Hoe lelijk was de 19de eeuw?

'Wij kunnen toch waarlijk wel zeggen, zelfs bij inachtneming van verzachtende omstandigheden, dat de negentiende eeuw was de eeuw der leelijkheid.'..

Dat zei Berlage, anno 1910, in een bundel opstellen over architectuur en samenleving.

Het was meer een vaststelling dan een hartenkreet. Berlage was ook niet erg een man voor hartenkreten. Hij miste het pathos van literaire beeldenstormers als Van Deyssel, hij was toen hij het opschreef trouwens al een bedachtzame heer van in de vijftig geworden, en zelfs kennelijk bereid rekening te houden met 'verzachtende omstandigheden', die hij overigens nauwelijks toelichtte. Hij vond het eenvoudig.

Bedoelde hij het ratjetoe van neostijlen dat van neoclassicisme tot neogotiek het aangezicht van de eeuw had bepaald, en bedoelde hij bovenal het werk van Petrus Josephus Hubertus Cuypers, de katholieke kerkbouwer die als architect van het Amsterdamse Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station (tussen 1876 en 1889) tenslotte haast werd aangezien als rijksbouwmeester?

Dat moet wel.

Vanaf het moment dat de niet-gelovige, 'hedonistische' Carel Vosmaer de polemiek aanging met de al te roomse tierelantijnen die hem in museum en station hinderden (terwijl hij openlijk gruwde bij de gedachte dat Rembrandts protestantse Nachtwacht voortaan zou zijn opgeborgen in zoiets als een paaps patronaatshuis) is de discussie nooit helemaal verstomd: waar kwam ineens die katholieke dominantie in onze 'gebouwde omgeving' vandaan, en hoe erg was ze eigenlijk?

In die discussie kom je altijd Victor de Stuers tegen, een bijna vergeten naam die hier en daar misschien alleen nog vaag wordt herinnerd dankzij een beroemd artikel in het novembernummer van De Gids van 1873. Dat artikel heette 'Holland op zijn smalst' en behelsde een voortreffelijk gedocumenteerde waslijst van voorbeelden waaruit bleek dat Nederlandse overheden op een schandalige manier omsprongen met hun kunstschatten in het algemeen, en hun (historische) monumenten in 't bijzonder.

'Bij het beschouwen van den toestand onzer monumenten', besloot de auteur zijn aanklacht, 'en het schetsen van het in Nederland heerschend wandalisme, heb ik slechts een gedeelte van den sluier opgelicht. Maar de enkele staaltjes die ik mededeelde, zijn voldoende om te doen zien, hoe bedroevend de historia morbi is. Moge althans het anatomiseeren van den invretenden kanker leiden tot een juist besef van de kwaal en tot het aanwenden van krachtige medicijn. De kunst en de eerbied voor onze historie zijn erg ziek, maar Goddank nog niet geheel dood.'

De dringende oproep bleek niet aan dovemansoren gericht. Een jaar later, onder het kabinet van de conservatieve liberaal Heemskerk, werd een College van Rijksadviseurs voor historische en kunstzinnige monumenten getalleerd, en De Stuers werd daar de bezoldigd secretaris van. Nog een jaar later 1875 werd hij zelfs referendaris van een geheel nieuwe afdeling Kunsten en Wetenschappen binnen het departement van Binnenlandse Zaken. Een kwarteeuw lang zou hij op die post blijven zitten.

De Limburgse jonkheer De Stuers (zijn vader, die Napoleon tot in Waterloo trouw had gediend, had zich als militair bestuurder in Indiusdanig 'gerehabiliteerd' dat koning Willem hem in de adelstand verhief), kon zich in die 25 jaar ontwikkelen als een spin in een web.

Daar moeten we ons natuurlijk niet meteen al te veel bij voorstellen. Het totaal van de rijksuitgaven voor monumentenzorg en kunst beliep in 1870 nog geen honderdduizend gulden, en in het jaar waarin De Stuers aantrad 178 duizend gulden. Beetje bij beetje kwam er telkens wat bij, tot de begroting voor 1900 (kort vDe Stuers bijna zestig intussen nog aan een late parlementaire carri begon) het nog steeds niet erg indrukwekkende bedrag van 368 duizend gulden had bereikt. Met een budget van nog geen vier ton kon je ook in die tijd nog niet veel artistieke potten breken.

Maar bij de Maastrichtse historicus Jos Perry, die het leven van onze eerste kunstambtenaar nog eens in beeld brengt, ligt de nadruk niet op de getallen hij noemt ze ook niet maar op de vraag in hoeverre De Stuers van zijn relatief vitale functie 'misbruik' zou hebben gemaakt om zijn (katholieke) vrienden en kennissen een handje te helpen. En bij uitbreiding op de vraag of die vriendenkring, met Cuypers en Alberdingk Thijm en later ook de politicus Schaepman, het nationale belang heeft gediend, of meer speciaal het belang van de katholieke emancipatie.

De oude discussie dus. In bouwkundige termen toegespitst op de keuze tussen een voortzetting van de vormgeversidealen uit de calvinistische Gouden Eeuw, en een terugkeer naar de roomse Middeleeuwen.

Volgens Perry is er geen twijfel aan of De Stuers heeft als een volbloed Nederlander van Limburgsen huize het nationale belang gediend, vanuit de overtuiging dat goede smaak, respect voor het nationale erfgoed en kunstzin het land en zijn bewoners vooruit zou helpen, en dat er op termijn ook nog economisch munt uit kon worden geslagen. Het ging hem, blijkens een uitspraak in een brief aan Alberdingk Thijm, om ons fatsoen als natie. Wat hem een nationale titel voor z'n boek opleverde.

Erg overtuigend is de apologie niet. Wat er, behalve de harde cijfermatige onderbouwing, aan ontbreekt is een schets van het sociaal-cultureel-politieke klimaat van die dagen.

De katholieke emancipatie was al redelijk gevorderd (er was alleen nog geen landelijke politieke partij; De Stuers kreeg in 1901 z'n Kamerzetel via de kiesvereniging Weert), en juist in de laatste decennia van de eeuw groeide de assertiviteit vanuit de 'generaliteitslanden' die zich al tweealve eeuw hadden moeten behelpen met een tweederangs burgerstatus.

Oorzaak was onder andere de in 1868 en 1872 met veel gereformeerd tamtam opgezette herdenkingsfeesten voor respectievelijk Heiligerlee (1568) en Den Briel (1572). 'Hoezo, nationale viering?', brieste Alberdingk Thijm in een brochure aan het comitdat ook hem om een bijdrage had gevraagd hem, de katholiek, die al die tijd overal buiten was gehouden en die bovendien over de heldendaden van met name de Watergeuzen die in Gorinchem 21 priesters en kloosterlingen hadden vermoord, nog wel iets anders dan viering in het midden wilde brengen.

Het was heel lang stil geweest tussen de partijen die mekaar in de 16de eeuw naar het leven hadden gestaan; driehonderd jaar later waren ze mekaar bijna weer te lijf gegaan.

Zou De Stuers' rol als katholieke Nederlander (die in Leiden college had gelopen met Fruin, en het met diens verering voor Willem de Zwijger nooit eens was geweest) helemaal los gezien mogen worden van de opgelaaide controverse?

In die jaren verscheen ook nog Busken Huets Land van Rembrandt, met daarin de simpele constatering: 'De geschiedenis kent geen twee neigingen van den menschelijken geest die minder punten van aanraking vertoonen dan het kalvinisme en de kunst.'

Betekende de vriendenkring rond De Stuers niet ook een gezond tegengif tegen de heilsboodschap van Abraham Kuyper? Of anders gevraagd: zou de 19de eeuw zonder De Stuers niet nog lelijker zijn geweest?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden