Het zedelijkste volk op vredesmissie

Nederland, dat worstelt met de vraag of het troepen naar Afghanistan moet sturen, leidde in 1913 de eerste vredesmissie ter wereld....

De eerste vredesmissie uit de geschiedenis stond onder leiding van Nederland: in 1913 reisden Nederlandse officieren naar Albanië, waar zij het commando voerden over de Albanese gendarmerie die het geweld tussen de plaatselijke krijgsheren moest beteugelen.

De eerste vredesmissie werd ook een pijnlijke mislukking. De Nederlandse militairen raakten hopeloos verstrikt in de intriges van de Balkan. Op 15 juni 1914 sneuvelde de Nederlandse commandant, majoor Lodewijk Thomson, bij een aanval van Albanese strijdgroepen. Even later brak de Eerste Wereldoorlog uit. De officieren voegden zich weer bij het gemobiliseerde Nederlandse leger, Albanië in chaos achterlatend.

Binnenkort moet Nederland besluiten over de uitzending van een missie naar Afghanistan. Hierover sprak premier Balkenende deze week in morele termen: 'Het gaat om de toekomst van het Nederlandse volk.' Daarmee plaatste hij zichzelf in een lange traditie, waarin Nederland zich opwerpt als morele natie, een onvermoeibaar pleitbezorger van de internationale rechtsorde. 'Een zeker moralisme, denken in goed en fout, de nadruk op het recht, dat zijn wel constanten in de Nederlandse buitenlandse politiek', zegt historicus Remco van Diepen, auteur van Voor Volkenbond en Vrede en Hollanditis.

Maar ook andere constanten spelen een rol in het Afghanistandebat, zegt hij. 'Nederland heeft zich altijd georiënteerd op de Angelsaksische wereld. De relatie met de Amerikanen is heel belangrijk.' Een klein land weet zich graag beschermd door machtige vrienden.

Blazoen

Aan het einde van de 19de eeuw was Nederland op zoek naar een nieuwe nationale missie. De militaire macht van de Gouden Eeuw was definitief voorbij, schreef de historicus W.J. Hofdijk, maar hij zag een nieuwe taak voor de Nederlandse Leeuw, 'den fieren klauw rustend op een blazoen, waarin ge het devies lezen zult: het is schooner het zedelijkste dan het machtigste volk ter wereld te zijn.'

Rond 1900 was Den Haag uitgegroeid tot het belangrijkste centrum van internationaal recht. In 1899 en 1907 kwamen de groten der aarde er bijeen voor twee Internationale Vredesconferenties, waar zij probeerden een grote Europese oorlog af te wenden. De statuur van Den Haag werd bekroond met de opening van het Vredespaleis in 1913.

Hoewel Nederland zichzelf graag als 'het zedelijkste volk' afficheerde, was de nadruk op internationaal recht ook in het eigen belang. Rond 1900 stonden de grote mogendheden tot de tanden bewapend tegenover elkaar. Bij een oorlog zou Nederland kansloos zijn tegen de maritieme supermacht Engeland of de Pruisische vechtmachine van keizer Wilhelm.

Nederland was extra kwetsbaar omdat het Indië, dat enorme koloniale rijk aan de andere kant van de aardbol, nooit op eigen kracht zou kunnen verdedigen. 'Recht is mooi voor de zwakke. Kleine landen zijn erbij gebaat dat de grote mogendheden zich netjes aan de regels houden', zegt Michael Riemens, docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Onlangs promoveerde hij op De passie voor vrede, een geschiedenis van de internationale betrekkingen tussen 1880 en 1940.

De belangrijkste voorvechter van een internationale rechtsorde was de Leidse volkenrechtgeleerde Cornelis van Vollenhoven. In 1910 schreef hij in De Gids zijn beroemde artikel Roeping van Holland. In plaats van de 'lijdende vrede' van het pacifisme pleitte hij voor een 'strijdende vrede': een supranationale rechtsgemeenschap waarin een internationale politievloot de orde zou moeten bewaren. Nederland zou hierin een leidende rol moeten spelen, aldus Van Vollenhoven. Juist een klein en 'belangenloos' land als Nederland was bij uitstek geschikt om te bemiddelen tussen de grote mogendheden en hun vuige machtspolitiek.

In 1913 besloot de toenmalige internationale gemeenschap tot een experiment in de geest van Van Vollenhoven: de pacificatie van Albanië door neutraal gezag. In 1912 waren de Turken van de Balkan verjaagd. Albanië had zichzelf onafhankelijk verklaard, maar werd aan alle kanten bedreigd, zowel door buurlanden Servië, Montenegro en Griekenland als door de onophoudelijke strijd tussen plaatselijke krijgsheren.

Op de conferentie van Londen in 1913 werd besloten de Duitse prins Wilhelm zu Wied, een achterneef van koningin Wilhelmina, tot koning van Albanië te bombarderen. Een nieuw te formeren Albanese gendarmerie zou de lokale warlords uit elkaar moeten houden. Nederland werd gevraagd het commando te voeren omdat het neutraal was en in Atjeh ervaring had opgedaan met het pacificeren van islamitische strijders.

Majoor Thomson, die zich al snel ontpopte als de feitelijke leider van de expeditie, voelde zich een 'pionier der beschaving' in een land dat oogde 'of het nooit nieuw en nooit rein kan zijn geweest', schreef hij in februari 1914. 'Het tijdperk van de Middeleeuwen is eigenlijk voor Albanië nimmer afgesloten.'

Desertie

Het contingent Nederlanders was klein: veertien officieren, twee artsen en een verpleegkundige. De dappere, onbaatzuchtige Hollanders werden voortdurend dwarsgezeten door luie en onbetrouwbare Albanezen, schreef kapitein Fabius op jongensboekachtige toon in Met Thomson in Albanië uit 1918. Zelfs het formeren van een gendarmerie was onbegonnen werk. Als puntje bij paaltje kwam, lag de loyaliteit van de Albanezen bij hun eigen clanleiders, en niet bij die merkwaardige tweederangsvorst uit het verre Duitsland.

De Albanezen deserteerden bij bosjes, hun plaats werd ingenomen door avontuurlijke vrijwilligers die uit alle hoeken van Europa kwamen toegestroomd. Uiteindelijk voerde Thomson het bevel over een rariteitenkabinet: een Duitse fabrikantenzoon die graag dronk en als liefhebberij langs de slagvelden zwierf. Een Brit die aan één oog blind was en met het andere slechts kon zien met behulp van een monocle. Een Nederlander die zelfs in dit gezelschap zo ongeschikt was dat majoor Roelfsema uit eigen zak zijn terugreis naar het vaderland betaalde.

Deze vrijwilligers kwamen slechts opdagen als er iets te schieten viel. Tot wachtlopen en andere nuttige, maar saaie militaire taken verlaagden zij zich niet. Vijftig Roemeense vrijwilligers maakten het nog bonter. Zij paradeerden door de hoofdstad Durazzo (het huidige Durrës), maar bemoeiden zich niet met de gevechten.

Thomsons grootste tegenstander was de krijgsheer Essad Pasha Toptani, die gesteund werd door Italië. Op 19 mei 1914 liet Thomson Pasha arresteren. Onder Italiaanse druk ging koning Wilhelm - een knappe en beminnelijke man die zich beter thuis voelde in het ordelijke Potsdam dan in de wildernis van Albanië - akkoord met verbanning naar Italië.

Binnen de kortste keren was Pasha terug om een opstand tegen de koning te leiden. Op 15 juni 1914 vielen de rebellen Durazzo aan. Thomson spoedde zich naar het front, waar hij dodelijk werd getroffen door een vijandelijke kogel. Ruim een maand later verlieten de Nederlanders Albanië, even later gevolgd door Wilhelm.

Thomsons dood veroorzaakte in Nederland een golf van nationalisme. Zijn kist werd per trein door het land gevoerd. Overal stonden mensen op het perron om de held van Durazzo een laatste groet te brengen. In haar begrafenisrede vergeleek koningin Wilhelmina hem met Michiel de Ruyter en Jan Pieterszoon Coen, het bewijs dat Nederland nog steeds helden afleverde. Thomson kreeg twee standbeelden en werd in 2000 nog postuum ereburger van Durrës.

Het experiment van de eerste vredesmissie eindigde als een tragische operette. Met de internationale rechtsorde van Van Vollenhoven liep het in eerste instantie niet beter af. Op 26 juni 1914 nodigde minister van Buitenlandse Zaken Loudon alle landen uit een vertegenwoordiger te leveren ter voorbereiding van de derde Internationale Vredesconferentie, die in 1915 in Den Haag voor het eerst bijeen zou komen. Twee dagen later viel het fatale schot in Sarajevo.

Statenorganisaties

Toch was Van Vollenhoven een van de grote theoretici van de internationale rechtsorde, zegt Riemens. 'Destijds was duidelijk dat het systeem van soevereine staten tot anarchie leidde, en uiteindelijk zelfs tot de slachting van de Eerste Wereldoorlog. Overal werd nagedacht over manieren om dat anders te organiseren, bijvoorbeeld door statenorganisaties waarin het recht een belangrijke rol zou spelen. Op die manier is Europa uiteindelijk ook gepacificeerd'.

De liberale vooruitgangsdenker Van Vollenhoven zag dat een gemondialiseerde wereld behoefte had aan internationale instituties. Maar ook de argumenten van zijn belangrijkste tegenstrever, de Amsterdamse hoogleraar Struycken, klinken onverminderd actueel. Hij was een conservatieve katholiek die vond dat Nederland zich op de derde Vredesconferentie moest tooien met een 'rustige slaapmuts' en niet met een 'bont harlekijnspak'.

Riemens: 'Recht kun je niet van bovenaf afdwingen, vond Struycken. Het moet van onderop groeien. Je moet eerst cultuur en beschaving brengen. Dan zal de rechtsorde vanzelf ontstaan. Die kwestie is nog steeds aan de orde. Kun je westerse begrippen als verkiezingen, democratie en de grondwet zo maar transponeren naar een andere samenleving?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden