Hippe hoofddoekjes (Gerectificeerd)

Critici als Paul Scheffer cren angst met hun eenzijdige schets van de islam. Europese moslims passen zich juist steeds meer aan....

De Nederlandse moslim begint steeds meer op aangeschoten wild te lijken. Wanneer we afgaan op kritische volgers als Paul Scheffer, Ayaan Hirsi Ali of Betsy Udink, komen zij door hun cultureel bepaalde geloof onvermijdelijk in een sociaal getto terecht. In hun dagelijks bestaan zouden zij daar nauwelijks uit weten te ontsnappen. Leden van de tweede generatie die proberen om westers te leven en toch de geloofsbeleving van hun ouders te respecteren, lijkt een dramatische worsteling te wachten, alsof de inspiratie van de islam niet valt te verenigen met een moderne levenswijze.

In de discussie daarover gaat het steeds meer over de ondergeschikte positie van de vrouw, met haar hoofddoek als uiterlijk symbool van onderdrukking. De waarden van een traditioneel geloof zouden op gespannen voet staan met de grondslagen van een seculiere samenleving. In de VPRO-documentaire Wonderland vertelde HP/De Tijdjournalist Joost Niemr over zijn gang naar de kassa van Albert Heijn, waar hij soms door meisjes met een hoofddoek wordt geholpen. Zij bezorgen hem een ongemakkelijk gevoel en hij is ervan overtuigd dat zij in hem niets dan een ongelovige hond zien. Hun blik maakt hem tot een vreemdeling in eigen land. Niemr denkt zelfs, en hierin staat hij bepaald niet alleen, dat zij en haar geloofsgenoten de westerse samenleving op den duur zullen overnemen. In een niet zo verre toekomst ziet hij nauwelijks nog ruimte voor blanke atheen zoals hijzelf.

De linkse jongens (en meisjes) van de jaren zestig, die eens op hoge toon het recht op een eigen leefstijl opeisten, zijn nu de eersten die wijzen op het gevaar van de vijfde colonne die de moslimmigranten in hun ogen vormen. Zelf hebben zij de wereld van hun ouders op zijn grondvesten doen trillen en gepleit voor een minder autoritaire en minder gereglementeerde samenleving.

Maar van hun idealen over een betere wereld lijkt inmiddels alleen nog de droesem overgebleven. Het democratische fundament van het westen verdedigen zij thans even virulent als hun ouders dat tijdens de Koude Oorlog deden. In die tijd vormde het communisme de mondiale dreiging voor vrije samenlevingen, zoals het toen heette. Het Westen zou langzaam worden uitgehold door infiltranten uit de Sovjet-Unie en China. Wie zich al te links opstelde, verkleinde zijn kansen op maatschappelijk succes.

In de jaren zestig leek de bezem door het huis van die naoorlogse verhoudingen te worden gehaald. De verzuiling brokkelde af, de politiek werd door elkaar geschud en de jongerencultuur groeide dankzij de commercie uit tot een subcultuur. Met mode en muziek als exponenten van een alternatieve levensstijl. Nu de rebellen van toen de jaren des onderscheids hebben bereikt, worden zij net als de oorlogsgeneratie met veranderingen geconfronteerd die hun wereldbeeld aantasten. Zij reageren daarop met vrijwel dezelfde verdedigingsreflexen als hun ouders, alsof hun iets wordt afgenomen. Misschien wel dezelfde continuit die zij de generatie vhen betwistten.

In de ogen van publicisten als Scheffer zetten migranten en hun nazaten de klok dertig jaar terug. Het ooit zo overzichtelijke Nederland zou zichzelf niet meer zijn, doordat te veel vreemde invloeden ons land zijn binnengedrongen. Het absorptievermogen om al die mensen te binden aan de calvinistische beschavingsmissie die ons land zo groot heeft gemaakt, wordt teveel op de proef gesteld.

Al in 1995 schreef Scheffer in Het nut van Nederland over onze nationale identiteit, die ten onder dreigde te gaan in het ophanden zijnde Verenigde Europa. Als een oudtestamentische profeet priemde hij zijn beschuldigende vinger in ons geweten. Wij kennen onze eigen geschiedenis niet en nemen onze cultuur en historisch bepaalde wereldbeeld niet langer serieus. Bovendien zouden wij onze taal verkwanselen en onverschillig staan tegenover de losse identificatie van nieuwkomers.

Hij heeft het niet bij die zelfkastijding gelaten en vond een zondebok voor het kleine Nederland in de verdrukking. Vijf jaar later lag de nadruk niet langer op een zwak collectief zelfbeeld, maar op het gebrek aan identificatie van die nimmer eindigende stroom migranten. Nog recenter wordt het gedrag van Nederlandse moslims onder het vergrootglas gelegd, onder verwijzing naar de kwalijke gevolgen van het internationale moslimterrorisme.

Vooral de positie van de vrouw is de inzet geworden van een debat waarin de dialoog ver te zoeken is. Zij zou orthodox gelovig zijn, niet gencipeerd genoeg en de effecten teniet doen van de verlichte strijd die in de jaren zestig is gestreden. Nu valt niet uit te sluiten dat kritiek op de achterstelling van (moslim)vrouwen de emancipatie bevordert van nieuwkomers uit landen als Turkije en Marokko. Net als Dolle Mina's in de jaren zeventig te hoop liepen tegen vrouwenmishandeling door Nederlandse mannen, stellen opiniemakers als Hirsi Ali terecht de geweldspraktijken onder nakomelingen van migranten aan de kaak. Haar optreden mag van zowel moed als betrokkenheid getuigen, het valt nog te bezien of haar provocerende strategie met al z'n generalisaties wel zo effectief is.

Dat geldt ook voor de wijze waarop Scheffer zijn waarschuwingen verwoordt over het dreigende maatschappelijke isolement van de kinderen van voormalige gastarbeiders uit de wervingslanden. Wat hij daarover te berde brengt, mag in vruchtbare aarde vallen bij politici die de integratie daadkrachtiger ter hand willen nemen, het beeld dat hij schetst vertoont apocalyptische trekjes. Terwijl het nog maar de vraag is of zijn analyse van de achterliggende oorzaken van de sociale problemen wel klopt.

Sinds de opkomst van Pim Fortuyn en de aanslagen op 9 september 2001 in de Verenigde Staten ligt het accent in de discussie over migratie en inburgering steeds meer op een eenzijdig ideologische verklaring. In zijn geruchtmakende essay Het multiculturele drama (in 2000 gepubliceerd in NRC Handelsblad) liep Scheffer vooral te hoop tegen linkse politici die, verblind door politieke correctheid, hun ogen jarenlang gesloten hielden voor de negatieve gevolgen van grootschalige immigratie. Dat aspect is gaandeweg op de achtergrond geraakt, om plaats te maken voor het vijandbeeld van de islam.

Zijn Abel Herzberglezing over het onbehagen in de islamitische wereld vormt daar het meest recente voorbeeld van. Met een beroep op de expertise van conservatieve denkers als Bernard Lewis en Samuel Huntington doet Scheffer in zijn beschouwing een reeks verregaande uitspraken over het gevaar van de islam door de eeuwen heen. In zijn historische reconstructie gaat hij zelfs terug naar de tijd van de kruistochten, toen het Heilige Land de inzet vormde van een vurige strijd tussen het Roomse en het Ottomaanse rijk.

Het ontlokte de aan Clingendael verbonden arabist Maurits Berger de uitspraak, dat hedendaagse commentatoren nauwelijks gehinderd worden door kennis over de bijzonder gecompliceerde geschiedenis van de islam (NRC, 11 september). Vandaar dat zij zo onbeschroomd generaliserende opmerkingen plaatsen over de islam als een godsdienst die zou aanzetten tot agressie, terrorisme en vrouwenmishandeling. Al even misleidend is de tegenstelling die Scheffer suggereert tussen de islam als bron van duistere en op z'n minst antidemocratische denkbeelden, versus het christendom dat aan de wieg zou staan van secularisme en moderniteit. Zo'n opvatting doet denken aan het evangelische zangduo de Positivo's, een van de hilarische creaties van Kees van Kooten en Wim de Bie. In die blijmoedige rol zongen zij jaren geleden een lied met de onvergetelijke regels: 'Onze God is de beste, onze God is kampioen. Daarom zijn wij in het westen relatief in goeden doen.' Alle ellende, zoals hongersnood en dictatuur, kwam immers alleen maar voor in landen waar Allah of een andere niet-christelijke godheid werd aanbeden.

Opvallend anders is de benadering van Ian Buruma en Avishai Margalit in hun recentelijk gepubliceerde essay Occidentalism. The West in the Eyes of Its Enemies. Ook zij ontleenden hun inspiratie aan het debat over het islamitisch fundamentalisme en gingen op zoek naar de ideologische wortels van het zogenaamde Occidentalisme als tegenhanger van het Orialisme. Zij vroegen zich af door welke fanatieke haat de terroristen werden gedreven die zich met twee passagiersvliegtuigen in het World Trade Center boorden.

De conclusies die zij trekken, vertonen weinig parallellen met de opvattingen van Lewis en Huntington, of die van publicisten als Scheffer. Naar hun idee moet de bron van het onbehagen niet in het Oosten, maar veeleer in het Westen worden gezocht.

De groeiende aversie in andere werelddelen spiegelt de onlustgevoelens van Europeanen zelf over de politieke, sociale en economische modernisering van de afgelopen eeuwen. Op dat historische proces is een belangrijk stempel gedrukt door Duitse intellectuelen die hun bezieling ontleenden aan de Romantiek. Zij verwierpen het credo 'rijheid, gelijkheid en broederschap' van de Franse Revolutie en stelden daar een organische visie op de maatschappij tegenover. Niet de rede diende centraal te staan, maar het streven naar zuiverheid en hero. De individualistische zucht naar welvaart zou de maatschappij slechts corrumperen.

De romantici liepen te hoop tegen de idealen van de Verlichting en propageerden een samenleving die afzag van het zielloos najagen van materialistische doelen. Ieder individu diende een hoger spiritueel doel na te streven, wat ook gold voor de nationale gemeenschap als geheel. In hun perspectief werden landgenoten bijeen gehouden door een gedeelde Volksgeist. De geschiedenis heeft uitgewezen dat vooral rechtse, autoritaire bewegingen zich aangetrokken voelden tot deze mystieke kritiek op de modernisering. In de negentiende eeuw verweten Franse, Oostenrijkse en Duitse antisemieten hun joodse volksgenoten allerlei zaken die we zien terugkeren in de kritiek van islamitische fundamentalisten op het Westen.

Joden kregen destijds te horen dat zij de morele waarden van de burgerlijke, christelijke samenleving ondermijnden in hun geval door het aanbidden van de Mammon. Hun ziel verdween zodra de dollartekens in de ogen verschenen. In hun essay laten Buruma en Margalit zien dat zulk West-Europees gedachtegoed gretig aftrek vond bij Russische slavofielen, Japanse nationalisten en bij Arabische intellectuelen. Zij allen gebruik(t)en het om hun kritiek op de westerse dominantie te ontwikkelen.

Wat in Occidentalism eveneens valt na te lezen, is dat de haat van moslimfundamentalisten tegen het Westen een tamelijk recent fenomeen is. Anders dan velen tegenwoordig denken, vormt het geen wezenskenmerk van de islam. Hetzelfde geldt voor de verheerlijking van de dood, die we aantreffen bij de terroristen van Al Qa'ida en hun geestverwanten. De wortels van deze doodscultus liggen in Europa en vormen een integraal kenmerk van de tijdens de Romantiek ontwikkelde kritiek op het zielloze materialisme. Het idee dat alles geoorloofd is in de strijd tegen een goddeloze tegenstander, met inbegrip van het opofferen van het eigen leven, inspireerde bijvoorbeeld de Duitse nationalisten ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Maar twintig jaar later ook de nazi's en de Japanse Kamikazepiloten. De verheerlijking van de dood op zich maakt volgens Buruma en Margalit geen deel uit van de jihad-traditie in de islam. Het idee dat moslimterroristen, na het doden van onbewapende burgers, als martelaren het paradijs binnentreden, beschouwen zij als een moderne vinding.

Ook zonder dat inzicht valt trouwens gemakkelijk in te zien, dat het idee dat alleen de 'joods-christelijke beschaving' vanzelf zou leiden tot democratie en de scheiding van kerk en staat, op een mythe berust. Zowel de katholieke als protestantse denominaties hebben zich daar tot ver in de vorige eeuw fel tegen verzet. Zij vormden dan ook lange tijd het mikpunt van liberale en socialistische voorstanders van een seculiere samenleving.

Daarbij komt dat de weidse interpretaties van de wereld van de islam niet erg helpen bij het doorgronden van het verloop van de integratie in het Westen. Zo blijkt uit antropologische studies in Frankrijk en Duitsland, door Mich Tribalat en Werner Schiffauer, dat de tweede generatie migranten uit moslimlanden zich veel sterker met de hun omringende cultuur identificeert dan criticasters denken. Zelfs een conservatief islamitische beweging als Milli G richt zich meer dan voorheen op integratie in de Duitse samenleving. Het idee van het ontstaan van 'parallelle maatschappijen', waarin Turken zich om godsdienstige en culturele redenen van de ontvangende samenleving afwenden, lijkt al te voorbarig.

Een soortgelijke ontwikkeling valt in Nederland waar te nemen en wordt belichaamd door Haci Karacaer, directeur van de Milli G in Noord-Nederland. Dat hij, met zijn pleidooi voor een moderne, seculiere islam, niet mijlenver voor de (Turkse) troepen uitloopt, blijkt uit de zojuist verschenen rapportage Moslim in Nederland, van het Sociaal Cultureel Planbureau. De uitkomsten daarvan zijn gebaseerd op een grootschalig onderzoek uit 1999 onder Turken en Marokkanen in Rotterdam, en logenstraffen het doemscenario van Hirsi Ali en Scheffer.

De meeste jongeren gaan op een andere manier met hun godsdienst om dan hun ouders en slechts weinigen bekennen zich tot een ondemocratische of fundamentalistische vorm van de islam. Net als in Frankrijk neemt de religieuze participatie van de jongeren af en is van een revitalisatie van het geloof uit het land van herkomst geen sprake. Dit onlangs de toenemende etnische spanningen en de daarmee gepaard gaande kritiek op de islam. Ook in de tumultueuze periode 1998 tot 2002 bleef een sterke opleving van islamitische geloofsijver achterwege. Wanneer zulke verschuivingen in het integratieproces van islamitische jongeren worden genegeerd, ontstaat echter een misleidend beeld over de positie van moslims. Dat polariseert de verhoudingen onnodig en werkt contraproductief, want er ontstaan gemakkelijk nieuwe vormen van maatschappelijke uitsluiting door.

Juist de jonge vrouwen over wie iedereen zo de mond vol heeft, kunnen er als eerste door op achterstand worden gezet. Als zij zich voortdurend moeten verantwoorden voor het dragen van een hoofddoekje, zullen zij die minder snel afleggen als dat al wenselijk zou zijn. In principe gaat het in een democratische samenleving, die de autonomie van het individu hoog in het vaandel heeft staan, immers niet aan om burgers het recht te ontzeggen hun geloof op een moderne wijze te beleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden