Het Westen moet helpen

De landen die nu de ergste klappen van de voedselcrisis opvangen zijn veel te afhankelijk van de internationale financiële markt, stelt Prem Bindraban....

Decennia lang gold: Er is genoeg voedsel, maar de verdeling is het probleem. Er is gemiddeld een hoeveelheid voedsel beschikbaar die gelijk staat aan 2,5 kilo graan per wereldburger per dag. Dat volstaat voor een gezond dieet met een beetje vlees en zuivelproducten. Als Europeaan eten we 4,5 kilo en de Afrikaan moet het doen met 1,4 kilo.

Arme mensen komen doorgaans niet voor in economische overwegingen van vraag en aanbod. Zonder geld kunnen ze immers niet om voedsel ‘vragen’. Er gaat dan ook geen alarmbel rinkelen om de voedselproductie te verhogen bij een miljard hongerige wereldgenoten die we sinds jaar en dag hebben. Vandaag zijn we wel gealarmeerd, omdat mensen die tot voor kort basisvoedsel konden kopen de dupe zijn en de straat op gaan.

Omdat er geen economische noodzaak was om meer voedsel te produceren, is er de afgelopen drie decennia nauwelijks geïnvesteerd in landbouwontwikkeling. Vandaag balanceert de wereld op het scherpst van de snede. Het aanbod kan de toenemende koopkracht in opkomende economieën niet aan en biobrandstoffen nemen een hap uit het beschikbare voedsel. Reserves worden aangesproken en leiden door speculaties tot spectaculaire prijzenstijgingen.

Financiële instellingen en landen met een ontwikkelde landbouw schrijven als remedie voor de grenzen open te gooien. Maar moet een land bij sociale onrust om voedseltekorten zich nog verder afhankelijk maken van de grillen van de internationale markt?

Europa heeft na de Tweede Wereldoorlog met stevig ingrijpen zijn voedselvoorziening veilig gesteld. Het opkopen van voedseloverschotten in jaren met goede opbrengsten en het weer op de markt brengen tijdens slechte jaren diende, bijvoorbeeld, om schommelingen in voedselprijzen binnen acceptabele grenzen te houden. Voedselzekerheid, stabiele economische ontwikkeling en sociale rust werden zo tegen minimale kosten veiliggesteld. Stimulerende en bufferende maatregelen voor de landbouw werden echter afgebroken onder de druk van liberalisering.

De Tortillacrisis illustreert de gevolgen: na de invoering van de vrijhandelszone met Amerika en Canada is Mexico overspoeld door goedkope maïs uit Amerika. Daardoor is de maïsproductie van vooral kleine boeren gedaald. Nu Amerika een groot deel van zijn maïs voor de biobrandstof ethanol gebruikt, betalen de afhankelijk geworden Mexicanen de rekening.

De productie wordt wel weer hervat in Mexico – veelal door rijke herenboeren. Maar zo’n shocktherapie leidt niet tot een stabiele groei waarbij kleine boeren uitgroeien dan wel langzamerhand worden overgenomen.

Ook Afrika heeft zijn landbouw verwaarloosd en industriële ontwikkeling nagestreefd, opgelegd door internationale financiële instellingen. Slechts een handjevol mensen heeft kunnen profiteren van die ontwikkelingen en de rest leeft in barre armoede.

Het herstel van de landbouw verdient hoge prioriteit, al vraagt echte verbetering tien tot twintig jaar. De eerste verantwoordelijkheid ligt bij arme landen zelf, maar in onze mondiale wereld moeten de rijken hun steentje bijdragen.

Ontwikkelingslanden hebben ondersteuning nodig, waardoor ze niet meer zijn overgeleverd aan de grillen van de internationale markt, de goedgeefsheid van onze wereldleiders en de bedenkelijke trends van welvarende naties, zoals eenzijdige liberalisering, vegetarisme en biobrandstoffen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden