'Het was kwaadaardig om ons op missie te sturen'

Voor het eerst doet oud-majoor Rob Franken zijn verhaal over de val van Srebrenica. Na 21 jaar loyaal te zijn geweest aan het 'amateurisme' van Den Haag, kiest hij nu voor zijn 'mannen', die bezig zijn met een claim tegen de staat. 'Het was bijna misdadig om ons op missie te sturen.'

Rob Franken:'Iedereen van Dutchbat III heeft wel een knal gekregen.' Beeld Marcel van den Bergh/ de Volkskrant

Bij de eerste aanblik van de Moslim-enclave Srebrenica wist majoor Rob Franken het al: we maken geen schijn van kans als we worden aangevallen. De plaatsvervangend commandant van Dutchbat III zag de posities van het Bosnisch-Servische leger op de omringende heuvels. Het duurde meer dan twintig jaar voordat de Nederlandse regering toegaf dat de blauwhelmen waren uitgezonden voor 'een opdracht die - reeds op voorhand - onuitvoerbaar was'.

Voor Franken (66) is die uitspraak, dit jaar gedaan door minister van Defensie Jeanine Hennis, reden om twee decennia van stilzwijgen te doorbreken. Hij had schoon genoeg van het 'hysterisch geblaat' van de media na de terugkeer van Dutchbat in Nederland, eind juli 1995. Meer dan achtduizend Moslimmannen en -jongens waren vermoord door de Bosnische Serviërs in de enclave die door de Nederlanders beschermd moest worden. 'In de pers werden we neergezet als lafaards, leugenaars, misdadigers, incompetent, vul maar in. Politici en de legerleiding reageerden niet. Daardoor werd de hetze tegen Dutchbat alleen maar groter. Aan de missie zelf heb ik niet zo veel overgehouden, bij wijze van spreken. Al kwam ik, volgens mijn vrouw, als een ander mens thuis. Wat er daarna gebeurde, heeft het meeste impact gehad.'

Franken was tijdens de val van Srebrenica de facto de commandant van Dutchbat, zeggen ingewijden. De verguisde overste Thom Karremans belde vanuit zijn kantoor op de compound stad en land af om luchtsteun te vragen. Franken was vrijwel permanent op het terrein waar meer dan 25 duizend mensen -vooral vrouwen en kinderen - hun toevlucht hadden gezocht.

Over claim tegen de staat

Namens Rob Franken en meer dan tweehonderd andere militairen van Dutchbat III bespreekt advocaat Michael Ruperti maandag hun claim tegen de staat met vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie. Ruperti: 'We hopen tot een regeling te komen die recht doet aan de bijzondere positie van Dutchbat-veteranen.' Lukt dat niet, dan volgt een rechtszaak. Maandag begint bij het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag ook de laatste fase van het proces tegen Ratko Mladic, de voormalige Bosnische-Servische legerleider, wegens genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden.

U heeft zich aangesloten bij de claim van een dozijn Dutchbatters tegen de staat wegens 'ernstig nalatig en uiterst onzorgvuldig' handelen jegens het bataljon. Waarom?

'De uitspraak van mevrouw Hennis was voor mij het kantelpunt. Wat er is misgegaan voor, tijdens en na de missie had ik altijd verklaard uit amateurisme, gebrek aan vakkennis, onvoldoende daadkracht van de legerleiding en politiek Den Haag. Dat heb ik allemaal geaccepteerd, de loyaliteit van beroepsmilitairen gaat heel ver. Maar nadat de minister had gezegd: we wisten eigenlijk van tevoren dat het onuitvoerbaar was, werd ik pas echt kwaad. Nu zeg ik: het was kwaadaardig om ons op missie te sturen, bijna misdadig. Het zijn zware woorden, maar je moet het zien in de context: we hebben kerels verloren daar, we hebben mannen met verminkte gezichten, geamputeerde benen en armen, ptss (posttraumatische stressstoornis, red.).

'Iedereen van Dutchbat III heeft wel een knal gekregen. Er zijn jongens die bij sollicitaties buiten het leger werden afgewezen, maar ook beroepsmilitairen die een baan niet kregen. Er werd niet bij gezegd: je hebt bij die club gezeten. Maar dat was wel de reden.'

'Ik hoorde dat een groep bezig was met een claim. Dat waren destijds jonge, onervaren militairen, zei hun advocaat. Vanuit die groep kwam de vraag of Franken meedoet. Dan ben ik niet zo'n vent die zegt: ik betuig steun, ik blijf verder op de achtergrond. Dat is niet mijn stijl. Mijn loyaliteit hoort bij de mannen te liggen.'

Na 33 jaar in dienst bij het leger - u bekleedde na 1995 staffuncties en zwaaide af als luitenant-kolonel - keert u zich tegen uw voormalige werkgever..

'Nee, nee. In wezen gaat het om de mensen die toen aan het bewind waren. Politici, de legerleiding. Maar iemand moet toch boeten voor de fouten van toen? De enige manier die je hebt, is een schadeloosstelling eisen. Loze woorden in de zin van 'we hebben het niet zo bedoeld', vind ik onvoldoende. Men moet dieper buigen.'

Volgens de claim is de staat in alle fasen van de VN-missie (voorbereiding, uitvoering, nazorg) tekortgeschoten.

'Ja, het begon al in de Tweede Kamer. Daar werd afgedaan aan onze bewapening. De kanonnen moesten van de pantservoertuigen af, want die waren 'te provocatief'. We mochten kijkers voor onze schutters lange afstand - zo heetten die toen - niet meenemen, want die waren ook 'te agressief'. Eenheden van het bataljon waren niet volledig opgeleid. Enfin, nog meer van dat soort grappen. De 'toegezegde' luchtsteun natuurlijk. Ter Beek (minister van Defensie die in 1993 besloot tot uitzending van troepen naar Srebrenica, red.) zei: 'Dat kan niet misgaan, dat hebben we bij de VN geregeld.' Nu weten we dat die toezegging nooit is gedaan. We zijn belazerd.'

'Dan de uitzending zelf. We werden langzaam uitgemergeld. De Bosnische Serviërs hielden konvooien met brandstof, wapen, munitie en voedsel tegen. Op een gegeven moment had ik nog maar drie lichte antitankwapens, en geen mortiermunitie meer. Men heeft geaccepteerd dat de smurfen, zo noemde ik de Serviërs, steeds riepen dat iets de enclave niet binnen mocht. Men, dat is dus de Nederlandse regering en de legerleiding.

Bosnische moslims ontvluchten Srebrenica, onder toeziend oog van Dutchbat-militairen. Beeld Hollandse Hoogte

'Twee dagen voor de val van de enclave kwam het bevel van de VN om de stad Srebrenica te verdedigen. Hallo! Iedere militair die het vak beheerst, weet dat je daarvoor gigantisch veel personeel nodig hebt. We waren niet eens een bataljon meer, een van onze gevechtscompagnieën zat in een ander gebied. Blijkbaar heeft de regering niet geprotesteerd. Sterker, Voorhoeve (toenmalig minister van Defensie, red.) bevestigde de opdracht, en zei erbij dat er geen Nederlandse doden of gewonden mochten vallen. Een volstrekt irreële opmerking. Je wordt beschoten, moet je dan Mladic (Bosnisch-Servische legerleider, red.) vragen of-ie even niet raak schiet omdat mijn minister dat niet wil? Dat is toch waanzin!

'Om steun af te dwingen, was het een mogelijkheid geweest om te dreigen Dutchbat te onttrekken aan het VN-bevel. Dan konden we ons terugtrekken op de eigen compound. Maar ja, dat was natuurlijk erg slecht voor het aanzien van Nederland. Kennelijk was men bereid ons op te offeren. Daarom gebruik ik de term: bijna misdadig. Want ze wisten verdomme dat de hele missie onuitvoerbaar was. Dan krijgt zo'n opdracht van de VN, die ik ook veel kwalijk neem, een andere lading.

'De VN suggereerden dat we eindelijk, eindelijk luchtsteun zouden krijgen. Maar Mladic en zijn mensen konden ons in die fase op vijftig meter naderen zonder dat we ze zagen. Dan kun je geen luchtsteun aanvragen, ben je gek. Ik laat geen bommen neergooien op mijn eigen kerels.'

U bent herhaaldelijk als getuige opgetreden in processen bij het Joegoslavië-Tribunaal tegen Mladic en de Servische politieke leiders Milosevic en Karadzic. Hoe heeft u dat ervaren?

'Ik ben niet zo'n gevoelsmens, om het zo maar te zeggen. Milosevic en Karadzic deden me emotioneel niets. Ik wilde getuigen om bij te dragen aan hun veroordeling. Voor Mladic, die ik ontmoet had, voelde ik alleen maar verachting.'

U kwam zelf ook voor de rechter, aangeklaagd door nabestaanden. Dat greep u wel aan, zei uw advocate in 2015.

'Ja. Het ging niet om kleinigheidjes: medeplichtigheid bij genocide, oorlogsmisdrijven, moord. In ben gelukkig arrogant genoeg om niet te twijfelen aan mijn eigen beslissingen, maar ik begon me toch ongerust te maken. Er lag een uitspraak van de Hoge Raad, uit 2013, dat de staat aansprakelijk was voor de dood van enkele Moslimmannen. Ik had nog geprobeerd een van hen, de vader van onze tolk Hasan Nuhanovic, op de compound te houden. Hij kon een vrijgeleide krijgen om met het bataljon de enclave te verlaten. Uiteindelijk besloot hij zelf te vertrekken, samen met zijn vrouw en zoon, de broer van de tolk. De tolk wilde dat ik zijn broer meesmokkelde. Dat heb ik geweigerd. We hielden rekening met een grondige inspectie door de Serviërs, normaliter werden we helemaal uitgekleed. Als ze hem ontdekt hadden, liep ik het gevaar dat ik ook 32 burgers die wél een vrijgeleide hadden, kwijt zou raken.

'Door een stommiteit is een andere medewerker van Dutchbat, de elektricien Rizo Mustafic, weggestuurd van de compound. Het Gerechtshof in Arnhem heeft dat ook als een stommiteit erkend. Het hof bepaalde dat Karremans, ik, en een derde Dutchbatter die was aangeklaagd, niet strafrechtelijk vervolgd zouden worden. Dat was een hele opluchting.'

Heeft u ooit wroeging gehad over uw beslissingen, die ingrijpende gevolgen hadden?

'Absoluut niet. De argumenten zijn nog steeds valide'.

Geldt dat ook voor beschuldigingen in de media, zoals het 'meewerken aan etnische zuivering' door de mannen en vrouwen op de compound te scheiden en het verzwijgen van moordpartijen onder de ogen van Dutchbat?

'Om met dat laatste te beginnen: we hadden er geen idee van dat er genocide plaatsvond. Niet op het moment dat ik die knul, de broer van de tolk, wegstuurde. Niet in de dagen erna, vóór ons vertrek naar Nederland. We kenden twee incidenten, twee feitelijke meldingen van misdaden. Een van onze mensen had foto's gemaakt van negen lijken op de weg. En we wisten dat een man tegen een muur geëxecuteerd was. Dat hebben we gemeld aan Den Haag en in de VN-commandolijn. Verder waren er alleen maar geruchten. Duizend geruchten. Wat moest ik daarmee? Had ik die ook moeten melden?

'Dan het verhaal dat wij busladingen met vluchtelingen gereed hebben gemaakt voor de Serviërs en dus meewerkten aan die, eh, deportatie. Mladic had de bussen geregeld, maar wij regelden dat er niet meer dan veertig mensen tegelijk de poort uitgingen. Waarom? Omdat aan het begin, toen de vluchtelingen de bussen bestormden, vrouwen en kinderen met geweerkolven erin geramd werden. Die bussen raakten overvol, de mensen moesten er een tijd in zitten, het was 35 graden. Wij wilden ervoor zorgen dat de bussen niet volgestampt werden. Ik heb dat nooit als medewerking gezien, maar als een vorm van bescherming.'

Bescherming was volgens Franken ook het doel van de geruchtmakende lijst-Franken, waarop de majoor de namen liet noteren van 251 'weerbare' mannen op de compound. De vijand, in de ogen van de Bosnische Serviërs. Hij zag de lijst als een waarschuwing aan hen: pas op, we hebben de mannen geregistreerd, we kunnen ze 'monitoren'. De lijst werd naar Den Haag gestuurd en verdween in de bureaula van een kolonel, om daar pas enkele maanden later gevonden te worden. 'Toen was wel duidelijk dat die mannen vermoord waren. Misschien had de lijst enig effect gehad als die onmiddellijk in de publiciteit gegooid was. Ik weet het niet. Ik moest wat.'

Militairen in Srebrenica
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden