Hirsi Ali gelooft in toveren

Ayaan Hirsi Ali stelde dat de Nederlandse ontwikkelingsbeleid is mislukt en hulp niet helpt. Stopzetten zou de enige logische consequentie van haar betoog zijn geweest, stelt Paul Hoebink....

Tweede Kamerlid Ayaan Hirsi Ali (VVD) legde deze week een direct verband tussen nefaste ontwikkelingen in Afrika en ontwikkelingshulp. Economische en sociale ontwikkeling in dit continent hollen achteruit, was haar analyse, en dus is de (Nederlandse) ontwikkelingssamenwerking een mislukking. Zo is er in haar ogen een direct verband tussen het geven van hulp aan Afrikaanse landen en de door haar geconstateerde ontwikkeling op dit continent.

Ontwikkelingshulp wordt daarmee gemaakt tot een tovermiddel tegen alle kwalen: hulp voorkomt conflicten, maakt een einde aan alle oorlogen, heft honger en ondervoeding op en helpt alle armoede de wereld uit. Nog beter: de Nederlandse ontwikkelingshulp kan dat helemaal op zijn eentje. Dat moet zo ongeveer je verwachtingspatroon zijn, als je constateert dat armoede, kindersterfte en corruptie in Afrika nog steeds voorkomen en dat daaruit blijkt dat het ontwikkelingsbeleid is mislukt.

Hulp lijkt, stelde Ayaan Hirsi Ali, 'op een uitkering aan een drankverslaafde vader met tien kinderen'. Het ontwikkelingsbeleid was dus in haar ogen mislukt. Haar bewijs: een boek van een hoge ambtenaar bij Buitenlandse Zaken dat aangeeft dat er sinds de onafhankelijkheid van Afrika alleen maar neergang te zien is.

Die magere bewijsvoering duidt op de eerste plaats al op onwetendheid. In dat, niet geheel onomstreden, boek gaat maar één hoofdstuk over ontwikkelingshulp en dat gaat juist niet over de effectiviteit van de hulp aan dat continent. De nieuwe VVD-woordvoerder baseert haar boude uitspraak dus niet op veel kennis en dat duidt op arrogantie. De betreffende ambtenaar stopte - en dat getuigde van een zekere lafheid - immers juist op het moment dat hij zijn ministerie zou moeten gaan analyseren.

Hirsi Ali's onwetendheid bleek uit meer. Zo meende ze dat de hulp aan Zuid-Afrika stop gezet moest worden, omdat daar 'schadelijk bijgeloof in stand gehouden wordt'. Er valt over het ANC-bestuur in Zuid-Afrika veel te zeggen, maar juist op dat terrein probeert het een gebalanceerd beleid te voeren. Het aardige is verder dat er in Zuid-Afrika met Nederlands geld onderzoek wordt gedaan naar zowel de wijze waarop traditionele genezers omgaan met psychiatrische patiënten, alsook naar de werking van medicinale planten.

Hulp kan dus maar een kleine bijdrage leveren aan ontwikkeling en heeft dat zelfs in Afrika gedaan. Zo zijn door inentingscampagnes ziektes verdwenen en is de kindersterfte teruggedrongen. Afrika leidt nu duizenden intellectuelen zelf op, waar er vroeger amper iets van een universiteit bestond. In de ecologisch kwetsbare zones van de Sahel, is op veel plaatsen de landdegradatie gestopt. En zo zijn er veel meer voorbeelden.

Er zijn natuurlijk ook veel mislukkingen in Afrika. Die zijn er in het leven zelf, in het economisch handelen en dus ook binnen de ontwikkelingssamenwerking. Die mislukkingen komen zelden voort uit goedwillendheid, veel meer uit het te zwaar doorwegen van allerlei commerciële en strategische belangen en de daarmee verbonden corruptie. Oprechte hulp is onder zulke omstandigheden hoogstens een katalysator die goedwillende regeringen, ministeries of organisaties uit de landen zelf op weg helpt, een steun in de rug geeft.

Dat betekent dat hulp, ontdaan van de eigenbelangen van de donor, succesvol kan zijn als ze slim en strategisch wordt ingezet. Dat maakt hulp geen tovermiddel, maar één van de nuttige instrumenten in de internationale samenwerking. Wie dan een directe relatie denkt te kunnen leggen tussen de resultaten van ontwikkelingshulp en de situatie op een continent en in specifieke landen, maakt een uiterst kromme redenering. Veel preciezer analyses zijn nodig. Daarin moet ook meegenomen worden, hoe de eigen exportbelangen en strategische overwegingen donoren hun hulp tot een 'giftig geschenk' maakten.

Succes van ontwikkelingshulp is verder mede afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van het hulpontvangende land. Als een land al veel hoog opgeleid kader heeft, in staat is eigen plannen te maken en hard te onderhandelen, zal hulp sneller effectief zijn. Het is niet verwonderlijk dat dé succesverhalen van de ontwikkelingshulp merendeels uit Azië (Taiwan, Zuid-Korea) en Latijns-Amerika komen.

Het meest bijzondere van Ayaan Hirsi Ali's betoog in de Kamer was nog dat ze uiteindelijk geen cent van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking wilde afhalen. Die draai begrijp ik niet. Als je dan zo zelfverzekerd, arrogant zou ik zeggen, redeneert, voer dan je betoog dat hulp een mislukking is tot het einde, tot een pleidooi voor het stopzetten van de Nederlandse hulp. Dan kun je niet blijven hangen in de constatering dat hulp om 'morele overwegingen' overeind moet blijven. Juist vanuit een liberale mond klinkt dat niet overtuigend. Als het niet werkt, dan moet je het wegdoen, zou ik zeggen. Blijkbaar zijn op dat laatste moment de politieke belangen van de coalitie toch een maat belangrijker, dan 'het weggooien van miljarden' aan ontwikkelingshulp, om in Hirsi Ali's logica te blijven. Zo wordt haar betoog, naast uitermate arrogant, ook nog buitengewoon hypocriet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.