Op bezoek in ‘Little Mogadishu’

Hier komt het eerste Somalisch-Amerikaanse Congreslid vandaan: ‘Little Mogadishu’ in Minneapolis

De Democratische afgevaardigde Ilhan Omar in Capitol Hill in Washington, eind januari. Op haar voorstel werd het hoofddoekverbod in het Congres geschrapt. Beeld Jim Watson / AFP

Onder de toehoorders van president Trumps State of the Union dinsdagnacht is het eerste Somalisch-Amerikaanse Congreslid, Ilhan Omar. Ze groeide op in ‘Little Mogadishu’ in Minneapolis, waar volgens Trump ‘een ramp’ plaatsvindt.   

De rolluiken ratelen naar beneden in een winkelcentrum in Minneapolis, terwijl het ‘Allahoe akbar’ uit de luidsprekers zich mengt met de geur van kardemom en kaneel. Lange dunne mannen haasten zich uit de winkeltjes naar de trappen, richting de moskee op de derde verdieping. In de sapwinkel mag de enige niet-islamitische klant gewoon blijven zitten bij de ­gevulde kassa en achtergelaten laptops – hij krijgt zelfs nog wat aanwijzingen voor de smoothie-machine. ‘Je mag de koe zelf melken’, zegt de eigenaar, voor hij bukkend onder het rolluik de gang op gaat. Somaliërs in Amerika: het wantrouwen is niet wederzijds.

De Karmel Mall moet een van de noordelijkste stukjes Afrika ter wereld zijn. Een betonnen labyrint van gangen en hokjes vol gewaden of thee, waar vrouwen doorheen suizen en kinderen verstoppertje spelen en mannen kommen geitesoep naar binnen lepelen. Dit had willekeurig welk woestijnland kunnen zijn – als niet de sneeuw over de parkeerplaats zou wervelen, bij een temperatuur van 20 graden onder nul.

Hier, in het hoge noorden van de Verenigde Staten, hebben zo’n vijftigduizend Somaliërs sinds eind vorige eeuw het beloofde land gevonden. Ze zijn gevlucht voor de burgeroorlog en kwamen toen hier in Minnesota terecht, omdat een plaatselijke kalkoenslachterij dringend mensen nodig had en de Somaliërs daar niet vies van waren, van het slachten van kalkoenen. Nu zie je ze overal, als veiligheidsmedewerker op het vliegveld of als taxichauffeur of als verpleegkundige of arts in het ziekenhuis.

Met als hoogtepunt, afgelopen ­november, de verkiezing van de eerste Somalische Amerikaan in het Huis van Afgevaardigden, een van de twee eerste moslima’s aller tijden, en nog eentje met een hoofddoek ook, voor wie de regels van het Huis speciaal veranderd zijn zodat ze haar hijab als volksvertegenwoordiger kan dragen. Op de parkeerplaats van Karmel Mall knippert in rood en groen een matrixbord, met de datum en de temperatuur, en dan ineens, in kapitalen: GEFELICITEERD ILHAN OMAR!

De Somaliërs waren lange tijd welkom in Amerika, tot Donald Trump besloot dat ze niet meer welkom waren. Tijdens een campagnestop in Minneapolis, vlak voor de verkiezingen in 2016, zei hij tegen lokale aanhangers dat er ‘een ramp’ plaatsvond in Minnesota, door de ‘zeer grote aantallen Somalische vluchtelingen die de staat binnenkomen zonder jullie medeweten, ­medewerking of goedkeuring’. Hij was er klaar mee. ‘Jullie hebben genoeg geleden.’ Geen vluchtelingen meer, beloofde hij, ‘dat is het minste dat we kunnen doen!’

Trump hield woord. Hij was nog niet geïnaugureerd of hij zette Somalië op de lijst van landen waarvan de inwoners niet meer welkom zijn in de Verenigde Staten. Geen Somaliër komt het land nog in, tenzij bij zeer hoge uitzondering. ‘Het is niet alleen een enorm probleem voor mensen die hun vrouw of familie wilden laten overkomen’, zegt Ahmed Jemale in de sapwinkel, een jongen die al jaren onderweg is en via Malta, Nederland (‘Geen kwaad woord over de IND! Iedereen kreeg een advocaat’) en weer Malta in de VS belandde. ‘Maar het is ook gewoon een grote belediging voor alle Somaliërs hier. Trump noemde ons een ramp. Ineens waren we allemaal ongewenst.’

Als de president in zijn State of the Union weer over de gevaren van immigranten begint, dan zou Ahmed zich daardoor aangesproken voelen, zegt hij. Ook al is hij allang Amerikaans staatsburger. Maar tegelijkertijd weet hij ook dat Ilhan Omar daar ergens in die zaal zit te luisteren. ‘Dat maakt me trots en gelukkig. Haar verkiezing geeft haar de kans te laten zien wie wij werkelijk zijn.’

‘De mensen van Minnesota zijn geen racisten’

Er staan lange rijen voor het Minnesota History Center, een verrassend groot gebouw in hoofdstad St. Paul, het Siamese tweelingzusje van Minneapolis. De tentoonstelling Somalis + Minnesota trekt volle zalen – de bezoekers zijn benieuwd naar het leven dat hun stadgenoten hebben achtergelaten, en het leven dat ze hebben meegebracht. Er zijn nomadenhutten nagebouwd en je kunt een kameel laden en er is een galerij ingericht met Somalische sterren uit Minneapolis, van een lokale imam tot een fotomodel. Het speciaal bij deze gelegenheid uitgegeven kookboek, vol ‘Somalische familierecepten met een Minnesota-draai’, is uitverkocht.

‘De mensen van Minnesota zijn geen racisten’, zegt Osman Ali, een in 1995 naar Amerika gekomen restauranthouder die de expositie heeft samengesteld. ‘Immigranten zijn hier altijd welkom geweest. We hebben gelijke rechten, we hebben overal toegang, we kregen banen en huisvesting en de lonen zijn hier beter dan in andere staten.’

Ali heeft met eigen geld de afgelopen jaren een museumpje gebouwd in Little Mogadishu, de wijk waar veel Somalische immigranten als eerste zijn geland. ‘Hier, dit weefgetouw: 1.300 dollar’, zegt hij. ‘Maar ik vind het belangrijk om die dingen hiernaartoe te halen en te laten zien. Somaliërs zijn trotse mensen. Lange tijd dachten we allemaal dat we terug zouden gaan, maar er is te weinig om naar terug te gaan. Als we niet naar ons land terug kunnen, haal ik ons land hiernaartoe.’

De moskee op de derde verdiepeing van Karmel Mall. Beeld Lauren Justice

Little Mogadishu heet eigenlijk ­Cedar Riverside, een wijkje in de bocht van de rivier, van oudsher de plek waar immigranten zich hebben gevestigd. Hier, op de oever van de Mississippi, de meest Amerikaanse rivier van Amerika, nu vol ijsschotsen, bouwden in de 19de eeuw de Zweden en Noren en Finnen aan een nieuw Scandinavië. Nu zitten er restaurants met namen als The Red Sea en Baarakallah, met in het hart een bruut betonnen flatcomplex waar dik ingepakte mannen met mutsjes van het lokale football-team Minnesota Vikings elkaar begroeten met een ‘salaam aleikum’.

‘Sommigen hebben het gevoel dat ze nog steeds in Mogadishu leven’, zegt Ali. ‘Je kunt tegenwoordig een eind komen zonder Engels – als zelfs de dokter Somalisch spreekt. Maar je ziet ook dat mensen verder beginnen te kijken dan hun eigen gemeenschap. We zijn handelaren, er zijn vijfduizend Somaliërs met een eigen business hier. Dat kan een koffiewinkel zijn voor Somaliërs, maar de jonge generatie wil meer, en ziet dat de markt groter is als je Engels spreekt.’

Ilhan Omar wilde ook meer, nadat zij als 12-jarige uit een Keniaans vluchtelingenkamp naar de VS was gekomen. Haar moeder was overleden toen ze 2 jaar was, haar vader, een leraar, begon in Minnesota helemaal opnieuw, als taxichauffeur. Ilhan werd via school en universiteit sociaal werker en politiek actief. Ze werd gekozen in het parlement van Minnesota en veroverde ­vorig jaar, op haar 36ste, een zetel in Washington als zogeheten Justice Democrat, met een onversneden linkse agenda.

(Van links naar rechts) Mushtaq Osman, 9, Siham Osman, 5, Hamza Osman, 11, Sabrin Osman, 15, en Mantaz Osman, 10 in een kledingzaak. Beeld Lauren Justice

De Amerikaanse droom is voor haar dan wel uitgekomen, maar ze weet dat het land geen droomland is. ‘Bij de inburgeringslessen die ik kreeg toen ik hier kwam, zaten geen lessen over daklozen’, zei ze een paar weken terug tegen The New York Times. ‘Het ging over een Amerika waar welvaart gegarandeerd was. Het maakte niet uit waar je was geboren en hoe je er uitzag en wat je geloofde. Ik vond die ­hypocrisie ongemakkelijk.’

Ze werd Amerikaans staatsburger, maar ging na 9/11 een hoofddoek dragen om haar identiteit te benadrukken. Haar droomverhaal is voor anderen een nachtmerrie: toen de Democraten in januari instemden met haar voorstel om het 181 jaar oude verbod op hoofddoeken in het Congres op te heffen, waarschuwde een christelijke dominee dat het Capitool ‘er nu uit gaat zien als een islamitische republiek’. De afgelopen weken is zij steeds meer het mikpunt geworden van rechtse kritiek. Ze zou homofoob zijn (ze twitterde dat voormalig Trump-criticus/huidig Trump-steunpilaar Lindsey Graham ‘gecompromitteerd’ moest zijn), ze zou antisemitisch zijn (ze twitterde in 2012 dat Israël ‘de wereld heeft gehypnotiseerd’ en ‘kwaad doet’), en ze zou aanslagen van de Somalische terreurgroep Al-Shabaab goedpraten (ze zei in 2013 dat terrorisme een ‘reactie op een situatie’ is die door andere spelers in de wereld is gecreëerd).

Een gekleurde, islamitische, vrouwelijke, progressieve volksvertegenwoordiger met wortels in Somalië: natuurlijk is daar van alles mis mee.

‘Deze kinderen, man, deze kinderen zijn de toekomst’

De eerste keer dat Abdi Barhat sneeuw zag was hij er echt bang voor, vertelt hij. ‘Ik heb mijn werk gebeld om te zeggen dat ik thuis bleef’, zegt hij. ‘Ik zag het vallen en dacht dat het pijn zou doen. Pas toen ik andere mensen door de straat zag lopen durfde ik naar buiten.’

Maar zijn dochtertje Shadiya (5) doet niets liever dan in de sneeuw spelen, zegt Barhat. Hij serveert Somalische thee, met kruiden en suiker en veel melk, in een klein appartement even buiten St. Paul, waar aan de muur de muur de ingelijste bewijzen hangen van zijn prestaties: een diploma van Google en een papier van de vakbond en een oorkonde van de One Day Citizen’s Academy, gearrangeerd rond een eerste diploma van zijn dochter. Barhat kwam in 2009 naar de Verenigde Staten, leerde Engels, werkt dertig uur per week en studeert dertig uur per week: over acht maanden moet hij zijn ­bachelor informatica binnen hebben. Hij voetbalt en gaat de deuren langs voor kandidaten van de plaatselijke afdeling van de Democratische partij. ‘Ik wil een goede burger zijn, ik wil onderdeel van de gemeenschap zijn’, zegt Barhat (36), wiens opa als vrijwilliger in het leger van generaal De Gaulle in 1944 sneuvelde op de stranden van Normandië. ‘Maar ik ben vooral een familieman. Als ik mijn dochtertje van school haal valt alle stress van me af. Dan hoef ik er alleen nog maar voor haar te zijn.’

Abdi Barhat thuis met zijn kinderen. Beeld Lauren Justice

Hij neemt een slok thee. ‘Wacht, ik moet je wat laten zien’, zegt hij, en loopt naar de slaapkamer waar zijn 1-jarige zoontje net wakker geworden is, en neemt hem mee naar de huiskamer om hem het alfabet te laten opzeggen. Zijn vrouw kijkt stil maar trots toe. ‘Ik zei het je toch? Het alfabet! Eén jaar! Deze kinderen, man, deze kinderen zijn de toekomst.’

Alleen de situatie met zijn moeder. Hij praat niet makkelijk over haar, ze is ziek, hij had beloofd voor haar te zorgen. Hij maakt 300 dollar per maand over, maar ook in Somalië zijn medicijnen duur, en ‘met één vinger kun je je gezicht niet wassen’, zegt hij. Hij had beloofd haar naar Amerika te halen, zoals alle Amerikaanse staatsburgers hun ouders naar Amerika mogen halen, zoals ook Melania Trump haar ouders naar Amerika heeft gehaald. Maar ja: het inreisverbod.

‘Hij moet beter zijn best doen’, zegt zijn vrouw. Barhat kijkt hulpeloos. ‘Ik zou hier alle uren van de week in willen stoppen. Maar dit is het enige dat ik met hard werken niet voor elkaar kan krijgen.’

‘Dan trakteerde hij op Pizza Hut, en praatten we over Syrië’

Ahmed Jemale. Beeld Lauren Justice

‘Ben je een recruiter?’, vraagt de jongen achter de toonbank van kruidenierszaakje licht wantrouwig.

Dat is de vraag die je vaker krijgt als je vrienden probeert te maken in de Karmel Mall. De politie heeft de afgelopen jaren intensief geprobeerd te infiltreren in de Somalische gemeenschap. Maar een vriend stelt hem gerust. ‘Nee joh, daar gebruiken ze alleen nog ­Somaliërs voor.’

Het is ‘some fucked-up shit’, zegt de verkoper. Hij heet Abdullahi Hassan (21) en heeft van dichtbij de FBI-operatie van 2015 meegemaakt, toen een van zijn vrienden op de basketbalvelden van Little Mogadishu jongens begon te werven voor Islamitische Staat. ‘Dan kwam hij aanrijden en vroeg hij of we meegingen. Ik stapte soms in, en dan trakteerde hij op Pizza Hut, en praatten we over Amerika en Syrië. Later gingen ze ook filmpjes kijken, van onthoofdingen en de verbranding van die piloot, maar daar was ik niet bij. Ik heb geluk gehad. Ik weet nog, één keer, was ik bijna ingestapt, maar ik was aan het spelen, ik zat zo lekker in de game, ik heb het niet gedaan. Die jongens zijn later allemaal opgepakt. Basketbal heeft mij gered.’

De FBI had reden zich zorgen te ­maken: er waren al wat jongens uit Minneapolis afgereisd naar het front in ­Syrië. Vanaf 2015 probeerden de autoriteiten daar greep op te krijgen, en wisten een terrorist in de dop, Abdirahman Bashir, als informant te werven. Die struinde vervolgens gewapend met een microfoontje de veldjes en moskeeën af, en hielp in 2016 twee vrienden naar San Diego om daar valse paspoorten te halen en dan naar Mexico over te steken, om vervolgens af te reizen naar het Midden-Oosten. De twee werden in San Diego gearresteerd en zijn met nog een handvol anderen veroordeeld – de poging zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie werd in een geruchtmakende zaak gelijkgesteld met intentie tot moord. De straffen liepen op tot 35 jaar. Bashir, de informant die volgens Hassan de spil was, ging vrijuit.

‘Dat waren jongens met wie ik speelde’, zegt Hassan. ‘Zij zitten nu voor jaren vast, terwijl de echte terrorist vrij rondloopt. Ik heb geen hoge pet meer op van gerechtigheid.’

Ligt dat aan Trump? Nee, dit zit dieper, zegt Hassan. En Trump heeft zijn goede kanten, zegt hij: hij is misschien gek, maar goed voor ondernemers – ook Somalisch-Amerikaanse ondernemers. ‘Maar toen hij zei dat Somaliërs een ramp zijn, en toen zo veel mensen hem daarom toejuichten, toen werd het voor mij duidelijk. Dit land heeft nog veel te leren.’

Deze vrouwen nemen het op tegen Trump
Donald Trump is over de helft van zijn eerste termijn heen. Welke vrouwelijke Democraten willen hem van een tweede termijn afhouden?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.