Het wurgen van de trotse vakdocent

Mammoetscholen, boze en ongelukkige leraren, bestuurders met een meer dan vorstelijk salaris. Zonder een drastisch ander beleid dreigt een teloorgang van het voortgezet onderwijs....

Het is nu of nooit voor het Nederlandse onderwijs. Dat vindt Ton van Haperen, politicoloog, leraar economie en universitair lerarenopleider – en hij is de enige niet. Als we niets doen om het maatschappelijk rendement van ons voortgezet onderwijs te verbeteren, betoogt hij, zakt onze economie binnen afzienbare tijd weg in een moeras. De timing van zijn boek, De ondergang van de Nederlandse leraar, is perfect: het verscheen toen de commissie-Dijsselbloem op het punt stond haar parlementaire onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen te beginnen.

Over die grotendeels mislukte vernieuwingen - de basisvorming, de Tweede Fase en het Nieuwe Leren - heeft Van Haperen het zijdelings, al was het maar omdat deze vernieuwingen te snel, zonder voldoende draagvlak bij docenten en ‘budget-neutraal’ werden uitgevoerd. Maar de hoofdlijn van zijn boek is een andere. Hij laat zien dat de huidige toestand van het onderwijs het gevolg is van enkele fatale beleidsbeslissingen.

Zo was er was er in 1984 de HOS- nota van minister Deetman, die het mogelijk maakte de salarissen van beginnende leraren fiks terug te schroeven. De wrok van de nieuwkomers jegens riant betaalde, maar niet altijd actieve collega’s groeide in de loop der jaren. Tussen 1994 en 1998 werd het onderwijs gedecentraliseerd. De macht verschoof van de overheid naar de schoolbesturen. Die kregen een lumpsum waarmee zij alles moesten financieren: gebouwen, docenten, managers. Het schoolbestuur transformeerde van een groepje notabelen dat de identiteit van de school bewaakte tot een ‘beheersinstelling’.

Dit stelsel, schrijft Van Haperen, nodigde uit tot kartelvorming. Scholen gingen fuseren; er ontstonden professioneel bestuurde instellingen met tienduizenden leerlingen. De autonomie van scholen leidde niet tot meer keuzevrijheid, maar tot mammoetscholen die het onderwijs in een regio monopoliseerden – niks marktwerking. De salarissen van de bestuurders groeiden wél naar ‘marktconform’ niveau, dikwijls boven dat van de minister-president. Twee ton, een eigen bestuursvleugel met grote ‘hofhouding’ – heel normaal voor een ‘maatschappelijk ondernemer’.

En de leraar? Die werd in de ogen van de bestuurders ‘een remmer met een vaste aanstelling’, een ‘koning in zijn klaslokaal’, die elke innovatie saboteerde. Aan de rechten van de leraar kon best worden getornd. Eerstegraads docenten werden als tweedegraads betaald. Vakdocenten konden ook wel voor andere vakken worden ingezet en zonodig mochten onbevoegden voor de klas staan. Zo werd ‘de erudiete vakleraar’, schrijft Van Haperen, vakkundig ‘gewurgd’. Hij werd een ‘productiemedewerker’, die zo veel mogelijk leerlingen efficiënt aan een diploma moest helpen, aangestuurd door zijn management. Geen wonder dat veel leraren probeerden een coördinerend baantje te krijgen: meer status, betere betaling en verlost van de immense werkdruk en de klagende ouders. Begrijpelijk dat veel jonge leraren en zij-instromers een leukere baan elders zochten.

En ja, het werd goedkoper. Tussen 1979 en nu daalde het percentage van het bruto nationaal product dat Nederland uitgaf aan onderwijs van 7,8 naar 5 procent. Daarmee bungelen we internationaal onderaan. Onze leraren zijn per leerling per uur de slechtst betaalde van Europa, berekent Van Haperen. In de jaren negentig werd geld gepompt in het onderwijs, maar dat bereikte de leraar en de leerling niet; het ging naar bestuur, management en ondersteunende diensten. De overheid moet nu toezien hoe bestuurders ‘de ondernemer uithangen’ met gemeenschapsgeld.

Intussen heeft het management-denken geen ‘waarneembaar maatschappelijk resultaat opgeleverd’, schrijft Van Haperen. De schooluitval is hoog en veel kinderen presteren onder hun vermogen. De ‘efficiencywinst’ van de bedrijfsmatige aanpak bleef eveneens uit. Wel groeide het ongenoegen. Veel docenten koesteren een haat jegens de bovenbazen waarbij hun vroegere afkeer van ‘Zoetermeerse regelzucht’ verbleekt, en werden machteloze klagers.

De bestuurders zien dat zij de zwarte piet krijgen toegespeeld: alles wat in het onderwijs misgaat is hún schuld. Terwijl zij alleen maar deden wat de overheid wenste: good governance voeren over hun instellingen. Twee van hen, Pieter Hettema en Leo Lenssen stelden een bundel samen, Van wie is het onderwijs?, om voeding te leveren voor het onderwijsdebat. De (oud)bestuurders zijn het opvallend eens over wie eigenaar is van het onderwijs: zijzelf. 'Leraar en leerling zijn niet de betrokkenen van de school', zegt collegevoorzitter Wubbo Wever van Vivente.

Lenssen wijst erop dat de autonomie van de scholen ertoe leidde dat de overheidsbureaucratie is verplaatst naar de scholen. Hettema laat in zijn bijdrage zien dat het aantal directiefuncties bij de schaalvergroting niet steeg; in het voortgezet onderwijs daalde het zelfs. Wel nam het aantal ondersteunende functies toe. Maar de kritiek van mensen als Van Haperen richt zich niet op het aantal managers. Het gaat hen om de toegenomen macht van de bestuurders en het geld dat zij opslokken.

Hettema en Lenssen laten niet alleen bestuurders aan het woord, en dat siert hen. Er staan zeer leesbare stukken in hun boek. Margo Trappenburg pleit voor het behoud van de waarden van ‘de traditionele professional’, tegen de roep om vraagsturing en consumentisme in. Pieter Hilhorst zet alle argumenten en wederzijdse karikaturen van de voor- en tegenstanders van het Nieuwe Leren overzichtelijk bijeen. Ook van Ton van Haperen is een stuk opgenomen, een bondige samenvatting van zijn boek.

Opvallend is de eensgezinde opvatting onder bestuurders dat ‘traditionele kennis’ aan belang heeft ingeboet. Kennis ‘veroudert snel’, is ‘subjectief’ en de leraren zijn geen experts. Niet hun vak is hun vak, maar het ‘leraar zijn’. Natuurlijk, juist kennis en vaktrots maken de ‘erudiete vakleraar’ tot zo’n eigenwijs, inflexibel en onaanstuurbaar portret. Uit de mond van Wever wordt opgetekend: ‘Wanneer heeft een mens iets aan de kennis van breuken? Op de basisschool en de pabo.’

Ronald Plasterk, vast heel goed in breuken, komt ook aan het woord. Hij wil het onderwijs teruggeven aan de docent. Managers moeten ‘dienstbaar’ zijn, leerlingen moeten ‘gewoon goed onderwijs krijgen’ en de leraren moeten ‘winnend over de streep gaan’. In de slotconclusies van Lenssen en Hettema worden de bijdragen van Trappenburg en Van Haperen in enkele zinnen weggehoond, net als die van Plasterk. De minister ‘slaagt er niet in om boven de partijen te blijven staan en daarmee de discussie het gewenste niveau te geven’.

Van wie is het onderwijs? Daarop is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: van de gemeenschap. Een school is geen bedrijf, een bestuurder geen eigenaar, een leraar geen werksoldaat, een leerling geen materiaal en onderwijsresultaten geen product. Het gaat om kwetsbaar menselijk kapitaal, om rendement dat pas jaren later zichtbaar wordt.

Voor Ton van Haperen is het van tweeën één: óf de overheid gaat weer centraal regels stellen, óf het onderwijs wordt onderworpen aan de tucht van de markt. Aan de overheid de taak om kartelvorming te bestrijden, het niveau te bewaken, leraren te beschermen tegen de grillen van het management en hen behoorlijk te betalen. Afnemers en personeel, vindt hij, moeten democratisch hun besturen kiezen. Zo niet, dan zullen ouders en goede leraren uitwijken naar de groeimarkt van het particuliere onderwijs. Van Haperens betoog is overtuigend. Als het Plasterk ernst is met zijn belofte aan de leraar, dan staat hij nu voor een historische beleidswijziging.Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden