Het zelfgewilde sterven AMERIKAANSE PSYCHIATER SCHETST VERTEKEND BEELD VAN EUTHANASIEPRAKTIJK IN NEDERLAND

EEN BELANGRIJKE vraag in het euthanasiedebat is of de gegroeide praktijk zorgvuldig genoeg is om de weg van een wettelijke regeling in te slaan....

Hendin was nieuwsgierig naar de opvattingen en de praktijk in Nederland en sprak hier met enkele vooraanstaande pleitbezorgers van euthanasie en hulp bij zelfdoding. In het buitenland worden de ontwikkelingen in Nederland met argusogen gevolgd, dat is bekend, maar Hendin maakt het wel erg bar. Van de nieuwsgierigheid die hem hier naartoe zou hebben gedreven, blijkt in zijn boek niets.

Vanaf de eerste pagina kijkt hij met een onmiskenbare vooringenomenheid naar de Nederlandse situatie en lijkt het hem om weinig meer te doen dan een zo macaber mogelijk beeld van de Nederlandse praktijk te schetsen. Met een geraffineerde woordkeus doorspekt hij de beschrijvingen van feiten en opvattingen voortdurend met morele kwalificaties. Hij maakt van de realiteit niet zozeer een karikatuur, hij vertekent die, en dat is erger.

Zo zou euthanasie hier een 'noodzakelijke, van medeleven getuigende reactie bij ernstige ziekte' zijn, zouden artsen 'het leven alleen de moeite waard vinden als aan bepaalde voorwaarden is voldaan', zou de situatie in feite zo zijn dat het 'uiteindelijk de arts en niet de patiënt is die de keuze voor de dood bepaalt', sterker nog: 'de patiënt wordt vaak van het vermogen om te kiezen beroofd. . . én van het leven.'

Om de schijn te wekken dat die vertekening tenminste nog ergens op is gebaseerd, voert hij uitspraken van prominente pleitbezorgers voor euthanasie of hulp bij zelfdoding op, zoals de voormalige hoogleraar gezondheidspsychologie René Diekstra, de huisarts Herbert Cohen, psychiater Chabot en vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. Sommigen zouden zelfs met een soort dubbele agenda werken: zij zouden menen dat de situatie in Nederland allang uit de hand is gelopen, maar dat er geen weg terug is.

Het is duidelijk dat Hendin in de weergave van opvattingen een scheve schaats rijdt. In het hoofdstuk 'Nederlands postscriptum' brengt hij het nog wel op melding te maken van de kritiek van zijn gesprekspartners op de weergave van de gesprekken met hen, maar van invloed is dit niet. Hij houdt vast aan zijn vertekening, misschien nog het meest om tot zijn demagogische conclusie te komen dat 'de Nederlandse ervaring ons leert dat euthanasie eerder de slechtste dan de beste kanten van de geneeskunde naarboven haalt'.

Ouderen, mensen met chronische ziekten, ongelukkige mensen, depressieve patiënten, zij allen lopen volgens Hendin het gevaar 'in naam van illusoire en starre begaanheid' te worden gedood - een geluid dat in Nederland ook heeft geklonken, en af en toe nog klinkt, bijvoorbeeld in de bijdragen van de criminoloog Chris Rutenfrans. Er is een schrale troost: wie de dagelijkse praktijk zo consequent vertekent, blameert uiteindelijk zichzelf; een schrale troost, want een feit blijft ook dat Hendin wel degelijk mensen diep treft.

Na Hendins boek is het een verademing Dood als bevrijding - Overwegingen bij vrijwillige euthanasie van de socioloog en wetenschapsjournalist Joost Visser te lezen. In tegenstelling tot Hendin kiest Visser een zuiver uitgangspunt. Zo zet hij de toon voor alles wat volgt .

De dood van zijn moeder heeft hem tot nadenken gezet - over zijn eigen eindigheid, maar ook over wat er met zijn moeder had kunnen gebeuren, waarbij hij betwijfelt of ze onder bepaalde omstandigheden nog wel had willen leven. Zijn conclusie is even eenvoudig als treffend: 'Sommige mensen kunnen immers meer pijn en ander lichamelijk of geestelijk lijden verdragen dan anderen. In die zin is ook een keuze voor euthanasie, als een uiterste uitweg uit lijden, strikt persoonlijk en nauwelijks voor discussie vatbaar.'

Met deze inzet is de weg vrij voor uiteenzettingen over de stand van zaken rond het zelfgewilde sterven. Met kennis van zaken schetst Visser op hoofdlijnen de weg naar maatschappelijke acceptatie van euthanasie en de hierop haaks staande halfslachtige opstelling van de wetgever. In het hoofdstuk 'Het mag, en het mag niet' tekent hij de nog altijd schizoïde regeling waarin de wetgever euthanasie verbiedt en tegelijk zegt hoe dit verbod netjes kan worden overtreden. Hoe weinig zekerheid deze regelgeving biedt, blijkt uit de recente processen én uit de zaken die bijna tot vervolging hebben geleid; van de laatste geeft Visser enkele sprekende voorbeelden.

Visser beschrijft ook de praktijk. Sommige patiënten zijn drammerig ('Ik heb voor euthanasie getekend, u moet mij dus helpen'), soms blijft een arts om onbegrijpelijke redenen euthanasie weigeren. Ook laat hij zien hoe uitzichtloos een situatie kan zijn als iemand niet in een terminale fase is. Een vrouw die na twee beroertes aan beide lichaamshelften verlamd is, lijdt het meest aan het vooruitzicht dat haar dood niet aanstaande is.

Verder komen dilemma's bij ernstig zieke pasgeborenen, dementen en mensen in langdurig coma aan de orde, en worden de grenzen van hulp bij mensen die niet ziek zijn maar wel hulp bij sterven vragen, verkend. Soms gaat Visser hierbij wat kort door de bocht, vooral als hij standpunten inneemt.

Zo vindt hij dat in laatste instantie ouders mogen beslissen of een behandeling moet worden voortgezet of niet. Dit mag hij vinden, maar dan verplicht hij zich ten minste tot het weerleggen van een gefundeerde andere visie, onder meer van prof. H. Leenen, oud-hoogleraar gezondheidsrecht, die op respectabele gronden meent dat de arts de knoop moet doorhakken. En dat weerleggen doet hij niet.

Ook de positie van verpleegkundigen blijft onderbelicht en in wat hij erover schrijft, laat hij enkele steken vallen. Zo wist de Groningse verpleegkundige Jet van der Weerd - zij beëindigde op uitdrukkelijk verzoek van een patiënt en met toestemming en in aanwezigheid van de huisarts het leven van een doodzieke aidspatiënt - wél dat zij dat naar de letter van de wet niet mocht doen.

Cultureel antropologe en juriste Anne-Mei The wilde weten hoe in een ziekenhuis de beslissingen rond het levenseinde tot stand komen en dan gezien door de ogen van verpleegkundigen. De longafdeling van het Academisch Ziekenhuis Groningen bood haar die gelegenheid en op basis van haar observaties schreef zij Vanavond om 8 uur. . . Verpleegkundige dilemma's bij euthanasie en andere beslissingen rond het levenseinde.

Uit vijftig ziektegeschiedenissen selecteerde zij er tien. In elke casus ligt de nadruk op een bijzonder aspect, zoals: de unieke positie van de verpleging in de relatie met zowel patiënten als artsen, en de mogelijkheden of spanningen die die positie met zich mee kan brengen; de invloed op het pijnbestrijdingsbeleid; de problemen in de communicatie onderling en met artsen; de weerstanden als een arts iemand opneemt, uitsluitend voor euthanasie.

Overtuigend laat The zien dat beslissingen een breed draagvlak vragen en daarom altijd collectieve beslissingen dienen te zijn. Interessant is haar opvatting dat juist vanwege het collectieve karakter het niet strikt noodzakelijk is dat iedereen achter een bepaald beleid staat. De flexibiliteit die aan een zorgeenheid eigen is, biedt mogelijkheden om ondanks verscheidenheid eenduidigheid te garanderen.

Geruststellend zijn haar bevindingen niet altijd. In de eerste casus bijvoorbeeld sterft iemand een langzame verstikkingsdood, die bij een duidelijker communicatie tussen verpleging en arts wellicht voorkomen had kunnen worden, een eis die aan zo'n gespecialiseerde afdeling met een hoge sterfte toch mag worden gesteld. En in het titelverhaal weet de arts die euthanasie gaat verrichten, niet precies welk middel het meest geschikt is en in welke dosering dat moet worden toegediend. Ook weet tot en met de dood van de patiënte niemand of zij de wilsverklaring wel heeft getekend.

Deze misstanden zijn pijnlijk en deels onbegrijpelijk, maar ze kleuren The's boek niet. Dat is maar goed ook, want het gaat om een fundamenteler conclusie, een waarin misstanden minder kans krijgen: verpleegkundigen moeten bij beslissingen rond het levenseinde een belangrijke, soms zelfs beslissende invloed hebben. Als hun taken en verantwoordelijkheden worden erkend en vertaald in normale betrokkenheid bij afwegingen, zullen gevoelens van onzekerheid en machteloosheid wijken voor open communicatie en daarmee leiden tot een solide basis voor beslissingen.

Hans van Dam

Herbert Hendin: De dood als verleider - Een buitenlandse visie op de Nederlandse euthanasiepraktijk.

Vertaald uit het Engels door Peter van der Kaaij.

Gottmer; 224 pagina's; ¿ 29,50.

ISBN 90 257 2891 X.

Joost Visser: Dood als bevrijding - Overwegingen bij vrijwillige euthanasie.

Kosmos-Z & K; 142 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 215 2949 1.

Anne-Mei The: Vanavond om 8 uur. . . - Verpleegkundige dilemma's bij euthanasie en andere beslissingen rond het levenseinde.

Bohn Stafleu Van Loghum; 211 pagina's; ¿ 37,50.

ISBN 90 313 2252 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden