Hoe het voetbal verdween uit Asriya

Sektarisch geweld is er volop in het Iraakse dorp Asriya, maar het voetbal ging door. Tot die tiener met een rugzak het veld opsprong.

Beeld Yadgar Jamin

De laatste voetbalwedstrijd die Salam Hussein ooit heeft gespeeld, eindigt met een overwinning: 1-0. Stralend staat de 22-jarige aanvoerder bij de prijsuitreiking vooraan in zijn gele tenue. Op de prijzentafel glanst de kampioensbeker.

Onder zijn kicksen is de grond grijs, want gras groeit er niet op het voetbalveld van Asriya. Salam kan alleen voetballen na zijn dienst als taxichauffeur, waarmee hij omgerekend 7,50 euro per dag verdient. Hij droomt van wedstrijden in de hoofdstad Bagdad, van spelen voor een club die zelfs nog beter is dan Rafadeem, het team van zijn vader.

De jongens en mannen uit het dorp verdringen zich rond Salam en zijn teamgenoten. Op dit dorre veld in Zuid-Irak is voetbal meer dan een spel. 'Het is ons leven', zegt Salam. Iedereen wacht op het moment dat de burgemeester hem de winnaarstroffee zal overhandigen.

Niemand heeft oog voor de onbekende jongen met een rugzak op die zich plotseling in het publiek stort.

Op vrijdag 25 maart rond kwart voor zes 's avonds pleegt Islamitische Staat (IS) een zelfmoordaanslag op het voetbalveld van Asriya. 36 mensen komen om het leven, van wie bijna de helft jongens in de tienerleeftijd. Bijna honderd raken gewond. In één klap is het voetbal uit het dorp verdwenen.

In Irak is de aanslag een van de vele in de laatste maanden waarbij IS, op het slagveld in het nauw gedreven, zich toelegt op het maken van zo veel mogelijk burgerslachtoffers.

De zelfmoordterrorist leek een tiener zoals hijzelf, ziet Karar Samir (16), die de prijzenceremonie volgt vanuit het raamkozijn van een school in aanbouw, aan de rand van het voetbalveld. Hij is teleurgesteld: zijn club, Echli, heeft de competitie verloren. 'Terwijl Echli veel beter is.'

Iraaks leger omsingelt IS-bolwerk Falluja

Falluja was de eerste stad die Islamitische Staat veroverde in Irak. Gesteund door de politieke tegenpolen VS en Iran dringt het Iraakse leger IS op. Terwijl IS, in het nauw gedreven, zich toelegt op het maken van zo veel mogelijk burgerslachtoffers.

Naast hem duikt de leeftijdsgenoot met de rugzak op. Hij draagt een sportief blauw jack en heeft oortjes van zijn telefoon in beide oren. Geconcentreerd, bijna als in trance, kijkt hij naar de menigte beneden, zo blijkt op videobeelden die zijn gemaakt van de prijsuitreiking. 'Hij zag eruit als een gewone voetbalfan', zegt Karar, die hem ineens het veld op ziet springen.

Niemand neemt hier aanstoot aan, want wie wil nu niet met zijn neus boven op de prijsuitreiking staan? Een omstander, die even later in stukjes op het veld zal eindigen, reikt de jonge zelfmoordterrorist zelfs behulpzaam de hand.

De moeder van Karar ligt thuis te bidden, Allah is groot, als ze de explosie hoort. Ze rent pardoes naar het sportveld. In de consternatie vergeet ze zelfs haar abaya, een allesverhullend zwart gewaad dat vrouwen hier buitenshuis dragen. 'Ik was zonder abaya', lacht ze, 'maar ik vond mijn zoon levend terug.' Zijn gezicht is deels verlamd en zijn been zit vol bomscherven, maar de muren van de school hebben het leven van Karar gered.

Beeld Yadgar Jamin

In de onverharde straten achter het sportveld wapperen religieuze vlaggen op de tientallen huizen waar een zoon of vader na het voetbaltoernooi niet meer terugkwam.

Asriya, een arm dorp met modderkleurige laagbouw omzoomd door palmbomen, is vrijwel vastgegroeid aan de provinciestad Iskandariya, 70 kilometer ten zuiden van Bagdad. Al meer dan een decennium is de streek rond Iskandariya het toneel van sektarisch geweld tussen soennitische en sjiitische moslims. Het Amerikaanse leger noemde deze regio ooit de 'driehoek des doods'.

Het voetbalveld is de enige plek waar soennieten en sjiieten nog min of meer door elkaar lopen. Hier zoekt men gewoon de beste spelers. 'Denk niet dat wij in Zuid-Irak niet kunnen voetballen', zegt Ahmed Hassam (17), die voor Echli op de reservebank zat op de middag dat vijf van zijn vrienden omkwamen. 'Wij zijn het Brazilië van de Arabische wereld.'

Zodra het over voetbal gaat, beginnen de tieners te stralen. Zeg dat je uit Nederland komt en ze barsten los: Arjen Robben, Marco van Basten, Johan Cruijff, jammer, die is dood. Meer dan twintig clubs kent Iskandariya, sommigen met beloftevolle namen. Salam bijvoorbeeld, 'Vrede'. Of Al Mustaqbal, 'De Toekomst', daar speelde Mohammed Naher (15) als keeper, elke middag na school, een paar weken geleden nog maar.

Sinds de aanslag is hij aan beide ogen blind. Jongens in Zuid-Irak huilen niet, maar Mohammed buigt het hoofd als hij aan zijn toekomst denkt. Hij is geopereerd in Iran, een land dat zich steeds nadrukkelijker mengt in de Iraakse politiek en gelijk hulp bood aan de slachtoffers in Asriya. Helaas viel zijn zicht niet te redden.

Niemand in Asriya vraagt zich af waarom het is gebeurd. 'Je kunt niet tellen hoe vaak hier al aanslagen zijn geweest', zegt de vader van Mohammed. Zijn eigen broer kwam om tijdens een bomaanslag door Al Qaida, in 2012. 'Al Qaida en IS, dat zijn andere namen, maar dezelfde mensen.'

'Soennieten', gromt opa Naher (59) vanuit het hoekje van de huiskamer, die gedecoreerd is met posters van sjiitische heiligen.

Langs het voetbalveld, voor de zwartgeblakerde school, ligt sportkleding in kindermaten. Dit valt op: er hangt ook een poster van een strijder, overleden in dienst van de Asa'ib Ahl al-Haq-militie. Dit sjiitische burgerleger, betaald en gesteund door Iran, is berucht vanwege het lukraak uitmoorden van soennitische moslims in Irak. Met tal van andere andere sjiitische milities vechten ze tegen IS aan het front bij Fallujah.

Beeld Yadgar Jamin

Martelaar

O ja, dat is waar ook, zeggen omwonenden, dat is onze martelaar Mohammed. Om hem is het eigenlijk allemaal begonnen: het voetbaltoernooi was bedoeld om te herdenken dat Mohammed is gesneuveld in de strijd tegen IS. 'Wij vernoemen voetbalwedstrijden altijd naar een martelaar', verklaart Sabah Abdul Mahdi, die drie familieleden verloor bij de aanslag.

Op het voetbalveld is onlangs een bord onthuld met daarop de namen en foto's van de 36 omgekomen slachtoffers. Onder hen zijn 17 minderjarige jongens, maar ook drie mannen in een legeruniform. In de sektarische strijd die nu zelfs het plaatselijke voetbal in zijn greep heeft, gelden ze allemaal als 'martelaar'. Naar lokaal gebruik hebben ze recht op een herdenkingstoernooi. Maar de inwoners van het dorp durven dat niet aan.

De gemeente wil een ziekenhuis bouwen op de plaats van het voetbalveld, zodat straks niets meer aan de aanslag herinnert. In de stoffige straten wanen jongens zich geen prof meer.

Beeld Yadgar Jamin

In een rolstoel rijdt Salam binnen, de aanvoerder van Rafadeem. Hij heeft de aanslag overleefd, maar zijn ruggenmerg is ernstig beschadigd. Waarschijnlijk kan hij nooit meer lopen, laat staan achter een bal aan rennen. Ook vier teamgenoten zijn ernstig gewond.

Zijn vader, Ali Hussein, zelf een fanatiek voetballer, was bijna tien jaar geleden de oprichter van Rafadeem. Het voetbal hield zijn zoon en diens vrienden van de straat. Hij coachte de jongens zelf, want dan was hij meteen even weg van het vrouwengezeur thuis. 'Ik heb drie dochters en maar één zoon, dus ik had graag meer zoons gehad.' Zo kon deze club de beste worden van de streek.

Dat is nu voorbij. 'Ik wil niks meer met voetbal te maken hebben.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden