Highbrow attractiepark

De Biënnale in Venetië van de Japanse architecte Kazuyo Sejima – de eerste vrouwelijke curator – is een belevenisbiënnale. Maquettes lijken het definitief af te gaan leggen tegen installaties....

Het is een stairway to heaven, de stalen wenteltrap die midden in de eeuwenoude Venetiaanse Arsenale is geplaatst. Wie hem beklimt, loopt op een paar meter boven de grond met zijn hoofd in de wolken. En wie heeft er niet over gefantaseerd om in dat prachtige witte landschap te kunnen lopen, er naar turend door het vliegtuigraampje. Hier kun je ze eindelijk aanraken. Althans, dat is de bedoeling van de makers, het klimaatbureau Transsolar en de architecten van Tetsuo Kondo. Maar echte wolken willen er niet ontstaan, wel zweeft er een warme vochtige nevel, die tropisch aandoet. Deze installatie is vooral een kwestie van hete lucht.

Cloudscapes is niet de enige bijdrage aan de 12de editie van de Internationale Architectuur Biënnale die een direct beroep doet op de zintuigen. Even verderop slingeren waterstralen zich door de lucht, belicht door stroboscoopflitsen, in een werk van de Deense kunstenaar Olafur Eliasson. En nog een paar hallen verderop klinken veertig stemmen, uit even zovele in het rond opgestelde boxen, die een lied zingen uit de Renaissance. Ga ertussen zitten, ervaar het geluid en ervaar de ruimte.

De Biënnale van de Japanse architecte Kazuyo Sejima, de eerste vrouwelijke curator, is hier in de voormalige marinewerf van de republiek Venetië vooral een belevenisbiënnale. People meet in Architecture is het motto van Sejima. Haar voorganger, de Nederlander Aaron Betsky, koos voor zijn Biënnale twee jaar geleden Architecture beyond building. Wie had gedacht dat Sejima met een minder abstract thema zou komen – eindelijk weer een architect na een lange reeks van curatoren, directeuren en critici – komt bedrogen uit. Met People meet in Architecture kun je alle kanten op, en dat gebeurt dan ook.

Iedereen is in de Arsenale zijn eigen gang gegaan, en dat was precies Sejima’s bedoeling. Tijdens een persconferentie aan het begin van de Biënnale vertelt ze dat ze sterk heeft overwogen de uitnodiging om de Biënnale te leiden te weigeren. Het is een taak van een enorme omvang. Maar uiteindelijk heeft ze haar wel aangenomen, met de afspraak dat iedereen in de Arsenale zijn eigen curator zou mogen zijn. Vrijheid blijheid, vindt Sejima. Tussen de installaties staan ‘gewone’ presentaties van bureaus met maquettes en bouwtekeningen, er staan abstracte architectonische structuren, en beeldhouwachtige werken.

Nu is iedere Biënnale per definitie een kakofonie van beeld en geluid. Het aanbod in de hoofdtentoonstellingen en de landenpaviljoens is veel te groot om een eenheid te kunnen vormen, of aan het thema te kunnen voldoen. Veel landen trekken zich vaak ook niets aan van het motto, of bewijzen er slechts lippendienst aan. Maar dat Sejima ook de teugels heeft laten vieren in de Arsenale en in het Italiaanse paviljoen met de hoofdtentoonstelling in de Giardini, maakt deze Biënnale er niet duidelijker op.

Waar het overkoepelende thema enige orde kan scheppen, is dat hier niet gelukt. Wat een tochtje door de wolken precies te maken heeft met de ontmoeting tussen mensen, wordt niet duidelijk. De installaties in de Arsenale zijn vernuftig en wekken meer emoties op dan bouwtekeningen en maquettes, maar ze beklijven niet. De Arsenale heeft tijdens deze editie meer weg van een highbrow attractiepark, waar je in een kwartiertje doorheen wandelt.

Een prettige uitzondering is de ruimte waar de 49 interviews zijn te zien die de Zwitserse curator Hans Ulrich Obrist vorige week in marathonsessies opnam in de Arsenale. Obrist interviewde live architecten en kunstenaars die tijdens de voorbezichtiging van de Biënnale aanwezig waren. De opnamen zijn te zien op beeldschermen met door Sejima ontworpen stoeltjes ervoor, in een ook door de curator bedachte opstelling. Zet het bijbehorende koptelefoontje op, en het is Obrist, de architect en jijzelf.

Ook in de Giardini, waar de landenpaviljoens staan, valt op dat maquettes het definitief lijken af te gaan leggen tegen installaties. Een nieuwe generatie jonge Oost-Europese curatoren lijkt met verwijzingen naar het communistische verleden uitspraken te willen doen over moderne architectuur. In het Poolse paviljoen is van metalen vogelkooitjes een wankel bouwwerk gemaakt waar per keer een bezoeker op mag klimmen. Met behulp van een rookmachine wordt een sinistere sfeer gecreëerd. Wie durft mag door de rook heen naar beneden springen. Emergency Exit moet je van je omgeving bewust maken, je doen beseffen dat je soms al te zeer op de automatische piloot door architectuur heen loopt.

Indringend is het Roemeense paviljoen. De curatoren, tussen de 25 en 26 jaar oud, wonnen een nationale competitie met hun idee om een gebouw in het paviljoen te bouwen. Het is een volkomen witte ruimte geworden, waar, ook hier, officieel per keer maar een bezoeker in mag. Als de deur achter je dicht valt, zit je opgesloten in iets wat doet denken aan een groot uitgevallen isoleerruimte van een psychiatrisch ziekenhuis. Door kijkgaten kunnen andere bezoekers je begluren.

Ook de Hongaren hebben geprobeerd een krachtig beeld neer te zetten. Duizenden aan touwtjes opgehangen potloden moeten duidelijk maken dat architectuur begint met tekenen. De wanden hangen vol met tekeningen, sommige duidelijk van architecten, andere van kinderen en van bezoekers. Maar de vorm overheerst de inhoud.

Die twee gaan wel op evenwichtige wijze samen in het Nederlandse paviljoen, waar je onder een plafond van vele honderden uit foam uitgesneden gebouwen door loopt naar boven. Daar wordt op krachtige wijze een belangrijk probleem aangeroerd: de duizenden gebouwen die leegstaan in Nederland, en die volgens de bedenkers – onder leiding van Rietveld Landscape – tijdelijk onderdak zouden moeten gaan bieden aan de creatieve sector.

Het was een gelukkige greep van Sejima om OMA uit te nodigen een tentoonstelling te maken over een zusterthema: het behoud van erfgoed. Rem Koolhaas en zijn bureau, twee jaar geleden nog de opvallende afwezigen in Betsky’s editie met vele Nederlandse bijdragen, maakten in het Italiaanse paviljoen in de Giardini een krachtig expositie over de valkuilen van het conserveren van werelderfgoed.

OMA zou OMA niet zijn als er niet flink wat ironie verwerkt zou zijn in de tentoonstelling. De oude houten bureaus en stoelen die er staan, zijn niet zo onschuldig als ze lijken. Ze zijn afkomstig uit het Haus der Kunst uit München, dat werd gebouwd om nazikunst te laten zien. Het gebouw werd gerenoveerd en dient weer als tentoonstellingshal, maar de oude meubels mochten er niet terugkeren. Ze zijn nog ‘radioactief’, zoals Koolhaas het noemt in het interview dat Obrist met hem had.

Koolhaas zelf leidde vorige week donderdag Francesco Bandarin rond, de directeur van het Wereld Erfgoed Centrum van Unesco. Die kon wel lachen om de variant die OMA maakte op de criteria die Unesco hanteert voor de aanwijzing van werelderfgoed: Ook bouwwerken die juist getuigen van een gebrek aan menselijk genie, die gemiddeld zijn, of zelfs banaal, zouden bewaard moeten worden.

De paviljoens en tentoonstellingen met meer of minder provocatieve ideeën blijven toch het interessantst tijdens een Biënnale. Luchtkastelen zijn leuk om doorheen te wandelen, maar uiteindelijk bieden ze te weinig vaste grond.

De curator feliciteert zichzelf in 3-D
Het is een opmerkelijk staaltje zelffelicitatie van curator Kazuyo Sejima van de Biënnale: in de tweede zaal van de Arsenale is een door de beroemde regisseur Wim Wenders gemaakte 3D-film te zien over het gebouw dat haar bureau Sanaa ontwierp in Lausanne. Begeleid door etherische klanken van viool en xylofoon wordt de kijker meegenomen door het golvende Rolex studiecentrum, dat geen enkele tussenmuur kent. In If buildings could talk praat het gebouw inderdaad tegen ons, om te vertellen hoe innovatief het wel niet is. Het noemt zichzelf ‘de essentie van openheid’. We zien Sejima en haar partner Ryue Nishizawa op Segways, een soort steppen voor volwassenen, onder het gebouw door rijden. Het tien minuten durende filmpje getuigt niet van bescheidenheid, maar toch zou je het liefst direct afreizen naar Lausanne om het gebouw binnen te gaan en in de boeken te duiken. 3D zou wel eens dé manier kunnen worden om architectuur aan de man te brengen.

Ook Australië kiest voor driedimensionaal
Ook in 3-D, maar minder lieflijk, zijn de foto’s en animaties die te zien zijn in het Australische paviljoen. Bezoekers worden er in kleine groepjes toegelaten, om te voorkomen dat het te vol wordt voor de grote schermen waarop onder begeleiding van harde dance spectaculaire beelden zijn te zien. Now toont foto’s van de Australische steden en landschappen zoals ze er nu uitzien, When is een serie filmpjes met Metropolis-achtige beelden van hoe Australië er in 2050 zou kunnen uitzien. Vooral de mijnbouwgebieden in Australië, met hun diepe groeves, hebben een hoog Mad Max-gehalte, blijkt uit de schitterende luchtfoto’s. De makers willen de paradox aan de orde stellen dat het Westen van Australië wordt leeg gegraven, om de groei van steden als Melbourne en Sydney aan de oostkust mogelijk te kunnen maken. In de When-filmpjes zijn architecten, voor een keer bevrijd van alle regels, aan het fantaseren geslagen over mogelijke steden. Het is belevenisarchitectuur in optima forma.

Paviljoen met arte povera en een Rothko
Wie let er op de linoleum traptreden in het postkantoor, op de tapijttegels in een winkel, op de stoeltjes in het metrostation, op de stalen leuningen van een trap in een openbaar gebouw? Toch zijn ook dat vormen van architectuur, vinden de samenstellers van de expositie in het paviljoen van België. Ze bezingen de schoonheid van slijtage, door de gebruikte materialen uit hun context te halen en ze op te hangen alsof het om belangrijke kunst zou gaan. Bijna ironisch, omdat volgend jaar het paviljoen weer in gebruik is voor de kunst biënnale. Als je binnenkomt in het paviljoen, lijkt het alsof er een schilderij van Mark Rothko aan de muur hangt, en daarnaast een werk van een arte povera-kunstenaar, met er tegenover een sterk voorbeeld van Amerikaans minimalisme. Het zou een leuke test zijn om het werk te laten hangen, en te kijken of de kunstbiënnalebezoekers doorhebben dat het hier bijna letterlijk om straatkunst gaat. Al met al hebben de Belgen een van de mooiste paviljoens.

Gouden Leeuw voor vissershutten Bahrein
Een paviljoen waarin de architectuur niet wordt getoond, maar wordt beleefd. Ook al. Maar de expositie van Bahrein, die zaterdag werd bekroond met een Gouden Leeuw voor het beste paviljoen, gaat wel veel verder dan wat geluidsfragmenten of een beetje stoom. Er staan drie vissershutten, die in Bahrein zijn afgebroken en in de Arsenale weer zijn opgebouwd. De samenstellers vragen er aandacht mee voor de informele architectuur van gewone mensen, en voor hun leefomstandigheden. In een eeuw tijd is Bahrein van een vissersnatie veranderd in een oliestaat. Voor de vissers die nog over zijn, wordt het leven steeds moeilijker. Steeds opnieuw wordt land aangewonnen, waardoor zij weer verdreven worden. Bezoekers kunnen plaatsnemen in de hutten, en luisteren en kijken naar vissers die via filmpjes hun verhaal vertellen. Reclaiming the Sea is het motto van de expositie, die in feite staat voor het probleem van de verstedelijking, die ook in Bahrein grote gevolgen heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden