Hoe de paap zijn grenzen ontdekte

In de loop van de 19e eeuw begon de vanzelfsprekende almacht van de Katholieke Kerk in Zuid-Nederland te tanen. Voor het eerst moest er worden gestreden om stemmers, leerlingen en krantenlezers....

In het streng-katholieke Roermond van rond 1870 woonden ook liberalen. Een van hen had zijn vier honden naar de plaatselijke kapelaans vernoemd. 'Boermans, zit!', riep hij graag als hij ze uitliet.

Niets ongewoons in die tijd, vertelt historicus drs. Hans Verhage, die het voorval citeert van een voormalig leraar uit de Limburgse stad. 'Een beetje priestertje pesten.'

De historicus wil maar zeggen: het stereotiep dat in Zuid-Nederland in de 19de eeuw slechts vrome, conservatieve paapsen woonden, klopt niet. Onder invloed van de steeds verder voortschrijdende invloed van de nationale overheid op bijvoorbeeld scholen, van ingrijpende natievorming, en van industrialisering, modernisering en de komst van de trein, begonnen de vaak geïsoleerde katholieken zich bewust te worden van de buitenwereld. En dat leidde soms tot felle onderlinge conflicten.

Op 7 maart promoveert Verhage aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Katholieken, Kerk en Wereld (Uitgeverij Verloren, euro 30), over de invloed van zulke fricties op de katholieke gemeenschap in het zuiden. Hij bestudeerde in het bijzonder de Limburgse bisschopsstad Roermond en de Brabantse arbeidersgemeente Helmond. Wat hij ontdekte, was een langzame en onwillige erkenning van de clericale autoriteiten dat er naast de almachtige Kerk ook nog een Wereld was, waarover ze niets hadden te zeggen.

Het betekende een belangrijke fase in de ontstaansgeschiedenis van het verzuilde Nederland. Verhage, tegenwoordig leraar geschiedenis aan het Vossius gymnasium in Amsterdam, noemt het 'een tussenstap' tussen het alomtegenwoordige katholicisme van begin 19de-eeuw, en de verzuilde maatschappij een eeuw later.

Op lokaal niveau gaf de kerk zijn monopolie op het 'algemeen belang' prijs, aldus de promovendus.

In Roermond begon dat al vrij vroeg, zo rond 1870. De katholieke kerk had hier van oudsher een sterke positie. Van de bevolking was 95 procent katholiek. Bovendien had de Nederlandse overheid er slecht wortel geschoten, omdat de stad na 1790 afwisselend tot Oostenrijk, Frankrijk, Nederland, België en de Duitse Bond had behoord. De kerk was in die moeilijke tijden de enige houvast van de bevolking geweest.

Tegelijkertijd was Roermond - een kleine tienduizend bewoners in 1870 - een belangrijk diensten- en handelscentrum, waardoor er een aanzienlijke middenklasse woonde. De leden daarvan beschouwden zich als verlichte, liberale katholieken die weinig moesten hebben van de kerkelijke invloed op het openbare leven.

Het geloof was voor hen een privézaak. In het derde kwart van de eeuw leverde dat veel conflicten op tussen de kerk en 'de anticlericalen'.

De kerk was aanvankelijk in staat haar macht over het openbare leven te behouden, vooral door zich gematigd op te stellen. J. A. Paredis, tussen 1853 en 1886 bisschop van Roermond, speelde daarbij een centrale rol.

Deze vaderlijke autoriteit liet een openbare school toe, maar zorgde er voor dat broeders er les gaven. De anticlericale toneelclub La Société Dramatique holde hij uit door een nieuwe club te stichten waar de meeste liberale notabelen en intellectuelen zich ook wel thuis voelden. Slechts enkele querulanten bleven over, volkomen gemarginaliseerd, zegt Verhage.

De promovendus noemt dit 'integrale' conflicten: de leiding van Gods huis stond niet ter discussie, tegenstanders werden weggespeeld. 'Maar rond 1875 was die tactiek niet meer haalbaar.'

In dat jaar richtten radicale, antikerkelijke liberalen een eigen kiesvereniging 'De Grondwet' op. De zo gematigde Paredis reageerde hier opeens ongekend fel op. Hij stuurde een brief rond waarin hij alle katholieken verbood op de liberalen te stemmen. Vervolgens richtte hij zijn eigen 'RK Kiesvereniging' op. Die probeerde de ander niet meer uit te hollen, maar stelde zich op als tegenstander, met een alternatief programma.

Dat was een belangrijke ontwikkeling, benadrukt Verhage. Het 'integrale conflict' was een 'grensconflict' geworden: de bisschop erkende impliciet dat er een andere partij was met wie hij strijd moest leveren over wat nog tot het domein van de kerk behoorde. De ruzie escaleerde uiteindelijk tot een soort mini-verzuiling tussen confessionele en liberale katholieken, elk met hun eigen kiesvereniging, krant en middelbare school.

In Helmond vond Verhage een soortgelijke ontwikkeling, die zich alleen veel later afspeelde. Helmond bestond lange tijd uit een kleine, rijke toplaag van katholieke en protestante fabrikantenfamilies en een zeer grote, arme onderlaag van katholieke arbeiders. Die werkten in de plaatselijke weverijen en vanaf 1870 in de metaalindustrie. Omdat er geen progressieve middenklasse bestond, bleven in Helmond de pastoor en de deken lange tijd de publieke opinie bepalen.

Pas na 1900, toen de fabrieken professionaliseerden, tekende zich een burgerlijke klasse af. Onder leiding van de journalist Jos van Wel (1881-1957) ontstond een alternatieve sociale beweging, met een eigen kiesvereniging ('Gemeentebelang') en een 'werkliedenbeweging' van onder meer metaalbewerkers en typografen. De aanhangers van Van Wel waren geen liberalen, zegt Verhage, maar burgerlijke katholieken die van de leiding van de conservatieve clerus af wilden.

In 1917 is Van Wel wethouder en zijn de burgemeester en de andere wethouder op zijn hand. Als Den Haag in dat jaar voorstelt de openbare Rijks-HBS in Helmond om te zetten van een driejarige in een vijfjarige cursus, plegen B. & W. voor het eerst geen overleg met de deken. Die is zo verontwaardigd - de wethouder heeft volgens hem de 'ongemanierdheid' van een arbeider - dat hij zijn eigen school opricht. Opnieuw, zegt Verhage, een erkenning van het bestaan van een wereld buiten de kerk.

Het is een ontwikkeling die waarschijnlijk ook andere gemeenschappen in Nederland doormaakten, meldt de historicus in zijn slotbeschouwing. De orthodox-protestante politicus Groen van Prinsterer strijdt rond het midden van de 19de eeuw nog vergeefs voor een openbare school die uitsluitend op protestante leest is geschoeid. Zijn opvolger Abraham Kuyper erkent later dat er openbare én protestante scholen bestaan; hij vraagt alleen subsidie voor de protestanten.

Het lijkt wel alsof de Nederlandse geloofsgemeenschappen zich in de loop van de 19de eeuw steeds meer in hun eigen 'zuil' gaan opsluiten, erkent Verhage, die zelf geen katholiek is, noch uit het zuiden komt. Maar wat daarachter ligt, benadrukt hij, is een toenemende tolerantie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.