Hoe grijzer hoe mooier

Over vergrijzing wordt doorgaans met veel pessimisme gesproken. Maar is het wel zo erg?..

Wie zich zorgen maakt over de vergrijzing en het W doembeeld van een krimpende bevolking kan zich vastklampen aan de jongste CBS-prognoses: rond 2050 hebben we het ergste gehad en zal de Nederlandse bevolking weer langzaam gaan groeien. Veel zal het niet zijn en een halve eeuw is lang op een mensenleven. Zal de economie tegen die tijd niet zijn bezweken onder de kosten van een ouder wordende bevolking? Verpleeghuizen, zo wordt ons voorgehouden, weten zich straks geen raad meer met alle demente bejaarden en zij die nog wel zelfstandig wonen, zullen de straten verstoppen met hun rollators en elektrisch voortgedreven rolstoelen. Vluchten kan niet meer, want elders in Europa is het niet veel anders.

Men moet stevig in zijn schoenen staan om niet te worden meegesleurd door de stroom aan onheilstijdingen over wat in wezen niets anders is dan een reeds jaren geleden te voorspellen, onafwendbare demografische ontwikkeling. Dat is geen argument luchthartig te doen over de gevolgen van de vergrijzing voor onze pensioenen, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Wie het heeft over demografische ontwikkelingen praat echter over generaties en dat geeft tijd ons erop voor te bereiden. Niet door te proberen de vergrijzing tegen te gaan, want dat zal niet lukken. Wel door ons af te vragen of de vergrijzing niet ook positieve kanten heeft of misschien zelfs wel moet worden toegejuicht.

Wat allereerst opvalt, is dat de discussie gebukt gaat onder een beeldvorming die maar ten dele wordt ondersteund door de feiten. Een eerste misverstand betreft de vergrijzing zelf. De bevolking van Europa wordt onmiskenbaar ouder en een reeks landen wordt zelfs geconfronteerd met een (langzaam) krimpende bevolking. Wat daarbij opvalt is dat Nederland tot op zekere hoogte een uitzondering vormt. Ons land heeft nog altijd een relatief jonge bevolking in vergelijking met andere Europese landen.

De naoorlogse geboortegolf was in Nederland omvangrijker dan elders in Europa en hield ook langer aan. Het geboortecijfer werd daarnaast opgestuwd door een culturele eigenaardigheid. Het traditionele gezinsideaal – moeder zit thuis en zorgt voor de kinderen – hield hier langer stand dan in andere landen. Pas rond 1970 begon het kindertal onder invloed van de vrouwenemancipatie en ruimere mogelijkheden tot geboortebeperking te dalen. Toen ging het ook snel. Het gevolg is dat de vergrijzing in Nederland betrekkelijk laat inzet om pas rond 2015, als de babyboomgeneratie de pensioengerechtigde leeftijd zal hebben bereikt, in een versnelling te komen.

Vergrijzing betekent dan ook niet dat de straten straks nog slechts worden bevolkt door voortstrompelende bejaarden. In weerwil van de toename van het aantal ouderen, telt Nederland altijd nog een aanzienlijk grotere groep jongeren. Pas over een kleine 25 jaar zal het aantal ouderen ook in absolute zin groter zijn dan het aantal jongeren. Het werkelijke probleem zit hem in de relatieve afname van het aantal mensen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar, zij die voor beide andere groepen het geld moeten verdienen. In absolute aantallen zal deze groep de komende 25 jaar vrijwel gelijk blijven.

Kunnen we, als we dat zouden willen, de voorspelde ontwikkeling beïnvloeden? Een geliefde beeldspraak in de vergrijzingsdiscussie is de 'demografische tijdbom', die door de politiek onschadelijk zou moeten worden gemaakt. De politiek kan zich die moeite besparen. Het aantal geboorten is een optelsom van individuele beslissingen die zich goeddeels onttrekken aan directe beïnvloeding door de overheid. Voor zover er in landen met succes een bevolkingspolitiek wordt gevoerd, geldt dit vooral de beperking van het aantal geboorten. Overheden die vrouwen ervan proberen te overtuigen meer kinderen te nemen, merken keer op keer dat dit vrijwel onbegonnen werk is.

Kinderbijslag en 'fokpremies' zoals in Frankrijk, hebben slechts een beperkt effect. Hetzelfde geldt, leert de ervaring in Scandinavische landen, voor de beschikbaarheid van kinderopvang en andere faciliteiten die het makkelijker moeten maken zorg en werk met elkaar te combineren. Zij kunnen vrouwen wel doen besluiten eerder, op jongere leeftijd dus, een kind te nemen.

Dit gegeven is van belang omdat het aangeeft dat in de westerse samenleving het kindertal niet meer in de eerste plaats de uitkomst is van een kostenbatenanalyse, maar veel meer verbonden is met een bepaalde levensstijl. Anders dan in de Derde Wereld vloeit het kindertal hier niet langer voort uit een darwinistische overlevingsdrang of culturele dwang, maar is zij het resultaat van een vrije keuze.

Waar sommigen nu pleiten voor stimulering van het aantal geboorten, hield de staatscommissie-Muntendam in 1977 nog een krachtig pleidooi voor een beperking van de bevolkingsgroei en beval zij de regering aan 'om naar vermogen bij te dragen tot de spoedige verwerkelijking van een eindsituatie, waarin de partners in staat zijn om in vrijheid en verantwoordelijkheid over het aantal en de spreiding van hun kinderen te beslissen'.

Men kan niet anders concluderen dan dat dit emancipatiestreven is geslaagd. De vergrijzing is daarmee niet alleen een probleem, maar ook een succesverhaal. De vergrijzing onderstreept ook dat onze levensverwachting spectaculair is toegenomen en wij de beloning incasseren van de inspanningen die generaties voor ons zich hebben getroost de levensomstandigheden te verbeteren.

Het was de demograaf Van de Kaa, oud-directeur van het H Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) die er als eerste op wees dat het kindertal in de westerse wereld structureel beneden het vervangingsniveau zal blijven. Dat wil zeggen dat de bevolkingsgroei door geboorten vrijwel tot stilstand komt en sommige landen zelfs met een dalend inwoneraantal krijgen te maken.

Het is ook precies deze ontwikkeling die maakt dat pleidooien zoals van de econoom Van Praag (Forum, 5 augustus) om gezinnen financieel te prikkelen meer kinderen te nemen tamelijk illusoir zijn. Dit nog los van de vraag hoe ethisch het is economische problemen op te willen lossen met 'gekochte' kinderen. Liever 1,6 gewenst kind – het huidige gemiddelde – dan 2,1 rendabel kind – het aantal nodig om de bevolking op peil te houden, aldus de historicus Th. L. M. Engelen in een reactie op Van Praag.

De vergrijzing komt er dus aan en niemand die haar kan stoppen. Maar wie moet dan straks al het werk doen en de kosten opbrengen van de zorg voor al die ouderen? Als we zelf geen kinderen meer op de wereld willen zetten, moeten we dan niet veel meer migranten toelaten om de bevolking op peil te houden? Arbeidsmigratie kan helpen bepaalde tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen. Als remedie tegen de vergrijzing is ook dit instrument onbruikbaar.

In een rapport van de Verenigde Naties werd een paar jaar geleden becijferd dat om de vergrijzing in Europa op te vangen tussen nu en 2025 159 miljoen immigranten nodig zouden zijn. Het is niet moeilijk voor te stellen dat dergelijke aantallen de maatschappelijke draagkracht van veel landen te boven zullen gaan.

Het NIDI rekende naar aanleiding van het VN-rapport uit dat wanneer we het percentage ouderen in Nederland willen bevriezen op de ruim 13 procent van nu, tot 2050 ongeveer 300.000 migranten per jaar nodig zijn, in totaal 17 miljoen. Die migranten worden zelf ook weer ouder, dus kunnen we het daar niet bij laten. Er zullen steeds meer migranten nodig zijn om de voortschrijdende vergrijzing tegen te gaan. Het NIDI kwam op die manier uit op 27 miljoen inwoners in 2025, oplopend tot 39 miljoen in 2050 en 109 miljoen (!) in 2100.

Kunnen we dan helemaal niets doen? Jawel, dat is ons instellen op het gegeven dat de vergrijzing een logische ontwikkeling is die iedere hoogontwikkelde samenleving vroeg of laat doormaakt en geen teken is van stagnatie, maar van vooruitgang. Zolang oud worden synomiem is met stilstand en aftakeling, zal de paniek ons in zijn greep houden en ons ervan weerhouden de zegeningen van de vergrijzing te zien. Want wat is oud in dit verband?

Een 70-jarige van een eeuw geleden had zijn tijd er statistisch gezien al opzitten, een 70-jarige van nu maakt nog een rondreis door China. Vreemd genoeg is de leeftijd waarop wij iemand oud vinden in de loop der jaren niet hoger, maar eerder lager komen te liggen. Wie op zijn 45ste nog geen carrière heeft gemaakt, weet bijna zeker dat zijn huidige functie ook zijn laatste zal zijn.

We stuiten hier op wat prof. Jan Baars, docent wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, in het Filosofie Magazine onlangs 'de paradox van de steeds jongere oudere' noemde. 'Hoewel het gemiddelde aantal gezonde levensjaren sterk is toegenomen, wordt men op een steeds vroeger moment in dit veranderende perspectief van de levensloop als ”oud” gediskwalificeerd.' Er is rond de 'oudere werknemer' een probleem in het leven geroepen dat naar zijn mening absurde proporties heeft aangenomen, terwijl tegelijkertijd sprake is van een 'onkritische verabsolutering van het jonge, dynamische en complexe leven, dat omgeven wordt met een schijn van onkwetsbaarheid'.

Hoe moeilijk het is aan dit beeld te ontsnappen, demonstreert het huidige kabinet met zijn voornemen bij de inkrimping van het ambtenarenapparaat, ouderen met voorrang te ontslaan. Dit in tegenspraak met de bijna dagelijks uitgedragen boodschap dat werknemers in de toekomst langer moeten blijven werken. Veelzeggend was dat minister Remkes van Binnenlandse Zaken deze contradictie verdedigde met de stelling dat handhaving van de oudere ambtenaren 'dodelijk' zou zijn voor de kwaliteit van de overheid.

Voor bevolkingsgroei geldt hetzelfde als voor economische groei: groei is in onze ogen de natuurlijke toestand, stagnatie de ontkenning daarvan en daarmee een bedreiging. De gehele menselijke geschiedenis is er immers een van groei, van het aantal inwoners, van de productie, van de consumptie, van de vervuiling. Dat deze groei eindig is in de zin dat de ruimte en de voorraad grondstoffen per definitie eindig zijn, is strijdig met onze door de Verlichting gestaalde opvatting dat de mens meester is over de natuur.

Zo groot als de schok was die het Rapport van de Club van Rome over de 'grenzen aan de groei' dertig jaar geleden teweegbracht, zo groot was de opluchting toen bleek dat de voorspellingen wat al te somber waren. Dat dit weinig afdeed aan het uitgangspunt van het rapport werd genegeerd. De opstellers hadden dit trouwens voorzien. 'Het concept van een maatschappij in een bestendige toestand van economische en ecologisch evenwicht lijkt wellicht makkelijk te begrijpen, maar de realiteit hiervan staat zover buiten onze ervaring dat er een copernicaanse omwenteling van de geest voor nodig is.'

De ironie wil dat het onafwendbare karakter van de D vergrijzing de westerse samenleving uiteindelijk geen andere keuze laat dan te accepteren dat op dit punt althans een grens aan de groei is bereikt. De vraag is of dat juist in Nederland geen reden tot vreugde zou moeten zijn. Was dertig jaar geleden een dreigende overbevolking nog een serieus onderwerp van discussie, nu reserveren we onze vermaningen liever voor de Derde Wereld. De doelstelling van de Club van Tien Miljoen mag niet erg realistisch zijn, zelfs de meest fervente voorstander van een hogere kinderbijslag kan er niet omheen dat Nederland met 385 inwoners per vierkante kilometer tot de dichtstbevolkte landen ter wereld hoort. Het is dan vreemd dat waar de commissie-Muntendam in 1977 nog een pleidooi hield voor afremming van de bevolkingsgroei – toen nog een progressief standpunt – we op het moment dat de bevolkingsgroei daadwerkelijk afneemt het omgekeerde zouden moeten doen.

De vergrijzing kan misschien bewerkstelligen wat de Club van Rome niet vermocht, namelijk ons verzoenen met de gedachte dat stilstand ook vooruitgang kan betekenen. Voorwaarde daar-voor is dat we het begrip welvaart uit zijn enge economische definitie bevrijden en meer oog krijgen voor de 'winst' die kan worden geboekt wanneer we bijvoorbeeld niet nog meer ruimte hoeven op te offeren aan Vinex-wijken en nieuwe wegen.

Het voortdurend hameren op de dreigende 'onbetaalbaarheid' van onze oudedagsvoorzieningen, werkt niet alleen verlammend op de discussie, maar is ook misleidend. Als de stijging van de lasten betekent dat we in plaats van drie nog maar twee keer per jaar met vakantie kunnen, krijgt het begrip onbetaalbaar al een heel andere betekenis. Ook met minder economische groei blijft Europa nog altijd een van de meest welvarende regio's in de wereld.

Hoeveel onbenutte arbeid zal er bovendien niet vrijkomen als overheid en werkgevers worden gedwongen zich daadwerkelijk in te spannen om ouderen langer aan het werk te houden of weer aan het werk te krijgen? En dan niet door hen financieel te straffen als zij niet willen. Dat benadrukt slechts dat de oudere werknemer vooral een noodzakelijk kwaad is. Waar het om draait is dat de fase dat iemand als 'oudere' door het leven gaat, inmiddels net zo lang kan duren als het hele leven daarvoor, wat het normaal zou moeten maken dat iemand ook na zijn 45ste – als het 'spitsuur' in het gezin eindelijk voorbij is – nog aan een carrière kan beginnen.

Een samenleving waarin jong niet meer per definitie de voorkeur geniet boven oud, oud niet meer automatisch synoniem is met ouderwets en vernieuwing niet langer een doel op zich is, zal ongetwijfeld minder cool en dynamisch zijn, maar daardoor wel zo ontspannen en meer kansen bieden aan iedereen die de huidige ratrace niet kan bijhouden. Welke rust zal er niet over de samenleving neerdalen als het bedrijfsleven ontdekt dat ouderen een grotere groeimarkt zijn dan jongeren en we eindelijk worden verlost van de opdringerige lawaaicultuur die ons er nu dagelijks aan herinnert dat jong zijn de norm is?

De Britse filosoof en econoom John Stuart Mill besteedt in zijn hoofdwerk Principles of Political Economy (1848) uitvoerig aandacht aan de relatie tussen bevolkingsgroei en economische groei. Het zijn woorden uit een grijs verleden, maar daarom niet minder van toepassing.

'Het is nauwelijks nodig op te merken dat een stationaire toestand van bevolking en kapitaal niet een stationair stadium van menselijke vooruitgang inhoudt. Er zou zeker zo veel uitzicht voor alle vormen van geestelijke cultuur, morele en sociale vooruitgang als ooit te voren zijn; zeker zoveel ruimte om de kunst om te leven te verfijnen en een veel grotere kans dat deze verfijnd zal worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden