Hoe een 'eenvoudig volk' een wonder schiep

In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden valt iets na te voelen van wat Jean Louis Burckhardt in 1812 onderging: de rijkdom van de verborgen stad Petra.

Op een verzengende augustusdag in 1812 verscheen een onbekende man te paard met wit gewaad, tulband en woeste baard in een rotsvallei in het zuiden van Jordanië. De vreemdeling sprak Arabisch met een uitheems accent. Hij had een geit bij zich.

De geit wenste hij te offeren bij het graf van Harun (Aaron), de broer van Musa (Mozes), op de berg. Of de bedoeïenen hem door hun geheime kloof konden begeleiden.

Ze waren achterdochtig. Wat deed deze vreemdeling in hun verborgen verblijfplaats? Zocht hij soms naar schatten? Was hij een tovenaar? Maar iemand een offer weigeren - dat kon niet.

De man volgde de bedoeïenen. Ze betraden de duisternis van de rotsschacht, de Siq (kloof), die naar hun dorp leidde. Af en toe lichtten zonnestralen het geel, roze en rood van het zand en de stenen op, aan de randen van de kloof. De man had het warm, hij leek nerveus.

De weg kronkelde. Meer dan een paar meter vooruit kon hij niet kijken. Tot er bij de zoveelste bocht plotseling licht verscheen. Door een haag van jeneverbesstruiken zag de man een 40 meter hoge en 25 meter brede poort van roze steen met zes perfect bewaard gebleven pilaren in Korinthische stijl en een timpaan vol afbeeldingen van goden en godinnen.

De vreemdeling liet niet merken dat hij wist wat hij zag. Later zou hij zijn vondst uitbundig in zijn dagboek optekenen. De poort voor zijn ogen was Al Khazneh, de Schatkamer, zoals lokale Arabieren de graftempel van koning Aretas III van het mysterieuze volk der Nabateeërs uit de 1ste eeuw v. Chr. noemden.

Jean Louis Burckhardt, de 28-jarige Zwitserse avonturier reizend onder de schuilnaam sjeik Ibrahim, had de verdwenen woestijnstad Petra herontdekt.

Paar procent

Twee eeuwen en eindeloos archeologisch graafwerk later is slechts een paar procent van de geheimen uit de grond en rotsen van Petra blootgelegd en ontrafeld. Daarvan is een deel vanaf 8 oktober te zien op de expositie Petra - wonder in de woestijn in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Vanaf de herontdekking in 1812 hield het archeologen in de ban. Wie waren die Nabateeërs? Waarom een stad bouwen in het midden van een woestijn? Halverwege de Rode en de Dode Zee, op een plaats waar zomertemperaturen de 50 graden passeren en winters een zondvloed van ijswater brengen? Een plaats waar dagelijks drinkwater schaarser dan schaars is?

Lang werd gedacht dat Petra een soort dodenstad was, vanwege de overdaad aan graven, tempels en offerplaatsen. Maar de afgelopen decennia werd uit voornamelijk Amerikaans, Duits en Frans onderzoek duidelijk dat de Nabateeërs met zo'n 20 duizend zielen wel degelijk in Petra woonden. Een belangrijk deel van hen leidde zelfs een luxueus en onverwacht comfortabel leven, zo midden in de woestijn. Met tuinen, fonteinen en een koninklijk paleis waar vloerverwarming noch doortrekkende toiletten ontbraken.

De Nabateeërs waren Arabieren van nomadische origine. Van seizoen tot seizoen bewogen ze door de uitgestrekte rotswoestijnen van Noord-Arabië met hun tenten en kuddes, op zoek naar water en verse weide. Vanaf de late 4de eeuw vestigden ze zich in het gebied rond Petra.

De Griekse geschiedschrijver Diodorus is de eerste die melding maakt van 'een eenvoudig volk' dat kamelen, schapen en paarden hield, in tenten leefde en - hun belangrijkste kenmerk - dat de geheimen van de woestijn kende. Alleen de Nabateeërs wisten waar zich verborgen waterbronnen bevonden. Zij waren moedig en sterk, aangezien zij verscheidene malen de aanvallen van Griekse en Perzische vorsten wisten af te wenden met hun krijgskunst.

Zoals Burckhardt zich op zijn reizen in het Nabije Oosten vermomde als Arabier en belijdend moslim, zo deden de Nabateeërs zich tweeduizend jaar geleden voor als verwesterde Arabieren: als volk op het kruispunt van culturen en tradities, aanpassingsgezind en thuis in westerse gewoonten.

De heersers van Petra - vrijwel allen Aretas geheten - verzamelden hun welvaart van de 2de eeuw v. Chr. tot de 1ste eeuw n. Chr. uit de internationale karavaanhandel in wierrook en specerijen van India naar Rome. In een poging zich als gelijkwaardige partners voor de Romeinen te presenteren, hadden zij zich de mores, stijl en smaak van het Westen eigen gemaakt, zo wordt gedacht. Daarom lijkt Petra, net als Jeruzalem, te zijn gebouwd als westerse stad.

Het is te zien aan de afgebeelde goden, die zowel Egyptisch, Grieks als lokaal zijn. Zo staat een lokale zeegodin met dolfijnen als haren naast de verfijnd uitgehouwen Isis en Dionysus. Anderzijds verschijnt de eigen oppergod Dushara geheel in de Arabische sobere traditie veelvuldig in de vorm van een stenen pilaar met meer schematische gelaatstrekken.

Op munten worden de vorsten steevast Grieks-hellenistisch afgebeeld, compleet met lauwerkrans. Tempels en paleizen combineren de westerse uitbundigheid met minimalistische Arabische decoraties: mannelijk spiergeweld naast olifantenkoppen.

De Nabateeërs - die een dialect spraken verwant aan het Aramees (de taal van Jezus) - kenden als nomadenvolk de geheimen van de woestijn. Ze wisten zich via een handelsmonopolie op de karavaanroutes een ontzaglijke rijkdom eigen te maken die in de razendsnelle stichting van de glorieuze rotsstad Petra (Grieks voor steen) resulteerde.

Het mysterie van de Nabateeërs schuilt in hun omgang met water: een zeldzaam waardevolle grondstof in de woestijn. Via een ingenieus irrigatiesysteem met kilometers keramieken pijpleidingen en aquaducten wisten ze bergwater op te vangen en in grote bekkens te bewaren. Daardoor raakten zij 's zomers niet verstoken van water. Ze bouwden een dam bij de ingang van de Siq om te voorkomen dat de toegangsweg kon overstromen - wat in de winter nog wel eens gebeurde. En vooral wisten ze in de woestijn water te vinden waar niemand anders dat kon.

Hoe de Nabateeërs hun sleutelrol in de karavaanhandel verwierven, is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk begonnen zij als woestijnrovers van diezelfde handelskonvooien waarvoor zij zich later als beschermers opwierpen.

Per dromedaris werden producten als wierrook, mirre, specerijen, goud, oliën, zeeklei, teer - nodig voor het bewerken van mummies - en textiel uit India of delen van Arabië over duizenden kilometers zandvlakte naar de havens van Gaza en Alexandrië aan de Middellandse Zeekust gebracht.

Zo werden zij heersers van een gebied met Petra als hoofdstad, dat zich in de hoogtijdagen (de 1ste eeuw v. Chr.) uitstrekte tot aan Damascus in het noorden.

Adembenemend

Voor elke bezoeker aan de oude stad Petra ligt er ten minste één adembenemend moment in het verschiet. Als het de bezoeker lukt om voorbijrazende ezeltjes met brullende bedoeïenen te negeren, kan hij zich bijna een ontdekkingsreiziger wanen. Wandelend door het duister van de Siq - de kloof die naar de verborgen ruïnestad leidt - kronkelt hij bocht na bocht naderbij, met weinig meer dan een streepje blauw van de lucht boven zich.

En dan, eindelijk, terwijl de ogen voorzichtig wennen aan het felle ochtendlicht, doemt daar Al Khazneh (de Schatkamer) op: de ingang naar Petra. De enorme, eeuwenoude graftempel kleurt in de vroege morgen prachtig rood-roze. Terwijl de schaduw van de rotswand over de zandstenen façade glijdt, zal zelfs de meest doorgewinterde archeoloog even moeten slikken bij zoveel schoonheid, grandeur en mysterie.

Menigeen kent het beeld uit de film Indiana Jones and the Last Crusade uit 1989. Het leek regisseur Steven Spielberg de ideale setting voor de geheime tempel en bewaarplaats van de Heilige Graal.

De Graal was er niet te vinden en een geheime schat - zoals een lokale legende wil - vooralsnog ook niet. Maar Al Khazneh is wel de toegangspoort tot de verholen gelegen stad waar zich jarenlang het steenhouwersvolk der Nabateeërs ophield.

Wandelend vanaf de Schatkamer betreedt de bezoeker het dal met koningsgraven, grotwoningen, tempels en een theater - allemaal uitgehakt in het zandsteen. Het moet jaren minutieus beitelen hebben gekost.

In het hart van het oude Petra bevindt zich de geplaveide hoofdstraat met aan weerszijden overblijfselen van luxe badhuizen, tuinen, een markt.

Tegen de heuvels moeten de rijkere burgers van Petra hebben gewoond in hun kleurrijk beschilderde villa's met weelderige tuinen. Na een klim van ruim een half uur bereik je de hoge offerplaats, waar de dieren - sommige onderzoekers menen mensen - naartoe werden geleid om te worden geofferd aan oppergod Dushara. Deze rituelen vonden 2.000 jaar geleden plaats tegen dezelfde achtergrond van misschien wel het allermooist denkbare uitzicht over een mistige woestijnvlakte, die als een soort maanlandschap bezaaid ligt met steile rotsformaties van zandsteen en graniet in alle mogelijke kleuren, van okergeel en roze tot donkerbruin en rood.

Een ommuring had Petra niet nodig. De ligging in het hart van een keteldal zorgde voor een natuurlijke bescherming tegen vijanden. De strategische ondoordringbaarheid, met slechts een smalle schacht als toegangspoort, maakte de stad vrijwel onneembaar.

Het was dan ook niet een vijandelijk legioen dat een einde aan de heerschappij van de Aretassen en hun volk maakte, maar een concurrerende handelsroute. De sterk verbeterde navigatie over de Rode Zee en de Nijl vanaf de 1ste eeuw n. Chr. draaide de karavaanhandel de nek om. Na een reeks aardbevingen omstreeks de 4de eeuw raakte Petra volstrekt in de vergetelheid: een stad waarvan men gehoord had, maar waarvan men niet wist waar hij lag.

De enigen die de stad bleven kennen waren lokale bedoeïenen, die in het verlaten keteldal hun tenten opzetten en in de winter hun intrek in de rotswoningen namen. De weg naar het dal was hun goed bewaarde geheim.

Tot de jonge ontdekkingsreiziger Burckhardt in 1812 als eerste Europeaan het woestijngeheim weer blootlegde - met een stoet archeologen in zijn kielzog.

De jonge Zwitser had zich op zijn tocht naar de Levant terdege voorbereid. Om te wennen aan onbarmhartige woestijntemperaturen probeerde hij thuis tijdens een hittegolf urenlang onbeschermd op het heetst van de dag in de volle zon te wandelen. Hij at slechts planten die hij onderweg vond en dronk zo min mogelijk water.

De woestijn overleefde hij, maar oud werd hij niet. Hij stierf, amper 32, in Cairo. Aan een ziekte die hij ook in Basel had kunnen oplopen: dysenterie.

TENTOONSTELLING

De tentoonstelling Petra - wonder in de woestijn is van 9 oktober 2013 t/m 23 maart 2014 te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De expositie bestaat uit 150 archeologische objecten die zijn gevonden in de woestijnstad van de Nabateeërs. Reliëfs met dieren- en plantenmotieven, portretten van goden, godinnen en fabeldieren, levensgrote beelden en sierlijk bewerkte staan opgesteld naast en tussen foto's en een 3D-installatie van Petra.

rmo.nl

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden