Historisch jongleren

Aan het boek zelf merk je verder niets. De last van veel geluk schetst van 1555 tot 1702 het beeld van de honderdvijftig jaren uit de vaderlandse geschiedenis die altijd zijn beschouwd als de meest beslissende voor het ontstaan van wat je een Nederlandse identiteit zou mogen noemen....

'Eigenheid' alom dus. En daarom des te verrassender om uit Van Deursens Woord vooraf te begrijpen dat het boek toch niet helemaal op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een door de uitgever getieerd plan voor een negendelige reeks.

De uitgever, lezen we in het voorwoord, 'wilde een serie boeken over de Nederlandse geschiedenis van het vroegste begin. Daar zijn afspraken voor gemaakt en de stof is verdeeld tussen een aantal auteurs. Deze band is deel uit die serie. Hij hoort dus thuis in een langere reeks, en zo moet hij beoordeeld worden. Zal er tenslotte een werkelijk geheel ontstaan, waarin dit deel een zinvolle plaats inneemt? Zolang er nog geen andere delen op tafel liggen laat zich dat niet beoordelen.'

Het klinkt laconiek, afstandelijk, en voor wie argwanend genoeg is misschien zelfs een beetje sceptisch: ontstaat er ten slotte wel een geheel? Het antwoord op die vraag zullen we niet eerder dan in het najaar van 2008 kennen, want dan pas liggen alle delen op tafel, en zal blijken of er voldoende redenen zijn om van een werkelijk nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden te kunnen spreken.

De vorige twee AGN's, zoals ze in de historische wandeling heten, waren respectievelijk in de jaren vijftig en de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw verschenen. De eerste telde twaalf delen, die nog altijd zeer degelijke naslagwerken vormen, de tweede (in vijftien delen) was in haar ver doorgevoerde gespecialiseerdheid op z'n zachtst gezegd nogal gebruikersonvriendelijk.

Het initiatief van nu dat de uitgever naar verluidt werd ingefluisterd door Cees Fasseur onderscheidt zich van de vorige vooral door de afwezigheid van een op voorhand (in meestal eindeloze vergaderingen) overeengekomen concept waaraan de deelnemende schrijvers zich in zekere zin moesten committeren.

Ditmaal lijkt van uitputtende redactiebijeenkomsten geen sprake te zijn geweest. Het is misschien niet zo langsde-neus-weggerig gegaan als Van Deursen in zijn voorwoord liet geloven ('daar zijn afspraken voor gemaakt en de stof is verdeeld over een aantal auteurs': alsof het in een achternamiddag was geklaard), maar men moet het betrekkelijk gauw eens zijn geworden over auteurs, periodisering en tijdschema, over de gezamenlijke ambitie om van prehistorie tot 20ste eeuw op een voor een groter publiek aansprekende manier de complete vaderlandse geschiedenis te ontvouwen in negen min of meer 'klassieke' geschiedboeken.

Geen dwingende voorschriften, niet zoiets als een 'statuut' dat de auteurs aan de teugel houdt, vertrouwen in de specifieke deskundigheid van de uitverkoren historici grote individuele vrijheid kortom. Met dat op het eerste gezicht gezonde en veelbelovende uitgangspunt is men een jaar of zes, zeven van start gegaan, en je kunt je voorstellen dat de verwachtingen hooggespannen waren. Maar Van Deursen heeft gelijk: of de beloftes zijn ingelost weten we pas in 2008.

De last van veel geluk de titel is ontleend aan een versregel van Geerten Gossaert zal straks deel 4 heten in de langere reeks, die wordt ingezet met een deel prehistorie door Louwe Kooijmans en twee delen 'Nederlandse' Middeleeuwen van respectievelijk Marco Mostert en W.P. Blockmans.

Zal Van Deursen voor die drie 'voorgangers' en voor de drie die chronologisch op hem volgen Mijnhardt over de 18de eeuw, Van Sas over 'de lange negentiende' en Bank over de 20ste (nog gezwegen van twee themadelen over kolonien economie die zijn voorzien) als een voorbeeld moeten gelden? Het zou ze niet hoeven ontsieren als ze de oude rot nog eens de kunst afkeken van het goed gestructureerde verhaal dat in moeite door vertelt, analyseert, duidt, samenvat. En haast ongemerkt nog ideologiseert ook.

Zijn anderhalve eeuw 'barstte' als het ware van politieke, sociale, culturele en vooral godsdienstige tegenstellingen. De kwestie van haec libertatis of juist haec religionis ergo waarmee de Opstand tegen Spanje moest worden gerechtvaardigd. De keuze tussen centraal gezag en gedecentraliseerde privileges. De frictie tussen monopolisme en vrije handel. Het voortdurend sluimerende (en tot vier keer toe tot uitbarsting gekomen) conflict tussen Oranje en de stedelijke regentenkaste. En het nooit helemaal tot op de bodem uitgevochten dispuut over een volledige gewetensvrijheid of een officieuze protestants-christelijke (lees calvinistische) theocratie.

Het vergt evenveel beheersing van de stof als stilistische evenwichtskunst om al die facetten van het bonte 16de-en 17de-eeuwse leven waarin het aankomende Nederland ook nog vrijwel permanent in staat van oorlog heeft verkeerd! in evenredigheid aan bod te laten komen en met elkaar in een zinnig verband te brengen.

Van Deursen volbrengt het huzarenstuk op een bijna vanzelfsprekende manier; je hebt geen moment het gevoel dat de schrijver buiten adem raakt van het intensieve jongleren. Over zijn eigen voorwoordvraag of zijn tijdvak straks een 'zinvolle plaats' blijkt in te nemen in het beoogde geheel, valt in termen van twijfel misschien nog wel wat te zeggen.

Hij was als rechtgeaard reformatorisch hoogleraar aan de Vrije Universiteit vermoedelijk een van de laatste 'verzuilde' historici in het land, en hij heeft dat nooit onder stoelen of banken gestoken. Hij brengt met andere woorden nadrukkelijk iets mee dat we sinds De lage landen bij de zee van Jan Romein onder geschiedschrijvers steeds minder vaak zijn tegengekomen, te weten een maatschappij-opvatting. Die wordt in De last van veel geluk weliswaar niet hinderlijk opgedrongen, maar die is er om de dooie dood niet minder om.

Aan de 'kop' van het boek daar waar van Blockmans deel over Nederland in de late Middeleeuwen een zachte, Bourgondische overgang naar Van Deursen moet worden gemaakt is er nog weinig van te merken. Maar aan de 'staart' des temeer.

Van Deursen eindigt niet met de gebruikelijke vooruitblik op Hollands politieke, economische en culturele neergang die zich in de 18de eeuw voltrekt, hij eindigt met de in calvinistische kring fel bestreden Friese theoloog en halve Cartesiaan Balthasar Bekker (1634-1698), en concludeert:

'Hij is niet zozeer de man die oud bijgeloof bestreed, als wel degene die in zijn wijze van exegetiseren een wegbereider was van de achttiende eeuw. Dat zou een eeuw zijn waarin de oude theologie door de rede van haar troon werd gestoten.'

En je kunt je afvragen of dat de soepelste opmaat is naar Mijnhardt die het blijkens de werktitel in deel 5 wil hebben over 'verval, verlichting en vernieuwing in de achttiende eeuw' en wiens tijdvak wordt afgerond in een a-religieuze revolutie.

Het pleit uiteraard voor Van Deursen dat hij alle vrijheid heeft genomen die hem door de uitgever was gegund. Maar helpt zijn hoogst persoonlijke boek ook aan het ontstaan van 'een werkelijk geheel'?

Het wachten is op 2008.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden