polenta en wat korsten brood.

De magerste rüsca’s waren het meest in trek; ze konden het best door de schoorsteen kruipen, om die met spatels te ontdoen van roet. In Milaan kregen de jongens amper te eten. Ze werden mishandeld, sliepen in een hondenhok en moesten blootsvoets de schoorsteen in om zo makkelijker de ijzeren pennen te kunnen vinden die steun moesten geven. Ze liepen veel verwondingen op – rüsca’s waren te herkennen aan hun manier van lopen: mank.

De schoorsteenvegertjes die het meest ondernemend waren – en dat zijn er duizenden geweest – zwermden uit over Europa. Ze trokken lopend naar Frankrijk, Nederland, België, Duitsland, Noorwegen, Zweden, Oostenrijk, Polen, Hongarije en zelfs Rusland. Een trektocht van meer dan vijf jaar was geen bijzonderheid.

‘We kennen verhalen’, zegt Anita Hofer, ‘van bijvoorbeeld Giuseppe Bertina, die in 1682 lopend over de Simplonpas trok en na vele jaren uiteindelijk in Nederland belandde. Hij werd schoorsteenveger in Amsterdam; anderen in Rotterdam, Schiedam, Den Bosch, Haarlem en Leeuwarden.’ Zo zijn er honderden geweest; de familie Vitalli, die nog steeds een schoorsteenvegersbedrijf heeft in Amsterdam, is een sprekend voorbeeld.

In het museum in Santa Maria is de Nederlandse inbreng opvallend. Er staat een kachel (stufa olandese) van Jakob Wijma uit het Friese Twijzel, er zijn naambordjes van schoorsteenveger Comaita, die in 1865 naar Amsterdam ging en aangetrouwde Nederlandse families kreeg met namen als Van Amerongen en Rotteveel.

Anita Hofer: ‘Omdat steeds meer families onderzoek doen, komen er ook meer gegevens boven water. We horen dat sommige schoorsteenvegersfamilies uit Nederland hier een huisje kopen voor in de zomer; de omgeving blijft trekken. Maar er moet nog veel onderzoek worden gedaan. Bekend is dat veel uit Tessin afkomstige mensen vanuit Valle Maggia naar Nederland zijn gegaan. Daarover weten we nog te weinig.’

Wie vijftig kilometer van Santa Maria Maggiore in het Zwitserse Valle Maggia het plaatsje Cavergno bezoekt, ziet de Nederlandse invloeden terug. ‘Rust-Oord’, staat op een statig herenhuis uit 1907 in de hoofdstraat. Een oudere dorpsbewoner vertelt wie er in die tijd in dat huis woonden: ‘Twee broers, Giovanni en Evaristi Inselmini, die in Nederland als schoorsteenvegers hadden gewerkt, flink verdiend hadden en terugkeerden naar de geboortegrond van hun vader. Bij de toegangspoort zijn op twee stenen de initialen van de broers nog zichtbaar.’

Giovanni Inselmini ligt op het kerkhofje van Cavergno begraven: hij werd geboren in Nederland in 1858 en stierf op 58-jarige leeftijd in Cavergno in 1916. Er staat ook een gedenksteen voor zijn vader, die in Den Bosch overleed. Een stukje verder valt op een andere grafsteen te lezen: ‘Rust in Vrede.’

Elisabeth Wenger is verbaasd als ze hoort over de Nederlandse achtergrond van Cavergno. Ze is auteur van Zwitserse kinderboeken en is bezig met een boek over de schoorsteenvegers uit Tessin. ‘Ik heb kamers vol dossiers, maar dit wist ik nog niet. Dat komt misschien ook doordat de Tessiners deze geschiedenis liever doodzwijgen. De Tessiner gemeenschap is van nature gesloten en men schaamt zich nog steeds voor de armoede van toen.

‘Bij navraag over het verhandelen van kinderen kreeg je steevast te horen dat zoiets in Tessin niet is gebeurd, alleen in Italië. Het werd ontkend. ‘‘We hebben ze uit nood moeten weggeven’’, was altijd de reactie. Maar er is geen gezin in de dalen van Verzasca, Maggia of Osernone dat eraan ontkomen is. Per jaar werden minstens duizend jongens op transport gesteld naar Milaan.’

In Tessin leeft niemand meer die die tijd heeft meegemaakt, maar een paar jaar geleden kreeg Wenger de beschikking over ongeveer vierhonderd documenten van een Zwitserse patron uit Intragna die destijds jongens naar Milaan heeft gebracht. Het gaat om documenten van tussen 1870 en 1930, onder meer brieven die de jongens schreven naar hun ouders. ‘Daardoor is mijn onderzoek in een stroomversnelling geraakt. Er zijn nu bijna dagelijks mensen die iets willen vertellen over de geschiedenis van hun voorvaders.’

Ook de Zwitserse autoriteiten tonen belangstelling, misschien mede door de publicaties over het onderwerp in – ook buitenlandse – media, op radio en televisie. Wenger: ‘Ik heb er jaren voor gevochten, maar eindelijk zal ook in schoolboeken aandacht aan dit trieste deel van de geschiedenis worden besteed. Het proces van ontkennen is nu pas voorbij.’

Zo denkt Anita Hofer er ook over. Ze wijst op de bezoekersstroom die het museum en het jaarlijks gehouden Internationale Schoorsteenvegersfestival – volgende week is het weer zover – op de been brengt. ‘Ook mensen uit de eigen streek komen erheen, niet alleen toeristen.’ En ze sluit zich aan bij de woorden van Benito Mazzi uit het boek Hunger, Russ und Kälte, over de kleurrijke geschiedenis van de spazzacamini: ‘We moeten erbij stil blijven staan dat het schrikbeeld van honger, uitbuiting en mishandeling van rüsca’s voor miljoenen andere kinderen elders op de wereld nog steeds de dramatische werkelijkheid is.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden