Hoe een oude piraat klinkt

Tristan Honsinger laat de cello in al zijn glorie klinken. Met bizarre uitvergrotingen en een sound die op een positieve manier door merg en been kan gaan....

‘Een dag en een nacht uit het leven van een gepensioneerde piraat in Triëst: als de oude piraat zijn huis uit stapt word hij weggeblazen door een van de razendsnelle bora-windvlagen die de Italiaanse stad ’s winters opschudden. Dan ontsnapt hij en belandt in een park. Hij mediteert. Ontmoet een dame. Samen gaan ze naar een bar. Daar wordt hij heel erg dronken, natuurlijk. De piraat loopt in zijn eentje huiswaarts. Een dief probeert hem te beroven. Maar het slachtoffer is te bezopen, de dief geeft het op. De piraat gaat naar huis en valt in zijn bed in slaap.’

Improvisatiemuziek abstract en onbegrijpelijk? Niet bij Tristan Honsinger. Hij vertelt zonder problemen waar de concerten van zijn Improviserend Strijkorkest voor een deel over zullen gaan. The retired pirate of Trieste zal het nieuwe 13-koppige ensemble van de cellist door zijn improvisaties loodsen. ‘Als je een beeld in je hoofd hebt, maakt het wat je speelt veel duidelijker.’

Wanneer Tristan Honsinger improviseert, dan laat hij de muziek leiden door zijn fantasieën. Soms lijken de dagdromen bezit te nemen van het magere en licht ineengedoken lichaam van de 58-jarige muzikant, zoals geesten in horrorfilms doen bij tienermeisjes. Honsinger kan plotsklaps opspringen, met zijn strijkstok in de lucht zwaaien en onbegrijpelijke teksten exclameren. Of hij zit sidderend en bevend in zijn stoel en speelt met een paniekerig vibrato. Maf en vervreemdend.

Tegelijk maakt het de cellist tot één van de meest toegankelijke muzikanten van de voor niet-ingewijden soms wat ondoorgrondelijke impro-scene. Met zijn zorgvuldig gedoseerde theatrale uitspattingen vormt hij een brug tussen muziek en publiek. ‘In het juiste gezelschap doe ik die dingen, ja. Soms ook in het verkeerde gezelschap. Dan helpt het de zaak niet.’

Sinds de Amerikaan Tristan Honsinger ruim dertig jaar geleden naar Europa kwam, is hij een van de belangrijkste smaakmakers van de internationaal als uniek beschouwde Amsterdamse improvisatiemuziek. Hij speelde in groepen van saxofonisten Sean Bergin en Tobias Delius, met internationale pioniers onder wie pianist Cecil Taylor en gitarist Derek Bailey en nog steeds reist hij de wereld over met onder meer Misha Mengelbergs Instant Composers Pool Orchestra. Na jaren met onderbrekingen in Amsterdam te hebben gewoond is Italië sinds een paar jaar de thuisbasis van Honsinger. Hij woont in dezelfde stad als zijn piraat: Triëst.

Nu brengt Honsingers all-star strijkorkest de cellist weer even terug in zijn Amsterdamse stamcafé De Engelbewaarder. Sjekkies draaiend, half verscholen in een groen houthakkersshirt. Hij heeft net gerepeteerd in het Bimhuis. Vrijdag geeft de groep zijn eerste concert, in Antwerpen. Honsingers blik staat vaak op een enigszins afwezige staarstand, hij lijkt niet makkelijk te benaderen. Het mysterie dat hij op het podium uitstraalt, omhult hem ook daarbuiten. Maar als hij lacht dan twinkelen zijn ogen en kijk hij je in een flits aan.

‘Ik was ongelooflijk onder de indruk van de theatervoorstellingen van Wim T. Schippers en Misha Mengelberg. Het was een van de eerste dingen die ik hier zag, begin jaren zeventig. Ik was al geïnteresseerd in theater en improvisatiemuziek, maar dit overtuigde me dat ik eenzelfde richting op moest gaan.’

In het begin van zijn tienerjaren speelde Honsinger elke zondag klassiek repertoire in de kerken van Massachusetts. Een stichting van een overleden rijke man organiseerde de concerten voor en na de diensten door kerken in de hele staat. Hij deed podiumervaring op in klassieke orkesten. Na enkele jaren op diverse conservatoria vertrok Honsinger op zijn 19de naar Montreal in Canada. Daar beleefde hij een ‘verlichtend moment’. ‘Een kennis vroeg mij en wat anderen om muziek te maken bij zijn toneelstuk. Ik vroeg wat hij wilde dat we deden. Nou gewoon, speel maar. Zo begon het. Ik veranderde van een interpreteerder in een improviserend muzikant.’

Het kostte Honsinger flink wat jaren voor hij zich daarin op zijn gemak begon te voelen. Eerst moest hij zijn klassieke techniek deconstrueren. ‘Ik was geconditioneerd. Ik hoorde dingen in mijn hoofd die ik wilde spelen, maar ik kon het niet. Ik moest die klassieke frasering kwijtraken. Daarvoor heb ik mezelf een totaal nieuwe techniek moeten leren. Ik heb keihard gewerkt.’ Wat studeerde hij dan om beter te kunnen improviseren? ‘Ik improviseerde voor mezelf, de hele tijd. Dat is de enige manier. Ik had geen voorbeeld op mijn instrument.’

Er waren een paar cellisten in de traditionele jazz. In de New Yorkse freejazz nog wat meer. Maar Honsinger wilde dan wel improviseren, zijn bedoelingen lagen niet in de nog altijd vrij strak omkaderde jazztraditie. ‘Muziek waar van tevoren al van vast staat waar het heen moet gaan; zo’n ritmisch doordenderende trein waar je in stapt, dat vind ik niet interessant.’

Honsinger heeft zich dan ook nooit afgevraagd of zijn instrument wel geschikt was voor wat hij wilde doen. ‘Veel van mijn collega’s proberen de cello te transformeren. Door de stemming te veranderen of elektronische effecten toe te voegen.’ De bekende Nederlandse cellist Ernst Reijseger bespeelt zijn instrument zelfs als een gitaar en gebruikt het als percussie. ‘Ik gebruik het ding voor wat het is. Waar het voor is gebouwd. Maar ik probeer wel het geluid te transformeren. Ik wil dat hij als een mannenstem kan klinken, als een altsax of als een vis die uit het water springt. Dat kun je prima akoestisch doen, er zijn geen beperkingen.’

Hij doet een poging zijn sjekkie opnieuw aan te steken. ‘Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik dicht bij mijn instrument sta. Ik speel gewoon.’

Je hoort bij Honsinger inderdaad de cello in al zijn glorie. Maar wel met bijzondere klankeffecten, bizarre uitvergrotingen en een sound die op een positieve manier door merg en been kan gaan. Niemand kan zo zagen als een bezetene. De paardeharen van zijn strijkstok breken in hoog tempo en hangen er vaak wild zwabberend bij. Maandelijks moet hij zijn stok opnieuw laten opspannen. Tijdens intensieve tournees vaker.

‘Dat komt door mijn techniek. Ik speel voornamelijk met het gedeelte van de stok dat dicht bij je hand zit. Het maakt dat je stevig kunt fraseren en je krijgt er een groot geluid van. Jazzviolisten en –cellisten spelen juist met de punt van de stok. Dan krijg je die lichte frasering van bijvoorbeeld Stephane Grappelli. Dat trekt me niet zo. Ik hou meer van Roemeense zigeunerswing.’

De composities van Tristan Honsinger kenmerken zich door hun eenvoud. Bijna kinderlijk zijn ze soms, maar tegelijkertijd pakkend ingenieus. ‘Als je voor een improviserende groep schrijft moet je het simpel houden.’ Zijn eerste stukken schreef de cellist toen hij begin jaren tachtig in Italië woonde, geïnspireerd door de vocale liedcultuur van het land. Hij was een beetje moe geworden van de totale vrijheid die in de jaren zeventig heerste in de improvisatiemuziek. ‘De muziek werd er eigenlijk veel geslotener van. Men neigde toch naar een traditionele rolverdeling met solisten en begeleiders.’

Honsinger houdt ervan als de verdelingen helemaal open liggen. De ervaren improvisatoren in zijn nieuwe Strijkorkest, onder wie de violisten Stefano Lunardi en Mary Oliver, bassisten Jean-Jacques Avenel en Joe Williamson en de stuwende Zuid-Afrikaanse drummer Louis Moholo vormen een bron van combinaties. Het brandpunt van de muziek zal zich voortdurend door de groep verplaatsen, en zich soms op meerdere plekken tegelijk bevinden. ‘Elk instrument is gedubbeld, dus er is lekker veel power. Ongeveer 40 procent van wat je hoort, zal genoteerd zijn, de rest geïmproviseerd. Daarin heeft ieder een onafhankelijke rol. Er zullen onherroepelijk vergissingen en verrassingen ontstaan. Daar is het voor ontworpen.’

En als de zaak dreigt vast te lopen heeft Honsinger zijn ‘non-muziek’ paraat: zijn fysieke en verbale erupties. ‘Wanneer je als groep door de muziek in een hoek bent gezet, dan kunnen dat soort acties als een vonk fungeren. Het gaat daarbij om de timing. Ik denk niet dat goede muziek alleen maar gemaakt wordt met muziek. Het heeft ook non-muziek nodig.’

Hier trekt Honsinger de lijn naar Wim T. Schippers. ‘Als je in een alledaagse situatie iets toevoegt dat niet normaal is, dan kan wat eerst gewoon leek surrealistisch worden en het vreemde wordt normaal. Dat vind ik enorm interessant. Ik noem dat zachte misdaad. Fucking around with normality. Het is prachtig, want dingen verliezen hun betekenis. We stellen ons als mensen van alles voor bij wat we in het dagelijks leven doen, maar eigenlijk is dat slechts fantasie. De praktische werkelijkheid verloopt volgens heel andere wetten. Dit is een mooie paradox.’

‘Een rare actie tijdens de muziek betekent aan één kant niks. Maar op een associatief niveau kan het diepe betekenis hebben. Iedereen kan het anders interpreteren. Het publiek verschilt er ook van mening over. Dus het is niet iets wat je doet ten overstaan van het publiek, het is iets voor het publiek om actief in te zijn.’

Gek doen voor de lol of het toepassen van gimmicks, daar houd Honsinger niet van. ‘Het idee dat iets altijd werkt, dat vertrouw ik niet. Sommige mensen wel, die maken zo hun muzikale taal. Voor mij is er geen ideale manier waarop dingen moeten gaan. Ik kan vandaag op de ene manier denken en morgen op een andere. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat de piraat eerst naar de bar gaat om te zuipen en dan pas door de wind wordt gegrepen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden