Historie geeft bewijs voor macht Koning

De elite wil de macht van de Koning beperken (Voorpagina, 22 april). Frits Korthals Altes ziet geen reden het stelsel te wijzigen (Forum, 9 mei)....

Joost Sillen

Allereerst geeft hij geen volledig beeld van de staatsrechtelijke positie van de Koning. Korthals Altes zegt dat de bevoegdheden van de Koning beperkt zijn. Hij heeft slechts de door Bagehot (oorspronkelijk voor de Britse Koning) geformuleerde rechten (raadplegen, aanmoedigen, waarschuwen). De regering heeft bij de grondwetsherziening van 1983 de positie van de Koning in dezelfde termen getypeerd. Van macht van de Koning is dan ook geen sprake, stelt hij.

De regering haastte zich echter erbij te vermelden dat deze rechten slechts opgeld deden in ‘de normale praktijk’. In de abnormale praktijk zijn de bevoegdheden van de Koning kennelijk anders. De Grondwet bevestigt dat. Naast het door Korthals Altes besproken artikel 42 (‘De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk’) beheerst artikel 47 de verhouding tussen ministers en Koning: ‘Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.’ Ontbreekt die dubbele ondertekening, dan is er geen wet of koninklijk besluit vastgesteld.

Van de bevoegdheid (ook niet) te tekenen, leert de geschiedenis, wordt door de Koning gebruikgemaakt. Van Wilhemina en Juliana zijn voorbeelden bekend waarin zij om die reden met ministers in aanvaring kwamen. Een bekend voorbeeld is het verzet van Juliana tegen het afwijzen van de gratieverzoeken van ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers.

De ministeriële verantwoordelijkheid is – anders dan Korthals Altes wil doen geloven – in de gevallen waarin de Koning niet wenst mee te werken aan een voorgenomen besluit, niet zaligmakend. De ministeriële verantwoordelijkheid kan de Koning immers niet dwingen toch zijn handtekening te zetten. Indien de Koning weigert een besluit te tekenen, moet de betrokken minister zijn ontslag aanbieden.

Dat is niet de enige oplossing. Een andere uitweg als zowel de minister als de Koning voet bij stuk houdt, werd premier Drees door Juliana voorgehouden. Toen zij weigerde de afwijzing van de gratieverzoeken te tekenen, schetste Drees haar de hierboven genoemde gevolgen. Daarop antwoordde zij: ‘Maar mijnheer Drees, dat hoeft toch helemaal niet, dan ga ík toch weg!’

Die opmerking raakt het hart van het probleem: een dergelijk conflict tussen minister en Koning leidt noodzakelijkerwijs tot een politieke en maatschappelijke crisis. De gratieverzoeken werden ten slotte door een nieuw kabinet, als gevolg van aanhoudende druk van Juliana en de wens van het kabinet een crisis af te wenden, ingewilligd. De Grondwet en deze geschiedenis leren dat de bewering van Korthals Altes dat de Koning geen macht heeft, in de zin dat hij besluiten van de regering kan doorzetten of tegenhouden, onjuist is.

Het tweede punt van Korthals Altes is fundamenteler. ‘Niet de invloed op het beleid telt, maar het beleid zelf’, declameert hij, vol lof over de invulling die koningin Beatrix aan haar taak geeft. Dat dáárom het koningschap wenselijk is, miskent echter het probleem. Er is niet enkel behoefte aan goed beleid, het is noodzakelijk dat de totstandkoming van dat beleid op een democratische wijze geschiedt. Het erfelijke koningschap waaraan de Grondwet bevoegdheden toekent, is niet te rijmen met het principe van democratie. Om die onverenigbaarheid behoort de discussie te draaien.

Joost Sillen

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden