Reportage Seminoles

Hoe het American Hotel Native American werd

Het American een Hard Rock-hotel, wie heeft dat bedacht? Nou, de Seminole-indianen, de eerste stam in Amerika die begreep hoe je aan de bezetter kon verdienen – en die zo een imperium verwierf.

Een ruiter te paard in Seminole-kostuum tijdens het naspelen van een van de 19de-eeuwse veldslagen tegen de witte kolonisten, in de bossen bij Immokalee. Beeld Chantal Heijnen

Toen eind 19de eeuw de eerste steen werd gelegd van het chique American Hotel aan de rand van de Amsterdamse grachtengordel, kwamen aan de andere kant van de oceaan net de eerste Seminole-indianen uit de moerassen van Florida om voorzichtig te gaan handelen met de witte kolonisten tegen wie ze decennialang hadden gevochten. Het was hun eerste stap in de richting van het art-nouveaubastion van intellectuelen en high-teadrinkers in de Oude Wereld, dat ze ruim een eeuw later zouden veroveren en omtoveren tot een Hard Rock Hotel.

Het persbericht beschreef het zo, drie maanden geleden. ‘Het hotel houdt alle decoratieve elementen intact, van glas-in-loodramen tot levendige schilderijen op de binnenmuren, die ook zullen worden versierd met Hard Rock-memorabilia.’

Dat was even schrikken voor de grachtengordel. Ons hotel een Hard Rock-hotel? Disneyficatie, zeiden mensen tegen Het Parool. Hufterproof goorneven, noemde culinair recensent Hiske Versprille de nieuwe uitbaters. Iedereen met een beetje stijl toonde zich onaangenaam getroffen door het idee dat een stel cowboys een van de statigste etablissementen van Amsterdam zou ombouwen tot een soort hamburgerkeet.

Maar het zijn geen cowboys, het zijn indianen. In het persbericht stond niet dat het Hard Rock-imperium eigendom is van de Florida Seminole Indians, zoals ze zich noemen, de enige indianenstam in Amerika die zich nooit heeft overgegeven, de eerste indianenstam die begreep hoe je aan de witte mens kon verdienen en die nu, met zijn muziekhotels, de wereld een beetje terugkoloniseert.

Het American Hotel wordt een Native American Hotel.

De strijd

Tussen de palmbomen staan een paar mannen zich te schminken voor een spiegeltje. Voor hun tenten brandt een vuurtje, met een ouderwetse ketel erboven. Op houten tafels liggen speren, messen en geweren klaar. ‘Het duurt maar even’, zegt een man die zich Moeraskool noemt, terwijl hij zijn veren schikt. ‘Maar we moeten wat blanken gaan scalperen.’

Op deze zondag in maart spelen hij en enkele tientallen anderen onder de brandende zon van Florida, bij het plaatsje Immokalee, een van de confrontaties na tussen de inheemse bevolking en de kolonisten in de 19de eeuw. De Seminole-indianen zijn afstammelingen van verdreven natives en ontsnapte slaven uit noordelijker gelegen staten (Florida is dan nog een vluchthaven, want Spaans en slavernijvrij), vermengd met de oorspronkelijke bewoners van Florida zelf. Nadat de Amerikanen de Spanjaarden hadden verslagen, vochten ze drie oorlogen uit met de Seminoles, die steeds verder naar het zuiden werden gedreven – tot ze niet verder konden. Met guerrillatactieken verdedigden ze hun vrijheid vanuit de moerassen.

Vandaag spelen ze dat na. ‘Het is 1855’, zegt spreekstalmeester Moses Jumper, de hoogste rechter van het reservaat, tevens veeboer en poëet. ‘We vechten al veertig jaar tegen deze vijand. Ze zeggen dat er hier geen ruimte voor ons is – hier, in ons eigen huis. Maar onze ouderlingen hebben besloten dat we hier blijven. Alles wat we willen is vrede, we willen kunnen leven zoals we altijd hebben geleefd, en hier onze voorouders en de grote Ademgever eren.’

Een stel witte mannen met baarden en geweren komt ongeorganiseerd aanlopen door het gras, als uit de bossen de eerste schoten klinken. Kruitdampen en schril gegil tussen de bomen. Ondanks een meegesleept kanon gaan alle mannen in een kwartier tegen de grond, waarna hun haar theatraal van hun schedel wordt gesneden, tot genoegen van het publiek op de tribune.

Never surrender, staat op het T-shirt van een van de toeschouwers.

De Seminoles gaven zich nooit over. Uiteindelijk werden velen van hen gevangengenomen en gedeporteerd naar barre oorden in Oklahoma via het beruchte trail of tears, een voettocht waarbij duizenden het leven lieten. Maar zo’n vijfhonderd Seminoles ontsnapten aan deze Indian Removal Act en trokken zich verder terug in de Everglades – een ontoegankelijk gebied waar water en land naadloos in elkaar overgaan en waarmee de kolonisten niets konden. Het moeras werd de basis van bestaan.

De gevallen witte mannen staan weer op en nemen hun hoed af voor een van de Seminoles, een zwarte ruiter te paard, nazaat van gevluchte slaven, wiens oom, een veteraan in deze nagespeelde veldslagen, onlangs is overleden. ‘We hebben respect voor de Seminoles’, zegt Ron Brown, een van de zojuist gescalpeerde militiemannen, even later. ‘Ze hebben het altijd goed geregeld en betalen een stuk beter dan de Burgeroorlog-re-enactments. Ze betalen altijd meteen, we gaan naar huis met cash, echte Amerikaanse dollars. Het is een trots volk.’

Op de achtergrond zijn Dolly Parton en Kenny Rogers te horen, afkomstig van de braderie verderop, waar inheemse snuisterijen te koop zijn. ‘We can rely on each other, ah-ah.’

Tussen de alligators

‘Wij zijn anders dan andere stammen’, zegt Pedro Zepeda, een van de Seminole-krijgers, als hij weer met zijn zoontje bij het tentenkamp zit. ‘Vanwege ons isolement, zo verstopt in het moeras, hebben we onze cultuur kunnen behouden. Niemand wilde daar komen, tussen de alligators. Voor ons werden het bondgenoten.’

Decennialang bleven ze in de Everglades, kanoënd tussen de duizenden eilandjes, jagend en vissend en geleid door de maan, tot ze langzaam weer contact begonnen te zoeken met de buitenwereld, allereerst met de Schotse handelaren die zich vestigden rond Fort Lauderdale. Ze verkochten alligatorhuiden en kregen er gereedschappen voor terug. Ze moesten zich weer aanpassen toen kolonisten grote delen van zuidelijk Florida begonnen droog te malen en de moerassen in grasland veranderden. Sommige Seminoles gingen koeien houden, anderen begonnen sieraden te verkopen aan de toeristen die steeds vaker hun weg naar Florida vonden.

‘We waren al heel vroeg onderdeel van de toerisme-industrie’, zegt Zepeda, ‘We zetten onszelf te kijk en werden bekeken alsof we dieren waren, maar het toerisme heeft ons geholpen. Mensen betaalden ons om onszelf te zijn. Later kwam daar het alligatorworstelen bij.’ Net, voor de re-enactment, heeft hij zijn neef nog geholpen zijn hoofd in de bek van een alligator te steken, bij wijze van voorprogramma. ‘Dat was geen traditie, maar het is een traditie geworden. We hebben ons eerst eeuwen aangepast om te overleven, en later om te floreren.’

In het nabijgelegen plaatsje Big Cypress is de nieuwe folklore uitgegroeid tot een miljoenenbedrijf, inclusief moerasvaarten in hovercrafts. 200 duizend toeristen komen jaarlijks langs bij Billie’s Swamp Tours.

Zelf maakt Zepeda nog altijd kano’s van uitgeholde cipressen, een klassieke traditie. Hij gebruikt er wel een kettingzaag bij. ‘Waarom doe je het niet op de traditionele manier, vragen mensen me soms, met beitels en vuur? Dan zeg ik: dit is de nieuwe traditie. Veel witte mensen vinden dat we dingen moeten doen zoals we ze in 1491 deden, omdat we anders geen echte indianen zijn. Witte mensen zien ons graag als mensen uit het verleden. Dat houdt ons op afstand, in een reservaat in de tijd. Maar we zijn hier, nu, en ontwikkelen ons net zo goed door moderne middelen te gebruiken.’

Een van de opmerkelijkste moderne middelen is de horeca. ‘Met die Hard Rock Cafés kopen we beetje bij beetje het land terug dat ons is afgepakt. Hamburger voor hamburger.’

Tabak en bingo

Wie door het reservaat van de Seminoles rijdt, door de blokjes op de kaart die hun werden toegewezen door de veroveraars van Amerika, ziet bij de bungalows vaak drie, vier, vijf dikke auto’s staan, en één of twee motorboten. In Big Cypress, het centrale dorp, wordt de basisschool grondig verbouwd, staat een modern ziekenhuis, hebben de wegen vers asfalt en zijn de bermen gemaaid. Kom daar eens om in New York.

De basis van die welvaart werd gelegd in de hoofdstad, Hollywood, even ten noorden van Miami, vlak naast een enorme ceremoniële eik waar de Seminoles hun historische overeenkomsten tekenden. Daarnaast staat een bakstenen gebouwtje beplakt met sigarettenreclames, met in grote rode neonletters het woord ‘Cigarettes’ op het dak. Het gebouw heeft geen ramen, op een klein kogelvrij venster na, waar 24 uur per dag mensen langsrijden om voor een paar dollar per pakje belastingvrij hun nicotine op te halen. Weer even verderop ligt de bingohal waarmee de Seminoles groot zijn geworden.

Dit zijn de innovatiefste aanpassingen van de Seminoles, die als oorspronkelijke bewoners van Amerika een maas in de wet vonden waardoor zij zich niet hoefden te houden aan regels van de staat waarin zij woonden. Een van die regels ging over de verkoop van tabak, een andere over gokken. In Florida mocht in die tijd, met dank aan een obscuur wetje, alleen de katholieke kerk twee keer per week een bescheiden bingo organiseren. Daar, bij de nonnen die hen opvoedden, keken de Seminoles het kunstje af. Maar ze besloten erop en erover te gaan. Hun bingohal, beloofden ze in hun eerste advertenties, zou zes dagen per week open zijn, met veel vettere jackpots. De indianen, eeuwenlang bestookt met ziekten en kogels, hadden eindelijk de zwakke plek van de bezetter ontdekt: hun liefde voor gokken.

Op de dag van de opening, zo schrijft David Treuer in zijn boek The Heartbeat of Wounded Knee – Native America from 1890 to the Present, stond sheriff Butterworth ’s ochtends vroeg al voor de bingohal te wachten om de eigenaren te arresteren. Maar een rechter stelde de Seminoles in het gelijk, waarna ze hun bingohal opnieuw openden, nog groter dan de eerste keer. Uiteindelijk bevestigde het Supreme Court dat soevereine stammen zich niet aan de regels van staten hoeven te houden, en dat hun tabakszaken en casino’s niet konden worden gereguleerd. Andere stammen volgden het voorbeeld – inmiddels is de geschatte omzet in Amerikaanse indianencasino’s zo’n 30 miljard dollar. (Eind jaren tachtig heeft de federale overheid de maas in de wet gedicht met de Indian Gaming Regulatory Act, die het gokken heeft gereguleerd en een deel van de opbrengsten naar de staatskas sluist.) In het fraaie culturele museum dat de Seminoles in Big Cypress hebben laten bouwen van hun gokopbrengsten, figureert de bingohal prominent in het openingsfilmpje.

De hal bestaat nog steeds, als onderdeel van het Classic Casino van de Seminoles in Hollywood. Op een maandagavond in februari zitten zo’n driehonderd mensen in een bruingele, door tl-lampen verlichte zaal te knarsetanden achter hun bingovelletjes en elektronische speelschermpjes, die volautomatisch de omgeroepen nummertjes aankruisen. Wie nog met papier werkt, heeft vaak een speciale bingotas bij zich voor de extra dikke stiften waarmee je met een enkele snelle stip een heel getal kunt inkleuren. Het enige geluid komt van de machine die zuchtend de ballen uit een bak zuigt, en van dame die met eentonige stem de nummers omroept.

Een van de spelers is Millie Mistretta, die 80 dollar heeft uitgegeven aan haar dagelijkse verzetje. ‘Ik ben niet verslaafd hoor, ik kom hier alleen ’s avonds’, zegt ze. Op meerdere papiertjes tegelijk zet ze haar stippen, tot ze zuchtend haar stift neerlegt. ‘O, iemand heeft het al’, zegt ze, een paar seconden voor de winnaar ‘bingo’ roept. Ze hoort het aan de onrust ergens in de zaal, het geschuif op een stoel van iemand die al heeft gezien dat het balletje is opgezogen, maar pas ‘bingo!’ mag zeggen als het getal is omgeroepen. Mistretta wint niets vanavond, zoals ze eigenlijk nooit iets wint. Zo brengt ze dag in dag uit, jaar in jaar uit tienduizenden dollars naar de Seminoles.

‘Het is goed besteed’, zegt ze. ‘Ik heb een leuke avond, en die mensen hebben een leuk leven.’

Even verderop staat het pronkstuk van de voormalige onderduikers uit het moeras, het Seminole Hard Rock Casino & Hotel, een stralend gebouw met een oprijlaan en valetparking. Er is een nieuwe toren in aanbouw in de vorm van een 150 meter hoge gitaar, een totem die al van verre zichtbaar is. Kamers kosten al gauw 350 dollar, maar daar krijg je dan wel een ‘perfect verzorgde playlist’ bij, of een platenspeler met lp’s, of, tegen extra betaling, een heuse Fender Stratocaster. Overal in de gebouwen hangen relikwieën van oude popsterren, van een gescheurde broek van Elvis Presley tot een cowboyhoed van Garth Brooks. En dan is er natuurlijk de zaal met eindeloze speeltafels en fruitmachines, waar mensen hun dollars steeds verbetener laten rollen, naarmate de avond vordert.

Volgens schattingen verdienen de casino’s van de Seminoles jaarlijks 2,3 miljard dollar; daarbij komen nog de opbrengsten van andere zaken, zoals de hotels. De vierduizend stamleden krijgen volgens schattingen ieder zeker 150 duizend dollar per jaar.

Boven de uitgang van het casino staan enkele woorden in de taal van de Seminoles: Sho-na-bish. Bedankt.

Vertrouwen herstellen

‘Ik had nooit gedacht dat ze met die casino’s zo veel zouden gaan verdienen’, zegt James Allen, de directeur van Seminole Gaming en Hard Rock International. ‘Ze zijn echt welvarend geworden.’ Allen, zelf geen Seminole maar sinds 2001 de leider van de gokdivisie en de drijvende kracht achter de aankoop van het Hard Rock-imperium (in 2007), zit tussen de artistieke impressies van zijn gitaarhotel in het hoofdkantoor van de stam in Hollywood. ‘We hadden een licentieovereenkomst met Hard Rock’, zegt hij. ‘Dus ik dacht: waarom betalen we miljoenen aan hen, als we ook miljoenen aan onszelf kunnen betalen? Bovendien zag ik kansen om die twee takken verder te integreren. En de stam zag die ook.’

Allen is trots op zijn bijdrage aan de welvaart van de Seminoles. ‘Het onrecht dat de Seminoles is aangedaan, kan ik niet herstellen – er zijn de afgelopen eeuwen verschrikkelijke dingen gebeurd, het is immoreel. Maar ik kan wel helpen hun soevereiniteit te versterken. En uiteindelijk, als ik klaar ben, wil ik dat ze tenminste kunnen zeggen dat ze een eerlijke witte man hebben ontmoet, die hen met respect behandelde. Ik wil het vertrouwen herstellen.’

Allen, die ooit voor Donald Trump werkte in Atlantic City, kocht daar vorig jaar zelfs het Taj Mahal, het gokpaleis dat onder Trump failliet ging – en dat nu, in handen van de Seminoles, wel goed draait. ‘Symbolisch? Ach, laat ik het zo zeggen: wij weten hoe we casino’s moeten uitbaten.’

Nu alleen nog meer Seminoles daarbij betrekken.

Te rijk?

De organisatie van de nagespeelde veldslag had al gezegd dat het moeilijk was Seminoles zover te krijgen om mee te doen. Een paar medewerkers van het museum deden aan ‘warrior recruitment’ onder de kinderen, maar het liep nog niet storm. Zelfs de toeschouwers op de tribune komen grotendeels van buiten. De meeste mensen die in het reservaat en in de casino’s werken, van de politie tot het museum, zijn geen Seminoles, maar witte Amerikanen in dienst van de stam. De Seminoles, zo simpel is het, hoeven eigenlijk niet te werken.

Langs een van de afwateringskanalen die het moeras hebben laten verdwijnen, komt een familie aangereden in een soort opgevoerd golfkarretje in camouflagekleuren, volgehangen met hengels. ‘Vissen helpt me mijn gedachten te verzetten’, zegt Dalton Koenes, een magere jongen die het verlies van een goede vriend probeert te verwerken. Dat duurt vier maancycli, zegt hij, een periode waarin hij ‘medicijnen doet’, om sterker te worden. ‘Dan drink ik alleen in het weekend’, zegt hij. Het gezin probeert volgens de Seminole-tradities te leven – de kinderen krijgen les in de eigen taal, het zoontje van 5 heeft zijn eerste rodeo al gereden, op een schaap, en de vijf maanden oude dochter heeft een zakje met heilige in­grediënten over de schouder hangen, ­tegen boze geesten. Maar het is moeilijk om van de drank af te blijven, zegt Koenes, zelfs met een gezin. ‘Iedereen van onze leeftijd is hier aan de drank of drugs.’

Op het kerkhof, even verderop, vol ­zerken met beeldjes en tekeningen van otters, tijgers, beren en schildpadden (de Seminole-clans), liggen de geboorte- en sterfdata wel erg dicht bij elkaar.  

‘De kinderen gaan veel te vroeg dood’, zei opperrechter Moses Jumper een paar jaar geleden tegen de krant van de Seminoles. Hij vroeg zich af of ze misschien niet té rijk waren geworden. ‘Toen we arm waren, waren we gelukkiger.’

Maar nu, op zijn ranch bij het kanaal, waar zijn zoon op hun eigen rodeoterrein te paard oefent in het vangen van jonge stieren, benadrukt hij de collectieve besteding van de inkomsten. Van het geld kunnen onderwijzers en artsen worden betaald, en sportvoorzieningen die de jeugd gezond moeten houden. De Seminole-stam vormt niet alleen een staat binnen een staat, maar is daarnaast ook een groot staatsbedrijf, dat geld verdient voor collectieve voorzieningen, met programma’s die eigenlijk erg lijken op wat progressieve politici ook voorstellen voor andere Amerikanen.

En daarvoor kun je nooit te veel geld hebben. ‘Het is mooi dat jullie in Amsterdam straks ook een beetje daaraan bijdragen’, zegt hij.

Alcohol en drugs? Ja, dat zijn problemen, zegt Hard Rock-baas Allen. Zoals de Grieken en Romeinen ook decadente problemen hadden toen zij snel rijk werden. ‘Ze moeten er gewoon aan wennen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden