‘Hij had gezegd dat hij dood wilde’

Vorig jaar pleegde een verdachte in het Haarlemse politiebureau zelfmoord met zijn eigen vuurwapen. Twee politiemannen verklaren hun handelen in een tragische nacht.

Een verdachte heeft in het cellencomplex van het Haarlemse politiebureau zelfmoord gepleegd met zijn eigen vuurwapen; het was een vreemd bericht dat vorig jaar in de kranten stond. Ook werd vermeld dat de man geboeid was. In het belang van het onderzoek door de rijksrecherche werden geen verdere mededelingen gedaan. Achter het krantenbericht schuilt een bizar verhaal.

Op 8 april 2008, rond vier uur ’s ochtends, wordt de politie in Haarlem gewaarschuwd dat een man met een motor probeert in te breken bij een coffeeshop. Agent Guido Moes en zijn collega Sander komen als eerste ter plekke en blokkeren met hun auto de motor. De berijder vlucht te voet.

Forse vent
De agenten krijgen de inbreker, een forse vent, te pakken, maar deze verzet zich hevig. Het lukt hen om een pols te boeien, op de andere krijgen ze geen grip.

Drie andere collega’s, onder wie Henk Luske, die ook op de melding hebben gereageerd, springen bij, maar de verdachte laat zich ook al niet kalmeren door pepperspray.

Luske zet zijn knie in de nek van de verdachte. ‘Ik werk mee’, schreeuwt de man, ‘geef me ruimte.’ Hij roept ook dat er nog iemand in de coffeeshop is.

Wapen
Als de greep op hem iets losser wordt gemaakt, probeert hij zich meteen los te rukken. Het enige dat de man wil, is een vrije arm. ‘Achteraf denk ik dat hij zijn wapen wilde pakken’, aldus Luske.

De verdachte is de 40-jarige Michel B., een drugsverslaafde die gezocht wordt voor een gewapende overval. Later vindt de politie in zijn huis een uzi, een pistool en bivakmutsen.

Als B. handboeien om heeft, moet hij zo snel mogelijk naar het hoofdbureau worden gebracht, een paar honderd meter verderop. Moes en Luske willen zoeken naar de maat van B., die nog in de coffeeshop zou zijn.

Gepepperd
Luske: ‘De collega’s die zich over de verdachte hebben ontfermd, zeggen dat hij in mijn auto moet. Ik voel er niets voor, omdat de man gepepperd is. Dat spul blijft lang in je wagen hangen. Maar B. klaagt over de pepperspray in zijn ogen. Zijn ogen moeten worden gespoeld.’

Inmiddels zijn in totaal acht agenten bij de coffeeshop. Luske: ‘Ze dragen de verdachte aan mij over. Ik vraag of hij is gefouilleerd, maar hoor het antwoord niet. Ze frommelen hem in mijn auto.

‘De collega met wie ik dienst heb, wil niet achterin naast de verdachte zitten. Hij is al geraakt door pepperspray en is bang dat hij straks niks meer kan zien. Hij gaat voorin zitten. De verdachte is geboeid en gepepperd. Wat kan er gebeuren?’

Onrustig
De verdachte zit onrustig heen en weer te schuiven. Hij klaagt over zijn ogen. Ineens zegt hij: ‘Ik zie het niet meer zitten. Ik maak er een eind aan.’ Luske probeert hem gerust te stellen. ‘We zijn er zo’, zegt hij, ‘dan spoelen we je ogen.’

Ze rijden in een paar minuten naar het cellencomplex van het hoofdbureau. Het rolluik gaat open en Luske parkeert de auto in de sluis. Het rolluik sluit. Luske en zijn collega stappen uit om, zoals het hoort, hun dienstwapen in een kluis op te bergen. B. blijft heel onrustig. Luske vraagt de meldkamer om extra mankracht voor het geval de verdachte doordraait.

Knal
Wanneer de agenten weer naar de auto lopen, zien ze de man op de achterbank naar links vallen en horen daarna een knal. Ze denken dat hij op hen schiet en rennen terug naar de kluis om hun wapens te halen. Voor hen is er in de betonnen bunker geen dekking. Een stalen deur is de enige vluchtweg.

Van achter die half-openstaande deur richten ze hun wapen op de auto. Onder dekking van Luske loopt zijn collega voorzichtig naar de auto en schrikt zich een ongeluk. De verdachte heeft zichzelf neergeschoten. Omzichtig opent de collega het portier. De verdachte valt naar buiten, dood.

Ondertussen staan andere agenten buiten voor het rolluik. Dat kan pas open als de stalen deur dicht is. Moes: ‘Er was geschoten, wij snapten er niets van en we konden niets doen. Uiteindelijk gaat het rolluik open. We staan daar, doodstil, als aan de grond genageld naar elkaar te kijken. Uit het hoofd van de verdachte sijpelt bloed. We horen het op de grond druppen. Die jongen is nog steeds geboeid en toch dood. Zo raar.’

Broekband
Achteraf blijkt dat de verdachte een pistool op zijn rug in de broekband had. Volgens Luske heeft hij dat steeds willen pakken. Daarom wilde hij die vrije arm en daarom zat hij zo te schuiven in de auto.

‘Eenmaal geboeid kon hij ons niks meer doen. Kennelijk wist hij dat in de auto nog zijn enige kans was om zichzelf iets aan te doen. Ik heb later nagedaan hoe hij zich met handboeien toch door het hoofd kon schieten.’

De vreemde inbraak, waarbij B. met een motor de deur van de coffeeshop forceerde, moet bedacht zijn als inleiding tot de zelfdoding, vermoedt Luske. ‘Hij had eerder tegen zijn tweelingbroer gezegd dat hij dood wilde. En als ik dat doe, had hij gezegd, dan neem ik een smeris mee. Misschien heeft mijn collega geluk gehad dat hij niet naast hem is gaan zitten.’

Verzonnen opmerking
Luske en Moes vinden niet dat er fouten zijn gemaakt. B. heeft hen op het verkeerde been gezet met de, naar later bleek, verzonnen opmerking dat er nog iemand in de coffeeshop was. Daardoor was er grote haast hem weg te brengen.

Geen fouten? Hadden ze B. dan niet moeten fouilleren? Nee, stellen ze, buiten vindt hooguit een oppervlakkige veiligheidsfouillering plaats. Maar in hectische situaties is dat niet altijd mogelijk en dus niet verplicht.

Commissaris Peter Holla van de politie Kennemerland zegt dat het natuurlijk beter was geweest als ze de man hadden gefouilleerd. ‘Maar als de vermeende tweede verdachte op dat moment op de politie was gaan schieten, dan was fouilleren de foute keuze geweest. Zo doe je het nooit goed.’

Gefouilleerd
Holla zegt dat niet iedere verdachte bij aanhouding mag worden gefouilleerd. Volgens de wet moet een ‘gevaarzetting’ aanwezig zijn, omdat het een aantasting is van de persoonlijke levenssfeer. ‘In deze zaak had het wel gemogen. Maar hier was het nodig de verdachte zo snel mogelijk weg te brengen. De korpsleiding vindt dat de agenten kordaat hebben gehandeld en conform de regels.’

Luske en Moes zijn verontwaardigd dat het Openbaar Ministerie anders oordeelt. Het OM begrijpt dat bij de agressieve verdachte geen veiligheidsfouillering is gedaan, maar ziet dat als een fout daar hij achteraf een wapen bleek te bezitten. Van een strafbaar feit is echter geen sprake, aldus het OM.

Les geleerd
Ze hebben goed gewerkt, houden Luske en Moes staande, maar er is toch een les geleerd. Voortaan zullen ze altijd heel streng fouilleren en van collega’s niet zomaar meer een verdachte overnemen.

Met de familie van Michel B. hebben de agenten geen contact gehad. Luske: ‘Ze hadden ons kunnen verwijten dat we het drama hadden kunnen voorkomen. Maar voor hen is zijn dood kennelijk geen verrassing geweest.’

Guido Moes (l) en Henk Luske (Guus Dubbelman / de Volkskrant) Beeld
Guido Moes (l) en Henk Luske (Guus Dubbelman / de Volkskrant)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden