'Hier ben ik geboren'

Vervuld van melancholie was ik niet. Maar even slikken was het wel, toen eind 2010 in Beverwijk met vlagvertoon en toespraken van een wethouder en de directeur van woningcorporatie Pre Wonen feestelijk het begin werd ingeluid van de grootscheepse vernieuwingoperatie van de Plantagebuurt.


Vijftig, zestig bewoners trotseerden de natte sneeuw en kou om getuige te zijn van de feestelijkheden. Tien portiekflats van naoorlogse makelij, 344 eenheden, hún woningen, gaan in fasen plat, de komende jaren. Er komen 314 riante, goeddeels betaalbare eengezinshuizen en appartementen voor in de plaats. Sommige bewoners zullen terugkeren, de meesten trekken naar andere, minder spartaanse wijken.


De eerste flat, aan de Platanenlaan, is inmiddels met de grond gelijk gemaakt. Voordat de slopers kwamen, was het gebouw in brand gestoken. De gevels waren geblakerd. Geen actie van rancuneuze bewoners of vandalen; de brandweer had er realistisch mogen oefenen. Het maakte niet uit voor de desolate aanblik daarna, voor de associaties die het karkas opriep met een getto.


Niets bijzonders, die sloop van dat buurtje, een van de slechtste uit het woningbezit van Pre Wonen in Beverwijk. Zo vergaat het jaarlijks tientallen bouwsels uit de jaren vijftig. Deze flats, meest vier woonlagen, werden letterlijk uit de grond gestampt om de woningnood van na de oorlog te lenigen. Daarbij kwam de acute noodzaak duizenden arbeiders van de Hoogovens te huisvesten die de IJmond, heel Nederland, welvaart zouden helpen brengen.


De portiekwoningen in de Plantagebuurt lijden aan betonrot - soms dreigt een balkon neer te storten. Er zijn problemen met vocht, met de afvoer. De buurt verpauperde, hangjongeren en toenemende criminaliteit (zoals wietteelt) versterkten gevoelens van onveiligheid. Sloop en nieuwbouw liggen dus voor de hand. Een zegen voor de bewoners én voor Beverwijk. Niets herinnert over tien jaar nog aan hun aanwezigheid.


Alleen: de Plantagebuurt is ook míjn buurt. Ik ben er geboren en getogen. Mijn kindertijd voltrok zich op de smalle groenstroken tussen de flats waar we voetbalden. Op de trottoirs waar we rolschaatsten. In het struikgewas en de kelders waar wij, tientallen buurtkinderen, verstoppertje speelden en elkaar, gewapend met pvc-buizen, met zelfgedraaide papierpijltjes en spuugbessen bestookten. Waar we stiekem de peukjes oprookten die de werklozen en ziekgemelden wegschoten tijdens het wachten op hun beurt voor de deur van het GAK-administratiekantoortje tegenover ons huis.


Sinds ik, een klein jaar geleden, door kreeg dat 'mijn' wijkje plat ging, toog ik er nu en dan heen. Ik mag er inmiddels bijna veertig jaar weg zijn (toen ik 12 was verhuisde ons gezin naar een zonniger leefomgeving), het gevoel dat de Plantagebuurt nog steeds ook een beetje van mij is, dat gevoel, sentiment misschien, is alleen maar sterker geworden. Het slenteren door de Pieter Verhagenlaan, de Platanenlaan zonder platanen, de Meidoornstraat zonder meidoorns, trekt me onherroepelijk terug naar de jaren zestig, toen de welvaart voor iedereen waarneembaar om zich heen greep.


Ons gezin met twee, later drie kinderen, woonde relatief luxe, in de enige rij eengezinswoningen die ons buurtje kende, aan de Meidoornstraat. Een woonkamer van 6 meter lang. Drie slaapkamers en een douchecel met lavet, en een per inschuifbare 'vlizotrap' (vliering/zolder) bereikbare vliering van maximaal 1,5 meter hoog, waar ik als tiener sliep en mijn ouders gebukt liepen.


Het huis was krap en gehorig, klaagden mijn ouders. Ze hoorden alles van de buren. Toen mijn veel jongere broertje was geboren, sliep mijn vader een tijdje in de schuur, omdat hij anders door het luide babygehuil slaapgebrek opliep en te moe zou zijn voor zijn werk bij de Hoogovens.


De eengezinshuizen staan er nog, en blijven behouden - het enige eigenwoningbezit van de buurt. Ons voormalige huis ('Hier waak ik', waarschuwt een bullebakhond aan de voordeur) kijkt uit op de hoge zijgevel van een flat. De portieken daar waren muf. Het rook er bijna altijd naar eten, omdat als gevolg van de onregelmatige ploegendiensten van de Hoogoven-arbeiders ook 's ochtends avondeten werd bereid. Als je binnen was, moest je altijd zachtjes doen - voor de slapende vader die net uit de nachtdienst kwam, of anders voor de buurman.


Het was een kinderrijke buurt. Het katholieke gezin twee huizen verderop telde zes kinderen. Een gezin aan de andere kant wel acht. Bij het douchen was hun boiler naar verluidt altijd leeg.


De jongens voetbalden in de smalle groenstroken tussen de parallelle flats - we 'speelden om de hoek', volgens de gangbare naoorlogse woonfilosofie. Een flinke trap eindigde niet zelden op een balkon éénhoog, misschien wel tegen de net gewassen lakens. Het hing af van de vergevingsgezindheid van de bewoonster of en wanneer we de bal terugkregen - en in welke staat. Soms was de bal met een driftige kerfbeweging lekgesneden. Soms ook werden excuses verlangd in aanwezigheid van een der ouders - en loze beloften van beterschap.


Bij mijn omzwervingen door de buurt, is de afwezigheid van kinderen misschien wel de meest opvallende verandering in de loop van de jaren. Er lopen een paar moeders met kinderwagens, wat vaker allochtoon dan 'oorspronkelijk' Beverwijks, maar zeker niet alleen. Op de groenstroken zijn lang geleden, na de aanhoudende klachten van de flatbewoners over de voetbaloverlast, bomen geplant, die de jeugd het ongehinderd pegelen onmogelijk hebben gemaakt. Nu zie je er, een hond daargelaten, überhaupt niemand meer.


Op enkele balkons zijn schotelantennes bevestigd - daarmee zijn de voornaamste veranderingen sinds mijn kindertijd wel vermeld. Minder bloembakken. Meer rommel. Nog steeds wasgoed.


Ik gluur door de grote doorzonramen naar binnen, in de flats en de rijtjeshuizen van mijn Meidoornstraat - het gevoel bekruipt me soms deel uit te maken van Gulliver's Travel; reus in lilliputverleden. Natuurlijk, ik ken er niemand. Vrijwel alle oorspronkelijke bewoners zijn dood of net als hun nakomelingen weggetrokken. De interieurs zijn meegegaan met de tijd. Er zijn erkers en keukens aangebouwd en dakkapellen geplaatst, waarbij de daken zo zijn opgehoogd dat volwassenen op zolder rechtop kunnen staan.


Als er iets onveranderd lijkt, zijn het de onsterfelijke struiken langszij de flatgebouwen, de muffe portieken, de tegels op de stoep, de betonnen oprijpaadjes voor de garages, het asfalt van het speelplein iets verderop waar we nooit voetbalden wegens geschaafde knieën en ellebogen bij een val.


Hier zijn de klinkers waar mijn buurjongetje werd overreden door de kar van de melkman, toen ik hem onbesuisd hard had geduwd op zijn driewieler. Daar stroomden het trottoir en de straat vol nieuwsgierigen, gelokt door een ambulance met sirene, toen meneer E. op éénhoog in de flat aan een hartinfarct overleed. Het was, voor zover wij kinderen wisten althans, het eerste sterfgeval in de buurt.


Langs deze garage liep ik naar het achterompad richting ons huis. De eigenaar stortte er zelf het beton van het pad. Toen het de volgende ochtend was uitgehard, bleek er 's nachts een kat overheen te hebben gelopen. Als je het weet, kun je de afdrukken van de pootjes nog steeds herkennen. Hier lieten we peukjes smeulen met behulp van de zon en een vergrootglas. Daar parkeerde de buurtbewoner zijn Trabant - een auto van kunststof, onverslijtbaar mirakel, een belofte voor de toekomst.


Wat verderop in de Meidoornstraat herken ik de naam van de familie Wilbrink. Die woonde er gelijk met ons! De namen van drie van de vijf kinderen schieten me meteen weer te binnen. Binnen, aan de tafel vlakbij het voorraam, zit mevouw Hilbrink. Ik bel aan. Ze herkent meteen mijn naam. De deur zwaait open.


Wil Wilbrink (78), weduwe en gepensioneerd gezinsverzorgster, vertelt over de vroege jaren, toen de vijf kinderen opgroeiden en er een paar naar zolder verhuisden. Daar hadden ze natuurlijk geen eigen kamer, maar wel hun eigen bed en hun eigen kastje. Toen de kinderen nog echt klein waren, spanden de ouders zonodig waslijnen in de woonkamer om de katoenen luiers te drogen te hangen. Toen haar man 50 werd, lagen er zes logés in de woonkamer. Geen probleem.


Ze zag geboren Beverwijkers uit de buurt wegtrekken en Turkse en Marokkaanse komen. De Marokkanen kwamen van het Rifgebergte, die waren gewend hun afval op straat te gooien. Toen ze dat hier ook deden, leidde dat tot wrijvingen. Maar later loste dat zich grotendeels op. En zeg nou niet dat het een typisch Marokkaans probleem is. Want bij de papierbak staan ook dozenvol kranten van de autochtonen die geen zin hebben ze er netjes in tegooien.


Toen Pre Wonen per brief aan de bewoners van de Meidoornstraat liet weten dat de wijk op de schop zou gaan, klonken er protesten van de eigenaren. Want aan de overkant van de straat komen eengezinswoningen. Dan koop ik luxaflex en doe ze dag en nacht naar beneden, had een van de buurvrouwen gezegd. Nou, gezellig, had Wilbrink geantwoord.


Van haar mógen de flats plat. Want nu is het een rotzooitje, en wat stilstaat gaat achteruit. Emotioneel wordt ze er evenmin van, dat het 55 jaar oude decor van baksteen en beton verdwijnt. Ze verheugt zich er juist op, hoe de buurt zal opknappen.


Bij het straatfeestje van Pre Wonen, bij de zandvlakte die resteert nu de eerste flat aan de Platanenlaan is gesloopt, was van heimwee naar vroeger evenmin veel te merken. Een van de bewoonsters, een moeder van vier kinderen, vertelde dat ze ronduit blij was met de sloop, al was het maar omdat hun oude etage de herinneringen droeg aan de ziekte, kanker, van haar dochtertje. Dat laat ze in haar nieuwe huis straks, achter zich. Het meisje is genezen. En straks heeft ze, net als haar broertjes, een eigen slaapkamer.


Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden