Hoe de feiten de verbeelding perverteerden

Historische gebeurtenissen, collectieve ervaringen verwerken in een roman, die werkwijze is typerend voor de Amerikaanse literatuur. Ieder tijdperk kent zijn 'Great American Novel'....

ALS ERGENS TER wereld een ramp gebeurd is, of een serieus conflict is uitgebroken, hebben verscheidene Amerikaanse televisiestations de gewoonte hun nieuwsbulletins daarover vooraf te laten gaan door een waarschuwing aan de kijker. Of het dinsdag opnieuw zo gegaan is bij de grote networks weet ik niet, maar bij eerdere gelegenheden heb ik de nieuwslezer menigmaal horen zeggen: 'Opgepast, er komen zo meteen beelden die u misschien niet wilt zien. Ze zijn gruwelijk en, wat meer is, die beelden zijn echt.'

Op ons, Europeanen, maakt een dergelijke 'kijkinstructie' een eigenaardige indruk. De verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding, tussen geschiedenis en dramatisering, en de functie die de verbeelding en a fortiori de kunst heeft als het om het begrijpen van de werkelijkheid gaat, is ons met de paplepel ingegoten. Wie, zoals veel Amerikanen, echter opgegroeid is met een weelde aan televisiekanalen, die vierentwintig uur per dag afwisselend shows, speelfilms en nieuwsreportages uitzenden, heeft misschien wel zo'n verhelderende waarschuwing nodig, want die programma's lijken vaak met elkaar te wedijveren in het verbeelden van narigheid.

Het ene moment zie je auto's van onbescheiden afmetingen verwikkeld in een achtervolging en blijkt het een film, het andere moment ben je getuige van het live-verslag van een reële politieactie met dezelfde ingrediënten. Iemand trekt een sprintje over de bekende metropolitaine hoogbouw en springt van het ene dak op het andere: fictie; vijf minuten later doet iemand precies hetzelfde en is het echt. Alleen de geroutineerde kijker kan, aan de hand van de stabiliteit van de camera en het tempo van de montage, beslissen wat de status is van wat hij ziet: wiebelt het en is het vertoonde betrekkelijk traag, dan is het nieuws.

In de straatinterviews met buurtbewoners en mensen die de dans waren ontsprongen, domineerde de afgelopen dagen één type beeldspraak: wat die mensen hadden meegemaakt, noemden zij 'surrealistisch', 'onwerkelijk' en ze vergeleken het dikwijls met griezelige films die ze vroeger hadden gezien. Zelfs in Europa, op veilige afstand, worstelden kijkers met een lawine van oudere beelden, vergelijkbare scènes uit speelfilms. Wat zij daar beleefd hadden en wat wij hier te zien kregen, leek meer op een product van de fantasie dan op de werkelijkheid. Wie nog wou bestrijden dat we in een beeldcultuur leven, kan nu beter even zijn mond houden; maar tegelijkertijd kan wie relativerend wil doen over de behoefte aan analyse, duiding en verheldering van de woordcultuur, nu beter even een blokje om gaan. Wij weten niet goed wat wij zien, wij geloven onze ogen niet.

Een vliegtuig dat iets doet dat het tot dusverre alleen in de beroerdste Hollywood-films deed, een immens gebouw dat ineens versuft door zijn enkels zakt, Manhattan onder een wolk van rook en stof: plotseling is het geen film meer, maar nieuws. De verbeelding wordt weggejaagd door de geschiedenis en er zal meer verbeelding voor nodig zijn dan nu beschikbaar is om het ten volle te begrijpen.

Mensen bungelend aan de gehavende raamkozijnen van een wolkenkrabber, als zwaluwen aan een gevel, veertig, vijftig verdiepingen boven straatniveau: het is een van de scènes die vanaf heden wereldwijd in het geheugen van hele generaties mensen gegrift staat. Zelfs als je geen last hebt van hoogtevrees, was het een huiveringwekkend gezicht, goed voor nog jaren nachtmerries. The Washington Post zette de foto op zijn site - en er was geen twijfel mogelijk aan de werkelijkheid van dat beeld en de opdoffer die het ons verkocht. Wat zich op dat moment achter die gevels heeft afgespeeld, weten we nauwelijks - er zijn enkele berichten van ontredderde laatste telefoongesprekken -, maar vaststaat dat de verbeelding nog jaren nodig zal hebben om maar in de buurt van de werkelijkheid te komen. Wie het meemaakte, zal het niet navertellen.

'Amerika is in het hart getroffen', zei de heer Kok van de week in zijn eerste reactie - en dat is waar. Die twee immense constructies van glas, beton en staal daar aan de zuidelijke rand van Manhattan behoren tot de verzinnebeelding van Amerika, tot de logo's van een cultuur. Ze bepaalden de skyline van Manhattan en die zal nooit meer dezelfde zijn. Ook al hebben die twee torens daar nog geen dertig jaar gestaan, iedereen die met het silhouet van New York vertrouwd is, zal ze tot in lengte van dagen blijven weten, domweg doordat hij ze mist. Zijn is waargenomen worden, maar wat er niet is, kan nog wel degelijk geweten worden.

Hoeveel van dergelijke gebouwen heeft Amerika, hoeveel New York? Zeg Amerika, dan zeg je New York - en zeg je New York, dan zeg je Chrysler Building, Empire State Building en de Twin Towers. Twee van die vier zijn weg. Beeld en zelfbeeld van een tweetal steden en dus van een land zijn danig gehavend, misschien wel gehalveerd. 'God's own country' heeft een litteken opgelopen.

De Amerikanen hebben, als het om dood en verderf ging, veel meegemaakt, in de negentiende zowel als in de twintigste eeuw, maar nooit eerder zijn zij op eigen grondgebied door krachten van buiten aangevallen. Het woord 'oorlog' viel dinsdag meteen, zelfs het begrip 'derde wereldoorlog' leek even inhoud te krijgen. Zo'n oorlog heeft zich voor de Amerikanen altijd ver weg afgespeeld, op de akkers van Europa of in de binnenlanden van Azië, desnoods in de zandbak van het Arabisch schiereiland. Gebombardeerde gebouwen, machteloos fladderende mensen, rook en stof over de hele stad, de chaos die een luchtaanval veroorzaakt - zij hadden er geen directe ervaring mee. Nu ze die ervaring opdeden, geldt die meteen de symbolen van hun kracht, macht, vrijheid en welvaart. Wij zagen dat veraf gebeuren, hen trof het voluit.

IN DE collectieve verbeelding van Amerika, in de vaststelling en uitwerking van een zelfbeeld, hebben twee artistieke genres gedurende de twintigste eeuw een doorslaggevende rol gespeeld: de film en de roman. Anders dan in Europa, waar de literatuur een millennia oude traditie heeft en iedere schrijver hooguit kan hopen een kleine bijdrage aan of correctie op het zelfbeeld te kunnen leveren, en waar de visuele verbeelding een minstens zo lange traditie heeft, spelen visuele en narratieve verbeelding in Amerika nog maar betrekkelijk kort een rol. Als dienaren van de geschiedenis zijn ze nog maar net in functie.

Een niet van ambitie gespeende Amerikaanse romanschrijver krijgt vroeger of later wel de drang of de uitnodiging zich te gaan bezighouden met 'TheGreat American Novel', de roman die de essentiële ervaring van een land en een volk bij een bepaalde gebeurtenis of op een zeker moment probeert vast te leggen. 'The Great European Novel' bestaat niet; vanaf de Ilias wordt een collectieve ervaring eindeloos aan de kracht van de kunst, aan de weging en duiding van de schrijver onderworpen; hoeveel romans zijn er niet over de Tweede Wereldoorlog, hoeveel niet over de Eerste? Niemand veinst het laatste woord te kunnen hebben, niemand ambieert ook zo'n weidse blik op te brengen.

In de Amerikaanse literatuur is dat anders; 'minder meegemaakt', ben je geneigd te zeggen, 'minder traditie' in ieder geval. De Amerikaanse literatuur van de twintigste eeuw geeft een hele reeks 'Great American Novels' te zien, ieder tijdvak, iedere doorslaggevende ervaring leverde er wel enkele op. Dat begint al bij John Dos Passos en Scott Fitzgerald, in de jaren twintig en dertig, met hun onderscheiden schilderingen van de dynamiek en de rijkdom van de grote stad. Dat gaat door tot op de huidige dag.

In zijn roman The Beauty of the Lillies probeerde John Updike enkele jaren geleden de literatuur te gebruiken om de twintigste eeuw in de Amerikaanse geschiedenis te begrijpen. Hij liet, aan het begin van die eeuw, een dominee van zijn geloof vallen toen die oog in oog kwam te staan met de nieuwigheid van die eeuw, de film. Hij opperde dat de film, de verbeelde werkelijkheid, de plaats van de volksreligie ging innemen in die eeuw - en eindigde zijn schildering met de televisieverslagen van de brand in Waco, Texas, waar een religieuze sekte in vlammen op ging. De collectieve ervaring van een volk, een natie, werd bepaald door een gemeenschappelijk visueel referentiekader - en dat werd uitgelegd in een roman, een verhaal.

Het is een werkwijze die typerend is voor de Amerikaanse literatuur. De cyclus romans die Philip Roth in de jaren negentig schreef, van American Pastoral, via I Married a Communist tot The Human Stain, hadden een vergelijkbare grote ambitie: begrijpen wat er gebeurd is door er een literaire vorm voor te vinden, van de desillusie van het McCarthy-tijdperk, tot de nog grotere desillusie van het Vietnam-drama tot de perverse farce van het Clinton-tijdperk. Don DeLillo deed met Underworld niet anders: de collectieve ervaring, vooral gevoed door een gemeenschappelijk arsenaal aan beelden, tot literatuur maken. Dat lijstje is gemakkelijk uit te breiden.

De Amerikaanse film, voorzover niet afhankelijk van de literatuur, heeft zich dikwijls verdiept in het mogelijke. Of het nu om horrorfilms ging of om scienceficton, onderzocht werd wat er zou kunnen gebeuren. Als altijd in Amerika waren de gebeurtenissen van deze week factoren dramatischer en angstaanjagender dan wie ook had kunnen verzinnen: de werkelijkheid ontmaskert de verbeelding. Er werden in de commentaren telkens enkele spannende boeken genoemd die de gebeurtenissen zouden hebben voorspeld, maar dat is onzin. Zo bont heeft een Tom Clancy het nooit gemaakt. Films als Towering Inferno worden met terugwerkende kracht belachelijk. De werkelijkheid perverteert de verbeelding van het mogelijke.

Die vier knallen van neerstortende vliegtuigen, dinsdag, en even later die drie van instortende gebouwen echoën nu al dagen over de hele wereld en ze zullen nog vele jaren blijven echoën in boeken en films.

Ze bewerkstelligen nog iets anders. 'The American Dream', opgebouwd in de negentiende en twintigste eeuw en culminerend in de Amerikaanse overwinning in de Tweede Wereldoorlog, overleefde het Vietnam-drama niet - al probeerde Reagan er even later nog goede sier mee te maken. Daar leek, na het einde van de Koude Oorlog in de vroege jaren negentig, een andere droom voor in de plaats gekomen. Dat is de droom van een redelijke gemoedelijkheid die hooguit door lokale narigheid in achterlijke landen nog kon worden verstoord. In het algemeen was de wereld het eens geworden over wat redelijk en wenselijk is.

Globalisering is homogenisering, het wegvallen van een gevaarlijke tegenstelling leidde tot het lamme cultuur-relativisme van het 'anything goes'. Als ik mij niet vergis, is daar nu met een paar rake klappen wel een einde aan gekomen. De politieke leiders van de wereld spraken deze week stoer en ongeremd over 'de verdediging van westerse waarden'. Je moet wel tot over je wenkbrauwen in je cultural studies zitten wil je daar nu nog iets op terug durven zeggen. Aan de sfeer dat er niets op het spel zou staan zolang het maar goed gaat met het postmodernisme en het neoliberalisme, is gewelddadig een correctie toegebracht.

'Mama, is dit nu het ergste wat jij, als het om geschiedenis gaat, ooit hebt meegemaakt', vroeg een kind dinsdagavond aan haar moeder. Die moeder en ik zijn beiden van na de oorlog, hebben vage herinneringen aan de moord op Kennedy; de inval in Praag, de Zesdaagse Oorlog, het uitbreken van de Golfoorlog, Kosovo - het staat ons allemaal helder voor de geest. Maar deze beelden slaan alles wat wij tot nog toe hebben gezien. Zonder ingrijpen van de verbeelding zullen ze onbevattelijk blijven - net als die oorlog van onze ouders waar we al een heel leven over lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden