Hoe lang onsterfelijk?

AAN HET EIND van z'n mini-portretje van A.J.P. Taylor schreef H.L. Wesseling (in Onder historici): 'Wie de werken van Taylor herleest en van de boeken die over hem zijn verschenen kennis neemt, wordt getroffen door een zekere tragiek....

Toen aan het buitengewoon produktieve leven een eind was gekomen (in 1990), was dat ook het overheersende oordeel in de serieuze Engelse necrologieën: op alle fronten had de overledene zich met z'n passie voor de geschiedenis en de geschiedschrijving geweerd, in de wetenschap, voor de radio, op de televisie, als causeur in het lezingencircuit en in honderden kranteartikelen - maar wat zou van zijn reusachtige schrijf- en spreekarbeid nou precies beklijven?

Of daar tragiek in zat hangt er natuurlijk nog maar van af. Zonder twijfel heeft Taylor gebrand van de ambitie om zichzelf als een groot geleerde te bewijzen, en dat hem de toegang tot het 'echte' Oxford ontzegd bleef heeft hem waarschijnlijk tot z'n dood dwars gezeten.

Maar tegelijkertijd bezweek hij maar al te graag voor de verleiding om via de media en afgeladen studentenzalen waar iedereen hem wilde horen spreken, zoiets als de gevierde volkshistoricus te worden: misschien niet de grootste, maar wel degelijk de beroemdste geleerde van zijn tijd. En aan die glorie heeft het hem niet ontbroken.

Over de prijs die de academicus daarvoor moest betalen, merkt Wesseling het volgende op: 'Zijn kracht lag in zijn kritisch vernuft, zijn intuïtie en zijn stijl. Daarin lag voor een deel ook zijn zwakheid. Bij Taylor was het altijd zo dat, als hij de keus had het saai maar accuraat te zeggen of minder accuraat maar leuk, hij voor het laatste koos. Dat is prettig voor de lezer, maar het is niet goed voor een historicus.'

Zijn die twee dingen volstrekt onverenigbaar?

Je kunt de vraag ook anders stellen. Zou Taylor - die tenslotte als een strenge en gedisciplineerde wetenschapper begon (The Struggle for Mastery in Europe, over de diplomatieke geschiedenis in de tweede helft van de negentiende eeuw) - een andere, zo men wil 'serieuzere' historicus zijn geworden als hij in een tijd had geleefd en gewerkt waarin de temptatie van televisieroem en populariteitspolls niet of minder ontwikkeld was geweest? Of had hij daar domweg de aanleg en het temperament niet voor? Nog anders: schept het media-universum waarin we langzamerhand zijn komen te verkeren, een nieuw type wetenschapper, voor wie een vaste column in een dagblad of een Prettig Gesprek met Theo van Gogh minstens zo belangrijk zijn geworden als een gooi naar de academische onsterfelijkheid? Misschien duurt de onsterfelijkheid van lieverlee wel steeds korter.

Wat dat betreft heeft Taylor nog altijd niet te klagen. Na z'n dood zijn (afgezien van twee biografieën) ten minste al drie boeken verschenen waarin rijkelijk uit zijn schrijversproduktie werd geput. Al heel snel (1991) kwamen de Letters to Eva: de nooit eerder gepubliceerde brieven die hij tussen 1969 en 1983 verzond aan de Hongaarse collega Eva Haraszti met wie hij na een lange oudedagsamourette in het huwelijk trad. Twee jaar later redigeerde Chris Wrigley een aantal opstellen onder de verzameltitel From Napoleon to the Second International; en bij wijze van vervolgbundel is er nu, onder redactie van dezelfde, From the Boer War to the Cold War.

Essays on Twentieth-Century Europe heeft Wrigley ze genoemd, en dat is een beetje een groot woord voor artikelen die voor een belangrijk deel als recensies zijn geschreven voor verschillende dag- en weekbladen, en waarvan je je kunt afvragen of ze lang na hun eerste publikatie - sommige stukken zijn van vroeg uit de jaren vijftig - nog een waarde hebben voor lezers uit 1995. Maar blijkbaar is de 'impact' van Taylor's opvattingen, en vooral van zijn vaak briljante schriftuur, althans in Engeland nog niet uitgewerkt. En inderdaad - z'n stijl is nog altijd fascinerend en aanstekelijk. Om nog eenmaal Wesseling te citeren: 'Taylor's historische werk is op zijn hoogtepunten een vreugde om te lezen. De ene verrassende visie volgt moeiteloos op het andere originele gezichtspunt in een naar het lijkt spontane, onstuitbare stroom van creativiteit. De pakkende formuleringen liggen zomaar voor het oprapen. Sommige zijn terecht klassiek geworden. Het al geciteerde 'There was nothing wrong with Hitler except that he was a German' is er zo een. Of, uit een ander boek: 'German history reached its turning point - and failed to turn.' Of: 'The Cabinet was resolute for inaction.' Zo is er veel meer moois.'

Het loutere leesplezier wordt op die manier maar zeer ten dele vergald door het gevoel dat het onderwerp (of het boek) waarvan in de tekst sprake is, nogal is verouderd, of dat het licht dat Taylor erover laat schijnen, intussen wat is verbleekt; zo neem ik nog altijd graag een vijftig bladzijden lang opstel van Busken Huet over Jacob van Lennep mee naar bed.

De nieuwe bundel maakt in zoverre een 'gedateerder' indruk dan de vorige, omdat hij de geschiedenis, en voor Taylor deels de contemporaine geschiedenis, van de twintigste eeuw bestrijkt. Dat kan paradoxaal klinken, maar je ziet dat vaker bij historici, en zeker als ze zich - zoals Taylor niet kon nalaten - met een zeker aplomb in eigentijdse politieke of internationale ontwikkelingen mengen. Zo scherp als Taylor diplomatieke processen en structuren uit het verleden kon ontleden, zo blind was hij niet zelden voor zaken die zich voor z'n neus afspeelden.

Na een kortstondig lidmaatschap van de communistische partij en een wat langduriger flirtation met het marxisme ('I've tried to be a Marxist, but common sense kept breaking in', schreef hij eens) is hij nooit helemaal bekeerd geraakt van z'n vertrouwen in Lenin en zelfs Stalin - zoals hij z'n hele leven met een mallotig soort koppigheid niet naar de Verenigde Staten wilde, en zelfs eervolle uitnodigingen om er als beroemdheid te komen spreken van de hand wees. Hij heeft de revolutie van 1989 formeel nog meegemaakt, maar de ziekte van Parkinson had hem toen lichamelijk en geestelijk al onttakeld - hij zal van de grote omwenteling in de na 1945 gegroeide Europese machtsverhoudingen geen weet meer hebben gehad.

De jongste postume bundel eindigt dus passend bij wat het grootste deel van zijn ongelooflijk werkzame leven heeft gestempeld: de Koude Oorlog.

A.J.P. Taylor & Chris Wrigley (editor): From the Boer War to the Cold War.

Hamish Hamilton, import Penguin Nederland; ¿ 79,75.

ISBN 0 241 13445 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.