'Hoe kan de boodschap van Christus zo verkracht worden?'

Man (64) leed tot op middelbare leeftijd onder wandaden van oudere broer...

Mijn ouders moeten m'n geboorte met angst en beven hebben zien aankomen. Een nakomertje, midden in de economische crisis van de jaren dertig. Er was al geen geld genoeg om de drie eerder geboren kinderen eten te geven en nu kwam er nog een vierde bij. Mijn vader stapte elke ochtend om half zes op de fiets en kwam 's avonds om zeven uur terug. We woonden in een armoedige arbeiderswijk, er waren vaak problemen met het betalen van de huur.

Later hoorde ik dat mijn moeder gedurende haar zwangerschap erg nerveus was. Naast de armoede was er de dreiging van de oorlog. Ik schijn de angst daarvoor meegekregen te hebben, want mijn zussen vertelden me later dat ik als peuter altijd schreeuwend en angstig aan de rokken van mijn moeder hing.

We sliepen in tweepersoonsbedden, mijn tien jaar oudere broer en ik deelden er een. Hij was 15 toen de oorlog uitbrak, een brutaal joch met 'slechte vrienden', zoals mijn ouders zeiden. Hij kon de toenmalige ambachtsschool niet afmaken en moest al jong meehelpen de kost voor het gezin te verdienen.

Vooral in de weekends was ik doodsbenauwd voor hem. Ik kon dan niet in slaap komen, want vaak kwam hij dronken thuis en eenmaal in bed kneep hij mij totdat ik tegen de koude muur lag gedrukt. Dan pakte hij mijn hand vast en moest ik hem bevredigen terwijl hij mij aftrok. Dat moet al op mijn 10de zijn begonnen, misschien wel op mijn 6de. Het was in ieder geval voor mijn puberteit, want ik kan me nog herinneren dat ik verbaasd was dat er ineens sperma tevoorschijn kwam. Ik begreep niets van dat vocht, laat staan dat ik het woord kende.

Het gezin was degelijk katholiek en we moesten als kinderen meermalen in de week naar de kerk. Katholiek betekende in die dagen ook het strikte naleven van de tien geboden. Drie keer per dag werd er voor en na het eten gebeden. 's Avonds moesten we allemaal op de grond knielen en bad mijn vader de rozenkrans voor, daarna de litanie van alle heiligen. Vaak viel hij bijna in slaap en kwamen de laatste heiligen van het rijtje nog nauwelijks verstaanbaar uit zijn mond. Ons antwoord veranderde dan mee, van 'bid voor ons' tot 'bidfrons'.

Dat ene gebod, 'gij zult geen onkuisheid doen', heeft mijn jeugd vergiftigd. Iedere katholiek in Nederland zou er nu om lachen, maar toen was het bittere ernst: wat mijn broer en ik in bed deden, was onkuisheid en dus een doodzonde. Als ik in die staat doodging, zou ik regelrecht naar de hel gaan en eeuwig moeten branden. Wat 'eeuwig' was, had de godsdienstleraar duidelijk gemaakt: als er een klomp goud was zo groot als de aarde en eenmaal per honderd jaar zou een vogeltje met zijn vleugel langs de bol strijken en een minuscule hoeveelheid goud van die aardbol afhalen en zou de bol na heel veel eeuwen zijn afgesleten, dán was de eeuwigheid pas begonnen, en dus dat eeuwig branden.

De angst werd nog versterkt als de bevrediging in de nacht van zaterdag op zondag plaatsvond. 's Zondags moest ik naar de kerk, naar de Heilige Mis en ter Heilige Communie. Dat zou nooit kunnen met een doodzonde op mijn geweten. Maar ik kon niet in de kerkbank blijven zitten, want dan zouden mijn ouders een verklaring verlangen. Dus ging ik ter communie mét doodzonde. Verschroeid van angst kwam ik dan de kerk uit; ik verwachtte ieder moment dat de duivel me met vlammend zwaard naar de hel zou drijven.

Het was een absurde wereld waarin ik leefde. Want de angst van mijn ouders voor de oorlogsbombardementen kwam erbij. Bij elk nachtelijk sirenelawaai werd ik uit bed gehaald en naar een schuilkelder gebracht. Meestal zat ik daar alleen met mijn ouders, want de meeste mensen kwamen pas uit hun bed als er echt gevaar dreigde.

Ik plaste tot mijn 12de in bed. Mijn vader had daar maar één remedie voor: een pak slaag op de blote billen. Een vernedering natuurlijk, vooral als de rest van het gezin toekeek. De frequentie van het bedwateren nam er niet door af en de nachtmerries werden alleen maar erger.

Het was eigenlijk verbazingwekkend dat ik op school nog uitstekend meekon. Ik was voorbestemd voor de ambachtsschool, maar de hoofdonderwijzer vond de hbs beter voor me. Mijn ouders waren trots maar kermden ook dat er geen geld was. Toch mocht ik erheen heen en misschien was het m'n hbs-slimheid die de oplossing bood aan de hel te ontkomen. Een doodzonde werd vergeven in de biecht en daarvoor had je een priester nodig. Ik vond een bescheiden kapelaan die mijn problemen begreep en aanbood zonodig dag en nacht ter beschikking te zijn. Hij verzachtte in de loop der tijd mijn angsten, hoewel hij nooit zei dat ik géén doodzonde beging.

Het nachtelijk geknijp en aftrekken van mijn broer werd direct na de bevrijding agressiever. Hij sloot zich aan bij de militaire stoottroepen, hij kwam vaak dronken en pas heel laat 's nachts thuis. Hij had een kwade dronk. Ik herinner me een nacht dat hij zichzelf wilde doodschieten en schreeuwend zijn revolver opeiste, die door mijn vader uit voorzorg was verstopt. Er kwamen buren aan te pas om hem tot bedaren te brengen en uiteindelijk werd hij door de militaire politie meegenomen. De gebeurtenis werd door mijn ouders doodgezwegen, zoals alles wat 'niet netjes' was, of 'niet hoorde'.

Ik verborg zelf ook veel. In de biechtsessies werd alleen een topje van de ijsberg zichtbaar en er werd niets mee gedaan. Dat mijn ouders niets wilden zien, dreef me als kind in de eenzaamheid. Er is een duidelijk moment waarop ik besloot mijn problemen helemaal alleen op te lossen. Ik zou me ver boven en ver buiten hen ontwikkelen en waar kon dat beter dan in mijn studie? In die tijd heb ik ze emotioneel uit mijn leven gestoten. Weglopen kon ik niet, daar was de tijd niet naar, en ik was er ook niet sterk genoeg voor. Ik bleef mijn hele hbs-tijd in dat huis wonen, met alle ellende van die broer, totdat hij ten slotte trouwde en ik nog twee jaar dat afschuwelijke bed voor me alleen had. Ik was stug, zwijgzaam, en werkte hard om zo snel mogelijk het huis uit te kunnen.

Ik kreeg na mijn slagen een beurs en ging weg. De angst voor het hellevuur verdampte en ik leefde op. Het werd een wilde studententijd. Een reactie op mijn jaren thuis. Maar op een gegeven moment zag ik ook wel dat je niet elke avond apelazarus kon rondhangen. Voor mijn afkeer van religie kwam een behoefte aan zingeving in de plaats. Maar ik bleef me afvragen hoe een religie, of beter het instituut kerk, zó'n gedrocht kon worden. Hoe kan de eerste boodschap van Christus zó verkracht worden dat een kind tot emotionele wanhoop wordt gedreven?

De zingeving zocht ik in literatuur over religies, in lange nachtelijke discussies met medestudenten, in de gastverblijven van kloosters zelfs. Na bestudering van de geschiedenis van de kerk keerde ik me definitief van het katholicisme af. Ik zocht mijn toevlucht in het boeddhisme, maar dat kon me ook niet lang bekoren. Onze kennis van het leven is nog veel te beperkt om uitspraken te kunnen doen over schepping of schepper.

Met die rationele opvatting heb ik vrede gesloten, kan ik verder, met mijn gevoelskant, met mijn emotionaliteit, niet zo. Een groot deel van mijn leven is gevuld gebleven met de gevolgen van de seksuele problematiek die in m'n kinderjaren ontstond. De sporen van de emotionele armoede waarin ik ook uit eigen onmacht terecht was gekomen, zijn nooit helemaal uitgewist. Een aanvankelijk gelukkig huwelijk liep op de klippen, de pijn die dat mijn kinderen deed, zie ik nog af en toe in hun ogen. Ik slaagde er niet meer in een nieuwe duurzame relatie op te bouwen. De eenzaamheid uit mijn kindertijd verdween in de ene levensperiode, maar kwam terug in een andere.

Therapieën brachten soms wat verluchting, maar pas na mijn 50ste vond ik een instituut waar ik de harmonie tussen lijf en psyche terugvond. Alle opgekropte emoties kwamen vrij. Eindelijk kon ik de agressie tegen mijn broer en ouders, en het verdriet over het ontbreken van een onbezorgde kindertijd uiten en accepteren.

Mijn broer had een door de alcohol aangetaste lever toen hij op zijn 60ste al met één been in het graf stond. Dertig jaar had ik hem niet meer gezien toen ik besloot hem op te zoeken. Ik vertelde hoe zijn wandaden mijn jeugd en verdere leven hadden beïnvloed, maar hij ontkende in alle toonaarden me ooit te hebben aangeraakt. Ik had niet eens meer haatgevoelens, alleen een diepe roep om gerechtigheid. Zijn ontkenning maakte me intens bedroefd. Een maand later overleed hij. Ik heb de begrafenis niet bijgewoond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden