Hier past geen retoriek, maar slechts zwijgen

Wat kunnen gezagsdragers doen na een drama zoals in Dublane, Schotland? Misschien wel helemaal niets, stelt Hugo Young. Maar kunnen ze zich veroorloven dat toe te geven?...

PUBLIEKE personen doen hun best. De minister neemt, met een gekweld gezicht, meteen het vliegtuig naar Schotland. De schaduwminister volgt, lamgeslagen: in zijn geval vallen privé en publieke wereld samen. Een paar jaar geleden nog maar waren zijn eigen kinderen net zo oud.

De koningin is diep geschokt. De premier produceert tijdens een tussenlanding in Cairo voor de getroffenen in Dunblane een paar banaliteiten waaruit blijkt dat hij geschokt is. Er wordt een verklaring afgelegd in het Lagerhuis. De publieke wereld brengt al wat het te bieden heeft in stelling tegen deze verachtelijke daad die zijn weerga niet kent.

In onze ogen moet dit allemaal gebeuren. Het bloedbad is niet alleen de afslachting van onschuldigen, maar een verraad aan wat publieke personen geacht worden te doen, hetgeen minimaal neerkomt op bescherming van het leven. Politici zijn de vertegenwoordigers van ons, de overlevenden, en we hebben behoefte aan hun uitleg.

Het is de ultieme toets van hun welsprekendheid, een toets waarvoor ze - hoe kan het ook anders - zakken. We moeten het doen met gemompel en zorgelijk opgetrokken wenkbrauwen - het is natuurlijk beter dan niets, maar het is ook een illustratie van de grenzeloos verontrustende waarheid dat sommige rampen zich afspelen buiten het publieke bereik.

De publieke taal is een taal van oorzaken en oplossingen. Binnen een paar uur na de moord, lang voordat iemand zelfs maar kon beschrijven wat er was gebeurd, was er op de BBC al een diepgravende discussie gaande over welke lessen er konden worden getrokken en wat er nu diende te gebeuren.

Allerlei verantwoordelijke personen en deskundigen werden, in alle oprechtheid, tot een reactie verleid. Een andere handelwijze zou hebben betekend: afzien van de enige dialoog die ze aankunnen; en dat zouden ze waarschijnlijk hebben beschouwd als het verzaken van hun publieke taak.

En zo werden we onmiddellijk op de hoogte gebracht van de zwakke punten in de beveiliging van scholen. Rapporten van allerlei personen en voorstellen uit allerlei hoeken, nog in de maak of al bestoft, kwamen goed van pas bij de oplossing van het probleem. Er werd gepraat over telefoons bij de ingang van de school, of steekproefsgewijze controles van schooltassen, of een betere kwaliteit van het prikkeldraad: je hoort in gedachten het geluid van dichtslaande deuren na binnenkomst van de maniak.

Een vakbondsleider had het over de overheidsbezuinigingen die het nemen van dergelijke maatregelen in de weg staan. Smakeloos zou je denken en getuigend van een oerdomme ongevoeligheid. Maar deze persoon reageerde op de enige manier waarop hij kon reageren. Tenslotte beginnen in Chicago de leerkrachten pas met hun lessen als de stalen deur dicht is.

En hoe staat het met de controle op wapens? Hoe kwam deze waanzinnige moordenaar aan zijn wapens? Waarom is er geen wet? Is Schotland erger dan Engeland als broeinest van al dan niet krankzinnige schutters? Zal de minister zich hier in allerijl over buigen?

Weer is er hier sprake van een begrijpelijke reflex. Daar hebben we toch wetgevers voor? Als zij de wetten niet maken, wie doen het dan wel? Het is toch zeker hun taak om direct te zoeken naar antwoorden, anders kunnen ze het doel waarvoor ze in de weer zijn net zo goed laten voor wat het is.

Alsof ze gedreven worden door een onbeheersbaar instinct, proberen hele horden experts orde in de chaos aan te brengen. Een orde die echter in het geval van een gymnastiekzaal vol kinderen kennelijk wordt afgeleid van een uitleg die tegengesteld is aan verklaringen van gebeurtenissen elders.

Terwijl na de moord op John F. Kennedy de publieke honger zich richtte op een enkele moordenaar, en er geen rekening werd gebouden met het bedreigende van een samenzwering, geeft deze gebeurtenis aanleiding te zoeken naar een verklaring tegenovergestelde richting.

Alleen door het vinden van een andere, verklaarbare, pragmatische reden, die zijn wortels heeft in de maatschappij en waaraan dus op de een of andere manier door die maatschappij iets kan worden gedaan, kan de publieke persoon de voorzichtige belofte doen dat de misdaad zich niet zal herhalen.

Het is dan ook maar een paar stappen naar het heffen van de beschuldigende vinger door iemand die het voorval in een breder maatschappelijk kader plaatst. Het sociale alibi van ontbering/werkloosheid/verwaarlozing kan één manier zijn om te ontsnappen aan de gruwelijke confrontatie met een slechtheid die niemand binnen de perken kan houden.

Zo zullen eveneens de tekortkomingen van de zogenaamde zorgzame samenleving vast en zeker binnen de korste keren boven komen drijven. Had deze man wel vrij rond mogen lopen? Waar was het maatschappelijk werk? Waarom was hij niet opgepakt? We moeten ervoor zorgen dat dergelijke mensen in de toekomst wel worden opgepakt.

Dit zijn geen reacties waarnaar met verachting moet worden gekeken. Iedere publieke persoon die een op ee dergelijke manier reageerd of het binnenkort niet zal kunnen laten om zo'n reactie te geven, doet iets om de nationale psyche tevreden te stellen.

Oprechtheid heerst alom.

Wel zou de premier, toen hij uiting gaf aan zijn afschuw, net als de leider van de Conservatieven in het Lagerhuis, die zijn diepe medeleven betoonde, dat in overtuigender bewoordingen hebben kunnen doen. Ze gaan tenslotte door voor sprekers en mensen met overredingskracht, voor meesters in de retoriek. Hadden ze niet binnen een uur of twee met uitspraken kunnen komen die enigszins recht deden aan de ongekende misdaad die had plaatsgevonden? Hun fatsoen, hun echte bezorgdheid, hun overweldigende betrokkenheid kan echter niet in twijfel worden getrokken.

Misschien is dat het probleem. Alle fatsoen in de wereld weegt niet op tegen de willekeur waarmee het kwaad toeslaat. Feit is dat een gebeurtenis als deze al dit soort publieke reacties van nul en generlei waarde maakt. Tegen sommige neigingen van de mens is geen kruid gewassen. Dat dergelijke neigingen zich openbaren kan alleen maar bij toeval worden voorkomen. Ze bevinden zich buiten het bereik van de hele batterij aan wapens die de maatschappij en haar woordvoerders ten dienste staan.

Dat leidt tot die ene waarheid die politici en hun gevolmachtigden niet onder ogen kunnen zien: dat er situaties zijn waarin ze zichzelf, met wat ze ook zeggen en beloven, voor de gek houden.

Als godsdienst in onze maatschappij meer zou betekenen, dan zouden wij ons misschien minder druk maken om de diepere zin van een dergelijke daad. Het christendom heeft paradoxaal genoeg altijd veel beter raad geweten met de menselijke slechtheid dan de niet-kerkelijke wereld.

Niet geplaagd door de drang van de politicus tot het vinden van oplossingen, zou de geestelijke, toen hij nog meer betekenis had dan nu, de behoefte van de mens aan een verklaring hebben kunnen bevredigen met een krachtig beroep op het mysterie van het bestaan en de macht van de Duivel.

Dit is iets anders dan het opstellen van een wet die vervolgens met spoed door het parlement wordt gejaagd. Maar in die tijd was het een manier om in het reine te komen met het onbegrijpelijke.

Daartoe lijken we nu niet in staat. Zelfs waanzin moet niet alleen begrepen worden, maar er moet ook stelling tegen worden genomen. Tegen veel van deze reacties valt niets in te brengen.

Het is duidelijk dat scholen voldoende beveiligd moeten worden.

Het is duidelijk dat de veiligheid voor ieder lid van de maatschappij, en niet alleen voor schoolhoofden, stijgt als mensen niet langer met dodelijke messen op straat rondlopen.

Het spreekt voor zichzelf dat er meer toezicht moet komen op de wapenverkoop. En evenzeer spreekt het voor zichzelf dat we bij een tragedie als deze van onze leiders verwachten dat ze de rituelen van medeleven en spijtbetuiging verrichten. Als ze dat niet zouden doen, zou de natie geschokt zijn.

MAAR als ze weinig overtuigend klinken en tevergeefs het instorten van de geordende wereld beklagen, dan komt dat omdat dat precies is wat er is gebeurd en daarmee kunnen ze niet uit de voeten. En misschien geldt dat ook wel voor ons. Als op een morgen zestien kleine kinderen en een leerkracht worden vermoord, moet er simpelweg op een of andere manier troost zijn te vinden in de lessen die deze massavernietiging leert.

De juiste reactie, de enige die voldoet, is het inzicht dat het drama ons niets leert. Met stomheid geslagen en verbijsterd moeten we de confrontatie aangaan met de gruwelijkheid van een misdaad die op geen enkele manier kan worden voorkomen.

Hugo Young is redacteur van The Guardian.

The Guardian/de Volkskrant

Vertaling Jose van Zuijlen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden