Hiphophoop

De vrolijke documentaire over hiphoplegende A Tribe Called Quest laat nog eens zien: de alternatieve rap maakte de vroege jaren negentig tot een opwindende periode.

Dé scène die bijblijft uit de documentaire Beats Rhymes & Life, over de opkomst, ondergang, creatieve energie en invloed van de rapgroep A Tribe Called Quest, is die waarin het viertal door de gigantische platenzaak van hun jeugd struint. Koortsachtig bladeren ze door de bakken met rare grooves, jazz en seventiesplaten. Ze leggen uit hoe ze ter plekke op de draaitafel lekkere stukjes muziek ontdekten, of terugvonden uit hun vaders platenkast. Daarna gaat frontman Q-Tip helemaal los over het uitzonderlijk smakelijke ritme van de betrekkelijk obscure jazzfunkplaat Drives van Lonnie Smith, uit 1970, dat de basis zou vormen voor hun hit Can I kick it. Dat opgetogen gezicht van Q-Tip in de documentaire, het album en de ontdekking ervan heeft ook bij het weerzien nog duidelijk dezelfde slagkracht. En zo zie je de essentie van popmuziek hier vol op stoom geraken: het vinden van iets nieuws, iets dat precies klopt, iets dat hip is, dat je uit de trillende lucht van de tijdgeest hebt weten te plukken, waarmee een groep of een groep groepen kan zeggen: we gaan nu met zijn allen deze kant op. En dan kijken wie we meekrijgen.


A Tribe Called Quest zou bijzonder veel mensen weten mee te sleuren in zijn idee van popmuziek. Samen met De La Soul, Queen Latifah en de Jungle Brothers vormden ze de spil van de New Yorkse hiphopbeweging die zich eind jaren tachtig, begin jaren negentig Native Tongues noemde. Ze maakten vriendelijker, vloeiender hiphop dan we tot nu toe gewend waren. Gevarieerder ook. En de muziek en de rhymes klonken zo vernieuwend, zo aantrekkelijk, en het klopte zo met de tijdgeest, dat hiphop, soul en pop er blijvend door werden beïnvloed.


Hoe krijg je zoiets voor elkaar?


Organisatie, natuurlijk, is deels het wat prozaïsche antwoord. Native Tongues was niet zomaar een groepje zielsverwanten. Van een oervader van de hiphop, Afrika Bambaataa, hadden ze geleerd dat het zin had elkaar te helpen. Bambaataa bestierde al sinds de jaren zeventig een beweging die hij Zulu Nation noemde, die gebaseerd was op de gedachte dat samenwerken, peace, unity, love and having fun middelen waren om jezelf aan de haren uit het moeras van de achterstandswijken te trekken. Hij bracht waar nodig acts met elkaar in contact en stond zo ook aan de wieg van de Native Tongues. Groepen die elkaar al snel vonden in gelijkgestemdheid. Gezamenlijke optredens en gastrolletjes van de een op de plaat van de ander waren de modi operandi. Iedereen die (pardon) Volendam kent, weet wat een slagvaardig commercieel principe dit kan zijn. Vooral A Tribe Called Quest en De La Soul ontwikkelden een innige liefdesrelatie, na de wederzijdse ontdekking dat er kennelijk nóg een groep was die net zo buitenbenig was. En dat op dezelfde manier. Want je kunt natuurlijk reciproque gastrolletjes vervullen wat je wilt, als er geen goed idee achter steekt, kom je nergens. En wat De La Soul, de Tribe en, iets later, verwante crews als Digable Planets en Arrested Development deelden, was precies het juiste gevoel op de juiste plaats.


Tijdgeest is een glazenbollerig ding, en voor je het weet zit je te lidewij-edelkoorten, maar als je grofweg iets kunt zeggen van het laatste twaalftal jaar van de vorige eeuw is dat er een diepgewortelde behoefte leek om de hardheid, kaalheid, zakelijkheid, ernst en polarisering van de late jaren zeventig en halve jaren tachtig overboord te kieperen. Eind jaren tachtig werd niet voor niets de hippietijd herontdekt. Het hedonisme ervan kwam tot bloei in de (acid)housecultuur, partypilletje d'r in, tie dye shirt aan en losgaan maar op die dik aangezet chemisch-trippige danceritmes. The Second Summer of Love, heette 1988 heroïsch, vrij naar de eerste, waarin hippies in '67 in San Francisco seks, drugs en nog meer vrije seks bedreven, vanuit een soort vaag vrijheidsbeginsel.


Maar ook zonder drugs rekende de tijdgeest af met het hyperindividuele, hebzuchtige decennium dat de jaren tachtig heette te zijn - zie de vinnigheid waarmee Oliver Stone er afscheid van nam in zijn klassieker Wall Street (1987). Politiek en carrière maakten als vigerende begrippen plaats voor veel lievere, individuelere, hippie-esque steekwoorden als gemeenschapszin, bewustzijn (awareness, MTV spoot je er vol mee), en, in het geval van de zwarte Amerikaanse gemeenschap, trots op eigen cultuur en op (een romantisch idee van) de Afrikaanse afkomst. Samen, in de sesamstraatste zin van het woord. Maar ook: een afkeer van Grote Woorden, van ideologie en een voorkeur voor individuele verhaaltjes, en voor een idee dat er weer gelachen kon worden.


Hoe diep zulke tijdgeest gaat, moet iedereen maar voor zichzelf uitmaken - je kunt even makkelijk redeneren dat die zo oppervlakkig blijft als het begip awareness zelf (ik ben me enorm bewust van de honger in de wereld en neem nog een hap volkoren-bosbessenmuffin) als dat je zou kunnen betogen dat hier, in dit nog nauwelijks benoemde optimisme van 1988, de kiem ligt van de in den beginne vriendelijke, anti-ideologische, bruggenbouwende periode Clinton/New Labour/Cool Britannia/Paars I & II.


Maar hoe vagig ook, hij wás er, die tijdgeest, en de Native Tongues voelden dat als enkele van de eersten aan. In hun teksten, allereerst - geen rhymes over het fukken van da police, over fight the power of hoe getto het was en hoe stinkend rijk het werd. Nee, alledaagse dingetjes, liefde, flirten, dagelijks racisme, dingen die cool waren, het belang van roots, van trots, het gevaar van drugs. Heel persoonlijk, heel vertellend, dus anekdotisch, in een nieuwe, babbelende, vlot-leuterende flow. De tekst van People Everyday (1992) van Arrested Development, de aan de Native Tongues verwante groep uit Atlanta, is in al zijn deugende lichte belerendheid een ultiem voorbeeld. Vrij samengevat: ik zat in het park met mijn vriendinnetje / komen er een paar macho-clichémannetjes voorbij die haar lastigvallen / kom ik als vredelievend persoon voor het dilemma moet-ik-haar-verdedigen-of-weglopen / hallo zwarte Amerikanen, laten we nou es ophouden met elkaar de hersens inslaan.


Maar meer nog dan de verkwikkende, lekker zoete viergranenteksten was het de muziek die de tijd vol in het hart schoot. Ook hier gold een zekere terugzucht, een terugverlangen naar de vriendelijker tijden van de late jaren zestig en vroege jaren zeventig. Voor de zwarte cultuur school daar nog een extra aantrekkingskracht in: de vroege seventies waren een soort oertijd van het zwarte bewustzijn, door het overdonderende mainstreamsucces destijds van soulmuziek en Blaxploitaitionfilms, commercieel succesrijke films met zwarte actiehelden als Coffee en Shaft. In het kader van een zwart cultureel bewustzijn een hippe tijd om op terug te grijpen, en dat werd dan ook massaal gedaan.


Wat daarbij hielp, is dat het samplen technisch heel toegankelijk was geworden. Zoals wel vaker speelt techniek een cruciale rol, en in dit geval was die weggelegd voor de, vergeef ons onze nerderigheid, E-mu SP 1200, een apparaat waarmee je relatief goedkoop en gemakkelijk drumpartijen en andere samples van oude platen tot een gehele muziektrack kon lassen. De bijkomende kwaliteit, het beetje doffe, ouderwetse geluid dat er uit voortkwam, paste alleen maar extra goed in de nostalgische sfeer van die tijd.


En wat werd er gebruik gemaakt van die samplemogelijkheden; nooit eerder was de muziek zo'n omgevallen platenkast als in die jaren van de alternatieve hiphop. Daarbij kwam dat het muziek maken voor die jongens (en meisjes, als Monie Love en Queen Latifah) niet zozeer bestond uit het bespelen van een instrument maar juist in het vinden en aan elkaar lassen van al die platen. Virtuositeit bestond eruit de leukste, origineelste en hipste platen te vinden; daarmee kon je opvallen. En zo werden die hiphopjaren, durven we haast te stellen, een waarlijk postmoderne kleurenexplosie van een heel brede muzieksmaak. A Tribe Called Quest combineerde voornoemde Lonnie met het basloopje van de lijkwitte New Yorker Lou Reed (uit Walk on the wild side, 1972). De La Soul plakte in hun hit Me, Myself and I het beginstuk van Not just knee deep (1974) van spacefunkgroep Funkadelic aan de dikke beat van disco-experimenteerder Edwin Birdsong, uit diens Rapper dapper snapper, uit 1980. Verderop, in Say no go, citeerden ze naar hartelust het blauwe-ogensoulduo Hall & Oates. En zo verder, en zo voort.


En dan treedt dat wonderlijke effect op: als iets maar gedateerd genoeg is, stemt het vanzelf melancholisch, en alles wat melancholisch klinkt is warm en gezellig. Wat nog eens extra werd benadrukt door dat bijna verplichte geluidje dat in die hiphopdagen aan bijna elk nummer werd toegevoegd: het gekraak van een vinylplaat. De muziek van de jaren tachtig, waarin (technische) vooruitgang de boventoon voerde, had in één klap plaatsgemaakt voor het idee dat ook herontdekken vernieuwend kon zijn, en dat wat oud klonk zijn eigen onweerstaanbare charme kon hebben. De big bang van de massale retrocultuur. En de ideale, warmbloedige, natuurlijk, analoog en nostalgisch klinkende soundtrack van de neo-hippietijd.


Het was de geestverruimende opvatting van muziek (retro kan cool zijn, en een rijkheid aan stijlen is leuk) die de verst strekkende invloed heeft gehad - de freaky experimenten van Outkast noch de extreme opwindende stijlenmix van N*E*R*D zonder de Native Tongues. Ook de Nu Soul, met zijn aanstekelijke seventies-fixatie, heeft veel aan de alternatieve hiphoppers te danken.


En dan lijkt het er tot slot op dat er iets van een revival gaande is. De ongecompliceerde raplol en het anti-glamoureuze van de Native Tongues hoor je bijvoorbeeld terug in de nummers van meisjesrapsensatie Azealia Banks. The New York Times signaleerde een terugkeer van sociaal bewogen rap. En spotify eens wat nummers van rapwonder Kendrick Lamar, HiiiPower bijvoorbeeld - alsof je in New York, 1989 staat. De retrocoolste periode uit de popgeschiedenis lijkt retrocool te worden.


Alle zeven Native


Een willekeurige keuze uit de lekkerste alternatieve hiphopnummers


The Souls of Mischief


- From 93 til infinity (1993)


Jonge kereltjes uit de Calofornische tak van de alternatieve hiphop maakten een baanbrekend vloeiend mijlpaal-album, met dit als rijkgeschakeerd titelmeesterwerkje.


De La Soul


- Me, Myself and I (1989)


Een van de stuiterendse en grootste hits van het genre.


Monie Love


- It's a shame (1990)


Goeie tijd voor vrouwelijke MC's ook -zoals met dit lekker shuffelende hitje.


A Tribe Called Quest


- Bonita Applebum (1990)


Moeilijk kiezen, maar misschien is Bonita Applebum, met die sophisticated tekst over een dikke kont, en dat heerlijk relaxte rappen van de nooit-volwassengeworden stem van Q-Tip over een lome beat wel hun beste nummer.


Definition of Sound - Moira Jane's Café (1992)


Wanneer we de alternatieve hiphop niet zozeer geografisch beschouwen, maar als een echte sound, dan mag dit Londense duo er beslist bij: loom, dansbaar, een mix van veel stijlen en warmbloedig.


Arrested Development


- Mr. Wendal (1992)


Reform-rap uit Atlanta, met een tekst over daklozen, maar ondanks het soms onuitstaanbare deugen een buitengewoon verleidelijk en beetje melanhcoliek nummer.


Digable Planets


- Rebirth of Slick (Cool like dat) (1993)


Van het album met de typisch omslachtige alternatieve hiphop-titel Reachin (A New Refutation of Time and Space), jazzy & cool, en een van die nummers die het genre een publiek bezorgde van blanke studenten.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden