Hoe beleeft een jonge Syriër de Dodenherdenking?

Zo kort opeen herdenken en vieren, zo kort ook na hun vlucht: voor de jonge asielzoekers in de Internationale Schakelklas is het knap verwarrend.

Rood-wit-blauwe vlaggetjes: de driekleur kennen de leerlingen van de schakelklas. Misschien lopen ze op 4 mei mee in de stille tocht.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

'Wat is er op 4 mei, behalve vakantie?', wil Marion Huisinga weten van de leerlingen uit de Internationale Schakelklas. 'Twee minuten geen geluid', zegt William (15) uit Syrië achter in het lokaal. 'Op 4 mei herdenken we', doceert Huisinga, 'de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog; maar ook de mensen die jullie zijn kwijtgeraakt.'

'Dus op 4 mei is er 's avonds feest?', vraagt Haidar (15) vertwijfeld. 'Ik moet me die dag om 18.00 uur melden bij de IND in Ter Apel.' Op Bevrijdingsdag begint voor de jonge Syriër en zijn moeder eindelijk de asielprocedure.

Het blijft verwarrend: herdenken en vieren, zo kort na elkaar, zo kort na hun vlucht naar een land dat voor hen nog onbeschreven is als het schoolbord.

Spontane toenadering

Huisinga (46) is vandaag even terug op haar oude middelbare school, het Kamerlingh Onnes in Groningen. Om het ijs te breken heeft ze dadels en Turks fruit meegenomen voor de tieners uit Syrië en Irak. Als onderneemster houdt ze zich bezig met taal en integratie. Voor de provincie Groningen heeft ze een project bedacht om vluchtelingen wegwijs te maken in de Nederlandse traditie van herdenken en vieren.

'Een heel actueel onderwerp, ook bij ons op school', verduidelijkt rector Sjouke Wouda voorafgaand aan de bijeenkomst. Het Kamerlingh Onnes maakte twee lokalen vrij voor 25 minderjarige vluchtelingen, van praktisch analfabeet tot goed opgeleid. Aan de muur hangen grote vellen met de Nederlandse benamingen voor dagen, maanden en seizoenen.

Eerst vormden de leerlingen uit de schakelklassen een eiland in de school. Nu zijn hun pauzes gelijkgetrokken met die van de andere leerlingen. De school hoopt zo het contact te bevorderen en wederzijds begrip te kweken. Nederlandse leerlingen namen al een kijkje in de noodopvang. 'Dat was best schrikken', aldus de rector. Na de meivakantie zijn de asielzoekers bij hen thuis uitgenodigd. Maar, zegt Wouda, spontane toenadering werkt vaak beter. 'Het tafelvoetbalspel is ons beste middel voor integratie.'

Niet onvoorbereid

'The camp'. Zo noemen de leerlingen hun noodopvang aan de Van Swietenlaan. 'Maar voor ons is dat een beladen term', legt Huisinga uit. 'In concentratiekampen zijn in de Tweede Wereldoorlog miljoenen mensen vermoord.' Ze hoopt de jongeren ertoe te verleiden op 4 mei mee te lopen in de stille tocht. 'Als jullie meelopen, krijgen mensen in Groningen misschien meer begrip voor jullie moeilijke situatie.' Voorzichtig gaan er een paar vingers de lucht in.

Helemaal onvoorbereid zijn de leerlingen niet. Docent Wout Timmer (57) las voor uit Het Achteruis en vertelde over de Jodenvervolging. Dat maakte indruk. 'De meesten wisten er helemaal niets van af.'

Wat er werkelijk in de hoofden van de tieners omgaat, blijft ongewis. Gevraagd naar hun vluchtgezelschap blijkt slechts één gezin compleet. Alaa (13) straalt ervan. Zijn glimlach verraadt in spiegelbeeld hoeveel klasgenoten een of beide ouders moeten missen.

Bewerkte roman

Voor hun veiligheid hoeven ze in Groningen niet te vrezen. Maar voor herdenken lijkt het nog te vroeg. En wat valt er precies te vieren, nu het bommen regent boven Aleppo? Mustapha (17) heeft het Groningse uitgaansleven verkend. Toch is vrijheid een relatief begrip, in een noodopvang met permanente bewaking en eten op gezette tijden.

Huisinga werkt voor het project samen met schrijfster Rosita Steenbeek. In haar boek Rose (2015) schetst ze de geschiedenis van haar oma, dochter van een Joodse moeder en Duitse vader. De Tweede Wereldoorlog spleet de familie. Huisinga bewerkte delen van de roman tot een hedendaags verhaal.

Vlucht, verlies, vooroordelen, verdeeldheid - de parallellen zijn duidelijk. 'Het meest persoonlijke is het meest universele', zegt Steenbeek. 'Ik hoop dat deze kinderen zich in mijn verhaal herkennen. Ook mijn personages moeten op zoek naar een nieuwe definitie van thuis.'

Toch kunnen beide werelden ook schuren. Over de Holocaust begint Huisinga vandaag niet. Bewust, zegt ze achteraf. 'Dat ligt zo gevoelig. Ik zoek liever toenadering dan verdeeldheid.'

Dus haalt ze aan het einde van de les - de dag voor Koningsdag - schmink uit haar tas. Rood-wit-blauw: de driekleur kennen de leerlingen inmiddels. Alaa, die na zeven maanden al liever Nederlands dan Engels spreekt, meldt zich meteen als vrijwilliger voor vlaggetjes op beide wangen. Huisinga: 'Ik hoop dat je dit land ook in je paspoort krijgt.'


Alaa (13), met zijn gezin uit Hama gevlucht

'Ik ben met mijn ouders, zusje en broertje naar Nederland gekomen. Het was een lange reis, via Turkije, Griekenland, Macedonië, Hongarije en Duitsland. 12 dagen. Met de bus, de trein, de boot, te voet. Toen we in Ter Apel kwamen was ik bekaf. Vooral aan de boot denk ik liever niet terug, zo hoog waren de golven.

Vroeger in Hama had ik een mooi leven. Ik had een fiets en een eigen kamer in ons mooie huis. We voetbalden en zwommen. Soms speelden we tot laat buiten. Na de zesde moest ik stoppen met school, het was door de oorlog niet veilig meer; onderweg kon ik gekidnapt worden.

Hier is het veilig en we hebben als gezin een kamer. Maar ik mis Syrië elke dag. Vooral opa en oma. Ik stuur ze foto's van mijn klas en van het meertje hier achter de opvang. We bellen via Viber, maar in Syrië werkt internet slecht en de stroom valt steeds uit.

Op 4 mei begint onze asielprocedure. Eindelijk, we hebben zeven maanden moeten wachten. Ik hoop echt dat we in Nederland mogen blijven. Het is wel wennen. Alles gaat net een beetje anders. In Syrië zaten er bijvoorbeeld geen meisjes in mijn klas. De taal is moeilijk, maar school is leuk en de mensen in Groningen zijn erg aardig. Elke dag komen er vrijwilligers naar de noodopvang om met ons te tekenen en te spelen.

Van de Tweede Wereldoorlog heb ik gehoord. Hitler wilde de Joden vermoorden en de politie hielp mee. Twee minuten stil zijn op 4 mei ga ik zeker doen. Maar waar ik aan ga denken weet ik nog niet. Op 5 mei is er een festival in het park. Ik hou van feest, maar het voelt oneerlijk. Mijn neefjes en vriendjes in Syrië zitten nog middenin een oorlog. Voor hen valt er niets te vieren.'

Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Jaap de Vries (81), zat als kind in Jappenkampen

'Vier, vijf, zes, ik weet niet eens meer in hoeveel kampen ik als jongen in Nederlands-Indië heb gezeten. Steeds weer werden we in grote vrachtwagens op transport gezet. Van kamp naar kamp, net als de kinderen nu.

Naarmate de oorlog vorderde, werden de omstandigheden steeds slechter. Toen ik tien jaar werd moest ik naar een mannenkamp, maar een man was ik nog lang niet. In de barakken sliepen we op britsen. De latrines waren gaten in de grond. Door de moesson was het kamp een grote modderpoel.

Dat blijft deze kinderen gelukkig bespaard. De opvanglocaties zijn schoon, er is genoeg te eten, ze kunnen naar school, ze hoeven de Jappen niet te vrezen. Maar een kamp is een kamp. Een doelloos bestaan. Als ik de beelden van de vluchtelingenstroom zie, denk ik: deze kinderen houden hier hoe dan ook een trauma aan over.

Na de oorlog werd ik als 11-jarige met mijn broers en zussen op een schip naar Holland gestuurd. Mijn moeder was overleden, mijn vader moest als militair het bezettingsleger in. In Amsterdam kwamen we in een weeshuis in de Volkerakstraat. Toen werden mijn broer en ik naar een pleeggezin in Groningen geplaatst. Daar werden we misbruikt. We dachten dat het erbij hoorde. Ik vraag me af of de meisjes in de grote vluchtelingenkampen wel veilig zijn.

Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Pas toen mijn tante door kreeg dat het niet pluis was, zijn we bij een fijn gezin gekomen. We gingen naar school, speelden krijgertje in de brandgangen. We waren wel de eerste zwartjes in de buurt en werden van alle kanten uitgescholden. Over Indië spraken we niet, maar we waren veilig.

Toen mijn vader terug was zijn we naar hem in Indië gegaan, en daarna weer terug naar Nederland. Hop, in de bus naar Breskens. We werden ondergebracht in een Romneyloods. Weer een kamp eigenlijk. Later woonden we in een hotel in Middelburg en een huis in Vlissingen.

Mijn vader kon geen werk vinden. Zo berooid wilde ik niet eindigen. Daarom ging ik als jongen van 17 varen. Als keteljongen mee naar Casablanca en Agadir. Een echt thuis had ik niet, maar wat een heimwee.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden