Hoe gaat het, jongen?

Met mijn vader naar zijn wandelclub.

Mijn vaders handen. Beeld RV

De aders van mijn vader liggen boven op zijn huid. Daar kijk ik naar als kind. Die armen, sterker krijg je ze niet.

Hoe gaat het jongen, is het druk bij de krant?

Op weg naar laten we zeggen zijn wandelclub. Een genootschap verborgen in de machtige heuvels naast de stad. Het is op de grens. De zomer geeft het land een duw omhoog; het lijkt groener dan vroeger en de bomen zwaaien alle kanten op. We moeten asperges kopen pa, voordat ze weer verdwijnen.

De koffietafel Beeld RV

Hier was ik nog niet en ook voor hem is het nieuw. Naast de kerk, in het dorpshuis, in het zaaltje, de stoelen alvast in een kring om de koffietafel. Mijn vader komt er twee keer per week en ik wil het weleens zien. Ik moet hem vaker zien. Elke woensdag gaat Henk mee, de natuurgids, die haalt mijn vader 's ochtends op en brengt hem thuis. De wereld heeft geweldige mensen en soms zijn ze er ineens.

God wat leuk jongen, dat jij er nou bent.

Het begint met een voorstelrondje, alsof we gaan vergaderen, en iedereen vertelt elke keer hetzelfde. Gerrie doet de koffie. Joop zegt dat hij helemaal de normale Joop is geworden. Vijftien maanden was hij marinier in Nieuw-Guinea, bij de papoea's. Iemand kreeg een pijl dwars door zijn lijf. 1959. Dat vergeet je niet. Daarna was hij veertig jaar postbode, bij het voetbal en het carnaval en nu is Joop gelukkig hier.

Mijn vader wandelend. Beeld RV

Zo zitten we om de koffietafel. Als hij aan de beurt is knijpt mijn vader in zijn grote handen. Daaruit is veel ontstaan: gisteravond dook thuis zomaar zijn eerste filmscenario op. 1966. Ambities van een twintiger, nauwgezette letters op vergeeld papier. Alles wat hij doet gebeurt nauwgezet, nog steeds, maar trager.

Dan zegt mijn vader: ik heb een soort van vrije stroom gedachtes door de dag heen. Wat ik wil zeggen is: jij bent erin geslaagd die stroom een leven lang nauwkeurig te coördineren. Maar als het mijn beurt is vertel ik over de vrijheid die mijn vader me toestond, het begin van alles.

Zoveel moeilijker was het in 1966 om ambitieus te zijn.

Hoe gaat het jongen, is het druk op de krant?

Hans heeft de leiding. Hij noemt zijn wandelclub 'Inn de Natuur'. Wandelen, soep koken, eieren bakken: dat is de beste dagbesteding. En anders doen ze iets anders. Hans houdt niet van het woord 'zorg', zegt hij, dat maakt het zo zorgelijk. Dus dit is buiten het reguliere. Hij zoekt naar het plezier van de dingen. Naar wat er allemaal nog mogelijk is. In de zorg, zegt Hans, gaat het meestal over wat niet meer mogelijk is.

Op de koffietafel staat een schaal met kaartjes en elk kaartje heeft een woord of een begrip. Vertel daar eens wat over. Mijn vader krijgt het woord 'voedselketen' te verstouwen. Hij wrijft zijn handen en zegt dan iets.

Wat moet ik daar bij die mensen, zei hij vanochtend en hij weigerde mee te gaan. Had ik ook gedaan. En daarna gingen we.

Op het kaartje van Ghile staat 'woeste branding', een dubbelbegrip dat hij als ex-Eritreeër lastig kan thuisbrengen. Ghile leert woorden terwijl anderen ze vergeten. Zo heeft iedereen op de club wat aan elkaar.

Laten we koken. Mijn vader snijdt het brood en eet stiekem de pitjes. Ghile snijdt tomaat. Ik snij paprika. Joop roert de soep. Gerrie vult de kommen. Als we klaar zijn bakt Hans eieren met spek. Daarna ruimen we alles op. Joop steekt steeds zijn duim op naar mijn vader, die hetzelfde doet. Nooit eerder zag ik hem zijn duim opsteken.

Mijn vader is laten we zeggen anti-autoritair. Pas op voor de macht, jongen. Pas op voor protocollen. Nu mag hij niet meer autorijden, dat is voor hem bepaald door mensen die dat kennelijk mogen bepalen - een aanslag is het op zijn leven. Het maakt hem boos. Hij incasseert. Zijn zelf bevochten vrijheid, naar mij verplaatst, geeft hij verwonderd op.

Wat moeten we nu met de auto doen?

We wandelen naar de grens, een ooievaar scheert over het gras. Zo wit, ooievaarswit. Hans maakt stevige wandelingen naar steeds dezelfde plekken, modder aan de schoenen. De natuur blijft hoe dan ook. Mijn vader kent dertig orchideeënsoorten. Ik vijf. De mannetjesorchis, pa. Het soldaatje, de gevlekte. Mopperend wijkt een vliegend beest uit voor mijn vader, dik lang lijf, dubbele vleugels, hoe heet het. Hoe noemen ze dat nou. Een libelle pa. Ja, een libelle. Glazenmakers. Waterjuffers.

Mijn vader en ik dragen dezelfde naam. Ik heb mijn vaders aders. Alles erodeert. Het is de kunst te bewaren wat van waarde is.

Alles gaat kapot, jongen. Maar nondeju wat is het hier toch prachtig.

Reageren? t.heijmans@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden