Hoe iedereen een stukje toekomst wil

Natuurlijk: als top is de top bij voorbaat mislukt. Van Rio+20, de grootste milieuconferentie aller tijden, die vandaag formeel begint, staat nu al vast dat ze vrijdag eindigt met een verdragstekst die zo verwaterd is dat niemand zich gedwongen zal voelen tot enige actie. De grote belangentegenstellingen zijn alleen met clichés te overbruggen.

De toekomst die wij willen heet het document waaraan nu al maanden in voorbereidende onderhandelingen wordt gesleuteld. Een titel die de eindeloze discussies al in zich borg. Want wie zijn wij?

Toch is het een mooie titel. In al hun overmoed proberen de Verenigde Naties, die de top in de Braziliaanse wereldstad organiseren, een blauwdruk op te stellen voor de aarde en voor de zeven, acht en straks negen miljard mensen die haar zullen bevolken. De boodschap: het moet anders, en dat is een kwestie van willen. We zijn er zelf bij.

We zijn er zelf bij: zo zullen in elk geval de ruim vijftigduizend deelnemers hebben gedacht, die de afgelopen dagen naar Rio zijn gevlogen. Naast een paar duizend diplomaten, wetenschappers, parlementariërs, journalisten en een stuk of honderd ministers zijn er de tienduizenden ondernemers, natuurbeschermers, ontwikkelingshelpers, bedreigde stamleden, vrouwenrechtenvoorvechters, acteurs en popsterren die allemaal hun eigen agenda naar voren proberen te schuiven. Iedereen wil een stukje van die toekomst.

Zo veel belangen, dat botst natuurlijk aan alle kanten, maar tegelijkertijd zie je oude tegenstanders die gezamenlijk optrekken. Neem de coalitie Vrienden van Rio, 26 mannen en vrouwen die stellen dat de verandering deels van onderop moet komen. De directeur van het Wereld Natuur Fonds broederlijk naast de baas van het omstreden mijnbouwbedrijf Anglo American: tien jaar geleden was dat onmogelijk geweest.

Deze verzoening is te danken aan de toverformule van deze conferentie: 'de groene economie'. Als je natuur en geld op papier kunt samenbrengen, dan moet dat ook in de echte wereld lukken, is het idee.

Dat is de toekomst die zij willen. Maar is groene groei ook echt een optie?

De milieuafdeling van de Verenigde Naties (UNEP) zelf heeft er alle vertrouwen in. 'Het vergroenen van economieën belemmert de groei niet, maar zal nieuwe groei op andere gebieden aanjagen.' Als het geld gestoken wordt in windmolens in plaats van in oliewinning, geeft dat alleen maar extra economische dynamiek, is de theorie.

Dan is de eerste vraag: hoe groen is groene groei? Het enige verschil tussen windmolens en oliewinning is dat er met de produceerde energie geen CO2 wordt geproduceerd. Verder blijft de belasting van de aarde - gebruik van schaarse grondstoffen, ruimtebeslag - minstens zo groot. Ook deze economische activiteit vergt offers.

Tweede vraag: hoeveel groei krijg je met groene groei? In alle prachtige modelberekeningen van UNEP (Towards a Green Economy) zitten allerlei aannamen die met grote onzekerheden omgeven zijn. Maar voorlopig kost groene energie nog altijd een stuk meer dan zwarte energie, en is een langlevende kip een stuk minder efficiënt dan een plofkip. Een duurzaam leven zou best wel eens duurder kunnen worden.

Dat is niet de toekomst die de arme landen willen. Zij willen zich in de eerste plaats ontwikkelen, zoals de rijke landen dat eerder hebben gedaan. Waarom mag Brazilië zijn bossen niet kappen, zoals Nederland dat de afgelopen eeuwen heeft gedaan? De ontwikkelingslanden, verenigd in de G77, zijn bang dat het nieuwe westerse geloof in groene groei uiteindelijk zal leiden tot protectionisme en handelsbarrières: die vieze spullen uit Afrika mogen Europa niet in. De eenzijdige Europese heffing op CO2-uitstoot door vliegtuigen wordt als een eerste stap gezien.

Los van die twee vragen is er nog een ander wantrouwen jegens de groene economie, juist omdat grote bedrijven het begrip lijken te omarmen. Een club als het Wereld Natuur Fonds mag zich dan aan de zijde van het progressieve bedrijfsleven hebben geschaard, maar anderen, zoals Milieudefensie en vertegenwoordigers van ontwikkelingslanden, nemen een radicalere positie in. Zij zien met argusogen een totale economisering van de natuur.

Neem Coca-Cola, dat deze week pleitte voor het duurder maken van drinkwater. Redenering: het is een schaars goed, dus daarvoor moet je betalen (en wordt er vanzelf geïnvesteerd in méér schoon drinkwater). Dat vertrouwen in het marktmechanisme gaat voorbij aan alternatieve vormen van grondstoffenbeheer, waarbij kleine gemeenschappen zelf zorgen voor hun behoeften.

De top in Rio is zo een klassiek gevecht geworden tussen rijke en arme landen, en gaat om de verdeling van het ultieme schaarse goed: onze natuurlijke hulpbronnen.

Doorredenerend is er voor de rijke landen uiteindelijk maar één eerlijke soort groene groei, en dat is grondstofarme groei. Kun je rijk zijn zonder olie, katoen of koper? Redden we het met meer recycling en hergebruik? Of moeten we ons geld voortaan besteden aan diensten in plaats van spullen, aan dure kappers in plaats van dure auto's? En als dat niet lukt: moeten we dan naar een welvaart zónder groei - twee woorden die nu nog vaak als synoniem worden gezien?

In een tijd dat keynesiaans consumeren als enige uitweg uit de crisis wordt gezien, zullen dergelijke vragen nog niet beantwoord worden. Maar dankzij Rio worden ze wel gesteld. Erover praten - dat is alles wat we nu kunnen willen.

RIO+20 OP EEN RIJTJE

Rio+20 heet officieel de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling. Het is de derde grote top rond dit allesoverkoepelende milieuthema. De eerste vond twintig jaar geleden plaats, ook in Rio de Janeiro, en was een succes: vijf documenten waren het resultaat, waaronder twee met juridisch bindende afspraken (over biodiversiteit en klimaatverandering).

Deze keer worden geen bindende afspraken verwacht. Wat wel: een politieke tekst met mooie beloften, een lijst met aanbevelingen van bedrijven en maatschappelijke organisaties en een overzicht van wat verschillende landen doen aan duurzame ontwikkeling.

Concreet gaat het dan over biodiversiteit, energie (afschaffing van fossiele subsidies), de voedselvoorziening, zelfvoorzienende steden, sanitatie en schoon water.

Er zijn vijftigduizend deelnemers, onder wie 134 regeringsleiders. De Chinese premier Wen Jiabao, zijn Indiase collega Manmohan Singh,de Russische president Poetin en de Franse president Hollande zijn de belangrijkste gasten van de Braziliaanse president Dilma Rousseff.

Verscheidene prominente westerse leiders (de Amerikaanse president Barack Obama, de Britse premier David Cameron en bondskanselier Merkel) laten het afweten. Ook Mark Rutte blijft thuis en stuurt de staatssecretarissen Joop Atsma en Ben Knapen. Voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie komt wel.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden