'Het zorgeloze is verdwenen'

Cyrille Fijnaut, 's lands meest geconsulteerde criminoloog, neemt afscheid. Een man zonder raadsels, maar vol geheimen. Over het gure academische klimaat, de veranderende samenleving en de macht van de georganiseerde misdaad. 'Het geweld heeft endemische proporties gekregen.'

Na een spraakwaterval van twee uur gaat Cyrille Fijnaut (64) plotseling langzamer praten. 'Ik ben een van de weinigen', zegt hij met lichte twijfel in de stem, 'die de foto's heeft gezien van de lijkjes van Julie en Melissa. Ik heb er nooit met een derde over gesproken. Die kleine blonde meisjes...'

Het is november 1996. Fijnaut zit in de Wetstraat te Brussel gebogen over dossiers van de Bende van Nijvel, als onverwacht Marc Verwilghen, voorzitter van de commissie Vermoorde en Vermiste Kinderen voor zijn neus staat. 'Cyrille, je moet me helpen, we mogen geen dag verliezen.'

De zaak-Dutroux is in een stroomversnelling geraakt. Fijnaut wordt gevraagd om een analyse en een vragenlijst voor rijkswachters, onderzoeksrechters en bestuurders. Een steekkar vol dossiers komt zijn kamer binnen, hij belt zijn vrouw en zegt: 'Ik kom voorlopig niet thuis.'

Op zachte toon: 'In de dossiers zat een enveloppe met foto's over de vondst van die twee kinderen. Ik ben wel wat gewend, heb het nodige gezien als inspecteur van politie: zelfmoorden, afschuwelijke auto-ongelukken. Maar in de context van de verhalen die je over Dutroux hoorde, deden deze foto's me verstommen. Het was zó droevig. Ik heb Verwilghen gebeld en gezegd: 'Dit mag nooit en te nimmer publiek worden. We moeten deze foto's ogenblikkelijk wegsteken in de zwaarste kluis van dit parlement.' Zo is het ook gegaan.'

Wijlen Willem Oltmans noemde Arthur Docters van Leeuwen eind jaren negentig 'de gevaarlijkste man van Nederland', omdat niemand anders dan deze oud-directeur van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en voorzitter van het college van procureurs-generaal beschikte over zoveel gevoelige informatie over personen en geheime politieonderzoeken.

In Oltmans' retorica zou Cyrille Fijnaut (64) een goede tweede zijn. Hij is een man zonder raadsels, maar vol geheimen. Criminoloog hors catégorie. Vertrouwenspersoon van brigadiers, rechercheurs, officieren en onderzoeksrechters, tot aan wat hij zelf noemt de 'allerhoogst-geplaatsten' in Nederland en België. Discretie is zijn handelsmerk.

Velen hebben bij hem thuis in Tilburg op de sofa gezeten, waar de goedlachse Limburger, die vanwege zijn Vlaamse dictie vaak voor Belg wordt versleten, audiëntie houdt in dienst van de wetenschap. Als vanzelf wordt hij bij alle grote politiek-gevoelige onderzoeken als rapporteur aangesteld. Of het nu gaat om de Bende van Nijvel, de zaak-Dutroux, de commissie-Van Traa of de moord op Fortuyn. In mei nog overhandigde hij aan minister Opstelten en de Amsterdamse burgemeester Van der Laan het rapport over 'Emergo', een bestuurlijke krachtsinspanning om de georganiseerde misdaad op de Wallen terug te dringen.

Fijnaut heeft een cv van 60 kantjes en een bibliografie van 49. Met grote ijver legt hij alles vast. Op grond van het dossier-Fortuyn, opgeborgen in zes kluiskasten, schreef hij een rapport met ruim achthonderd voetnoten. 'Ik heb altijd ervoor gezorgd dat ik theoretisch goed ben geschoold, dat ik de grondslagen van wetenschap begrijp, ook in methodische zin. Bronnen, de confrontatie van bronnen, de betekenis van bronnen, check and double check, ik wil alles kunnen verantwoorden.'

Met zijn vrouw Marij bewoont hij een statig herenhuis aan de Ringbaan in Tilburg. Vanaf de eerste verdieping herbergt het een alleszins respectabele bibliotheek. 'Ik heb overwogen een dependance in de tuin te bouwen, maar de bomen en de vogels hebben toch gewonnen.'

De resultante van vijftig jaar studie, zijn bibliotheek, zijn wetenschappelijke en zijn persoonlijke archief worden de komende jaren overgedragen aan de Politieacademie, het Politiemuseum en het Nationaal Archief. De Politieacademie gaf onlangs een persbericht uit over de nieuw verworven collectie van ruim twaalfduizend banden. Zijn vrouw is blij dat er aan de muren ruimte komt voor romans en schilderijen. Maar ze koestert geen illusies dat Fijnaut op zijn lauweren gaat rusten. 'Jürgen Mittelstrass, een door mij geliefde wetenschapshistoricus, heeft een mooi boek geschreven: Wissenschaft als Lebensform. Zo zit dat bij mij ook.'

Het huis hebben ze in 1982 gekocht, nota bene tien jaar nadat hij als inspecteur van de Tilburgse politie was vertrokken om in België een wetenschappelijke carrière op te bouwen. Fijnaut, toen een jonge vader, begon als onderzoeker aan de faculteit Sociale Wetenschappen in Leuven, promoveerde zes jaar later aan de Rechtsfaculteit en werd vervolgens aangesteld als lector.

Halverwege de jaren zeventig kreeg het leven van het gezin een wending. Zoon Orfeus bleek na de kleutertijd verstandelijk zwaar gehandicapt. Het gezin zegde Leuven vaarwel. 'Orfeus heeft het verstandelijk vermogen van een kind van 6. Dat is wel een opgave in het leven.'

'We hebben geïnvesteerd in zijn sociale intelligentie en in zijn motoriek. Hij liep moeilijk. Ik heb zijn fietsje op kistjes gezet om hem te leren trapbewegingen te maken. Elke dag gingen we wandelen; dwars door het struikgewas, zodat hij leerde zijn evenwicht te bewaren.'

Cyrille Fijnaut zelf werkte na zijn Belgische avontuur een aantal jaren als raadsadviseur op het ministerie van Justitie. De wetenschap bleef lonken. In 1986 werd hij hoogleraar Strafrecht en Criminologie aan de Erasmusuniversiteit, in 1988-1989 was hij voorzitter van de vakgroep, daarna was hij hoogleraar in Leuven. Sinds 2004 is hij voltijds verbonden aan de universiteit van Tilburg.

Waarom vertrok u uit Rotterdam?

'Op de faculteit woedde een machtsstrijd en zowel het onderzoek als het onderwijs had daaronder sterk te lijden. In de collegebanken zaten voor het eerst kinderen van havenarbeiders en uit de allochtone gemeenschap. In mijn achterhoofd had ik steeds die uitspraak van Marcus Bakker: 'Mogen arbeiderskinderen eindelijk naar het gymnasium, hebben ze het gymnasium afgeschaft.'

'Als voorzitter van de vakgroep heb ik getracht orde op zaken te stellen, maar het college van bestuur kon het tempo niet bijbenen. Het was de tijd van de eerste visitatiecommissie en alle bureaucratie die daarbij hoorde. In de faculteit zat een aantal docenten die in de jaren zestig en zeventig hadden gehoord over de mars door de instituties, die machtsposities hadden opgebouwd, maar die het ontbrak aan de guts om zichzelf kritische vragen te stellen.'

U keerde terug naar Leuven, uw alma mater. Was het daar zoveel beter?

'Leuven is een oude, sterke Europese universiteit met een Angelsaksische oriëntatie, waar door hoogleraren nog wordt gestreden om het geven van de belangrijke colleges.'

Wat vindt u van het academisch klimaat in Nederland?

'In onze belangenmaatschappij zou de universiteit de vrije ruimte moeten zijn waar je onafhankelijk onderzoek kunt doen. Maar de middelen zijn afgeknepen. Je kunt niet meer investeren in een nieuwe generatie. Tegenwoordig moet je voor onderzoeksgeld naar NWO in Den Haag. Ik heb het één keer gedaan. Je moet er voor een paar centen met weet ik wie concurreren. Een hopeloze zaak.

'Je moet een universiteit ook niet afmeten aan wat een paar man heeft geschreven in een of ander 'wereldberoemd' wetenschappelijk blad met veertig abonnees. Het is belangrijk dat de samenleving van een universiteit iets terugkrijgt. In mijn omgeving ben ik een van de weinige hoogleraren die zich in de stad en streek engageert. Ik werk mee aan het veiligheidsbeleid en geef spreekbeurten voor vrouwengroepen, serviceclubs, kringen van industriëlen: als ze bellen, rijd ik even heen en weer, dat is een kleine moeite. Dit gebeurt veel te weinig.'

U bent een wetenschapper die graag 'met de poten in het bluswater staat': u bent kind aan huis op alle politiebureaus. Hoe heeft u de criminaliteit zien veranderen?

'Geweld is van alle tijden, maar het is harder, expressiever geworden. In Tilburg was de eerste bankoverval in 1966. Toen ik twee jaar later hier bij de politie kwam werken, sprak nóg iedereen erover. Mijn eerste opdracht was om beveiligingsschema's te ontwerpen voor de banken in de stad en de vluchtroutes in kaart te brengen waar wij politieauto's konden posteren. Tegenwoordig zijn overvallen aan de orde van de dag. Het geweld heeft endemische proporties gekregen.'

U heeft onderzoek gedaan naar Joegoslavische en Chinese bendes, Italiaanse maffia, drugssyndicaten van Turken en Marokkanen, maar ook van autochtone groepen die opereren op wat u noemt 'de As van het Kwaad, tussen Maastricht en Amsterdam'. Hoe diep is de georganiseerde misdaad in de samenleving geïnfiltreerd?

'Samen met collega Frank Bovenkerk heb ik in 1996 gerapporteerd over het milieu in de Amsterdamse binnenstad. Wij concludeerden onder meer dat het grote geld uit de drugshandel wordt witgewassen met investeringen in het onroerend goed. Het gaat om zoveel geld dat je het niet kunt wegzetten in nog een vakantiehuis, of een boot. Criminele bendes investeren bij voorkeur in de eigen biotoop. Turken in Turkije, Marokkanen in Marokko. Een paar jaar geleden zaten er in Rotterdam op sinaasappelkistjes, terwijl ze een paleis hadden gebouwd in de Rif.'

De liquidatie van Willem Endstra was volgens u een bewijs van de stelling dat er op grote schaal crimineel geld verdwijnt in het onroerend goed?

'Ja, dat was een bevestiging . In 2006 zei toenmalig burgemeester Cohen: 'Er zijn in de binnenstad illegale machtsstructuren die wij met bestaande middelen niet de baas kunnen.' Dat vond ik een ongelooflijke uitspraak. Hij gaf toe dat hij niet langer de baas was in wat zo'n beetje de binnenstad van iedereen in dit land is. Stel je voor dat de burgemeester van Londen dat zegt, of van Parijs. Dan zou de wereld op z'n kop staan.'

U speelde zelf een rol in 'Emergo': een krachtsinspanning van politie, justitie en belastingdienst om de controle over de Wallen terug te krijgen. Het project is onlangs afgerond. Wat heeft het opgeleverd?

'Aan de ene kant het inzicht dat in dat gebied niet enkele maffiose groepen het voor het zeggen hebben, maar dat daar wel personen en groepen zijn die in diverse criminogene sectoren sleutelposities innemen in de infrastructuur. Aan de andere kant het besef dat je via geïntegreerde rechtshandhaving, met de juiste methoden en middelen, daar een einde aan kunt maken. Die gezamenlijke strategie werkt.'

Om een sterke vuist tegen de misdaad te maken, pleitte u jarenlang voor een nationale politie. U was een roepende in de woestijn. Op de valreep krijgt u uw gelijk.

'Met gekromde tenen heb ik jaren zitten kijken hoe sommige politieke partijen en de voltallige politieleiding een volstrekt onhoudbaar en onbetaalbaar politiestelsel verdedigden, terwijl dit op tal van fronten duidelijk ten koste ging van de operationele slagvaardigheid. Ivo Opstelten was in dit debat jarenlang een opponent.

'Als burgemeester van Rotterdam en als plaatsvervanger in Tilburg is hij tot inkeer gekomen. Twee dagen voor hij vertrok om minister te worden, zei hij me: 'Cyrille, je had groot gelijk: we hadden de nationale politie eerder moeten invoeren. Als er voor mij één reden is om naar Den Haag te gaan, dan is het om die nationale politie te realiseren. We gaan die vergissing goed maken!''

In 1973 was u voorbestemd om met mannen als Eric Nordholt, Jan Wiarda en Ries Straver carrière te maken bij de politie. Ook aanbiedingen uit de politiek heeft u beleefd terzijde geschoven. U had misschien minister kunnen worden. Nooit spijt gehad?

'Nee. Ik heb ervoor gekozen om in vrijheid te onderzoeken en te schrijven wat ik wil. Soms zie ik collega's acteren die met één been in een politieke partij staan en met een ander been wetenschap bedrijven: ik moet zeggen, ik weet niet waar ze staan.'

Wat is uw politieke kleur?

'Ik ben geen lid van een politieke partij en heb mijn voorkeur altijd bewust voor me gehouden. Maar ik ben tamelijk liberaal, ik beweeg me aan de centrum-linkse kant van het politieke spectrum.'

In het afgelopen decennium is de samenleving een slag gekanteld. De politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh; de gestoorde eenmansacties als die op 30 april in Apeldoorn, de schietpartij in Alphen aan den Rijn: wat zegt dit over Nederland?

'De zorgeloosheid is uit de samenleving verdwenen. Het beeld dat maatschappelijke vrede ook op straat een evidentie is, ligt in gruzelementen. In de zaak-Fortuyn sprak ik met politici die mails bleken te krijgen die boven het niveau van schelden uitgingen, die een dreigend karakter hadden. Ze werden in de prullenmand gegooid, want het lag buiten ons voorstellingsvermogen dat je hier vanwege politieke opvattingen kon worden vermoord. Wilders wordt tot in extremo beveiligd, de Tweede Kamer is een vesting. De argeloosheid is weg.'

CV Cyrille Fijnaut

1946 Geboren te Heerlen

1959-1965 Gymnasium

1965-1968 Politieacademie

1969-1974 Studie criminologie en filosofie

1971-1973 Politie-inspecteur Tilburg

1973 Onderzoeker universiteit Leuven

1978 Promotie. Lector Rechtsfaculteit Leuven

1983 Raadsadviseur ministerie van Justitie

1986 Hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam

1989 Hoogleraar te Leuven

2000-2011 Hoogleraar Universiteit Tilburg

1994-1996 Hoofd onderzoeksgroep commissie-Van Traa (Opsporingsmethoden)

2002 Rapporteur commissie-Van den Haak (moord op Fortuyn)

Cyrille Fijnaut is getrouwd en heeft twee zonen

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden