Het was een enorme mislukking

De Amerikaanse inval in Irak om dictator Saddam Hussein te verdrijven tien jaar geleden, heeft geweld, terreur en sektarische strijd opgeleverd. Toch zijn er niet alleen maar verliezers.

ROB VREEKEN

Waren er massavernietigingswapens in Irak? Tien jaar na het begin van de oorlog kan die vraag worden beantwoord. Ja, er waren massavernietigingswapens: de Amerikaanse invasie zelf.

De aankondiging door president George W. Bush van de operatie om Saddam Hussein te verdrijven, vandaag tien jaar geleden, resulteerde niet in vrede en democratie, maar in geweld, terreur en sektarische strijd.

Ruim 170 duizend Irakezen verloren het leven, volgens de conservatieve schatting van Iraq Body Count. De infrastructuur raakte verder vernield. Al Qaida, voorheen afwezig in Irak, nestelde zich en kon dankzij het anti-Amerikaanse sentiment wereldwijd aanhang rekruteren.

De Amerikaanse invasie was de facto een 'enorme strategische mislukking', concludeert Anthony Cordesman van het Amerikaanse Center for Strategic and International Studies. Hij telt de kosten bij elkaar op: de dollars (onvoorstelbaar veel) en het bloed, de geopolitieke schade, het verlies van alles wat de Verenigde Staten niet hebben kunnen doen doordat zoveel geld en energie in Irak gingen zitten. Aan de andere kant van de balans kan Cordesman noteren dat de Amerikanen 'weinig meer hebben gedaan dan een eind maken aan een conflict dat ze hielpen creëren'.

Het is voor de toenmalige tegenstanders van de invasie eenvoudig om achteraf hun gelijk te halen. Mehdi Hasan blikt in de New Statesman terug op de antioorlogsdemonstratie in het Londense Hyde Park, 15 februari 2003, en stelt dan koeltjes: 'Wij hadden gelijk, de haviken hadden het mis.'

Des te pijnlijker voor die vogelsoort is dat de Irakoorlog één land wel degelijk iets heeft opgeleverd: Iran. Het sjiitische buurland was dertig jaar geleden nog verwikkeld in een oorlog met agressor Irak, maar geniet inmiddels een ruime mate van invloed. Van de Irakezen is bijna 65 procent sjiiet. Electoraal vertaalt zich dat in een door sjiieten gedomineerde regering. De soennieten, onder Saddam alleen aan de macht, staan op het tweede plan.

De Iraakse sjiieten zijn niet allemaal volgzame marionetten van het Iraanse regime, verre van dat. Velen hebben slechte herinneringen aan de oorlog met Iran en aan het leiderschap van Irans opperayatollah hebben de Irakezen volstrekt geen behoefte. Maar Teheran heeft in de wandelgangen van de Bagdadse politiek heel wat mannetjes rondlopen en de economische samenwerking is royaal.

Voor Teheran werd het Irak van na de invasie niet alleen een podium om de Amerikaanse aartsvijand het leven zuur te maken, maar ook om een ander groot spel te spelen, de rivaliteit in de regio tussen het sjiisme en het soennisme. Of eigenlijk: tussen het sjiitische Iran en het soennitische Saoedi-Arabië. De Saoediërs zagen met Saddam bepaald geen vriend verloren gaan, maar elke sjiitische pion is er voor hen een te veel.

De Iraniërs hebben op het geopolitieke schaakbord op dit moment zeker niet de overhand. Numeriek zijn de sjiieten in de regio ver in de minderheid, de opkomst van de Moslimbroeders na de Arabische opstanden heeft Irans ideologische lokroep verder verzwakt, de Golfstaten strooien kwistig met oliedollars en in Syrië dreigt Teheran een van zijn laatste bondgenoten te verliezen: president Assad.

Maar de meeste gewone Irakezen zal dit soort hoge politiek worst wezen. Zij beschouwen het resultaat van de Amerikaanse invasie op hun eigen, meer aardse merites, en hun oordeel stemt niet vrolijk. In een opiniepeiling van Zogby Research (uit 2011) zegt 42 procent van de Irakezen nu slechter af te zijn dan vóór de Amerikaanse invasie. Slechts 30 procent is beter af. Vooral de antwoorden over 'persoonlijke veiligheid' zijn bedroevend. Van de sjiieten zegt 81 procent dat de veiligheid in Irak slechter is dan vóór 2003. Onder de soennieten is dit zelfs 88 procent.

Wat betreft 'politieke vrijheid' is volgens ruim de helft van de sjiieten en de soennieten sprake van achteruitgang. Economisch gezien is Irak er volgens 75 tot 80 procent van beide groepen er slechter aan toe dan voor de oorlog.

Waarschijnlijk is deze stemming twee jaar later niet of nauwelijks veranderd. Het sektarisch geweld is geringer dan van 2004 tot 2008, maar het is er nog altijd en eist dagelijks gemiddeld twaalf levens. En het vuile gedoe dat in Bagdad 'politiek' heet, heeft weinig te maken met het door George Bush verhoopte democratisch model voor het hele Midden-Oosten.

Allemaal verliezers dus? Nee. De oorlog heeft één grote winnaar opgeleverd: de Koerdische minderheid in Irak. De Koerden hebben met hun autonome regio iets verworven dat bijna een onafhankelijke staat kan worden genoemd.

Het gaat ze goed, de Koerden. De olie stroomt, de economie groeit, de nieuwe welvaart is tastbaar. Over de politieke vrijheid denkt een meerderheid van de Koerden positief, volgens de peiling van Zogby.

En het is veilig in het Koerdisch gebied, een voor Irak ongekende luxe. Van de Koerden vindt 90 procent dat de veiligheid juist gróter is geworden sinds de invasie. Alleen - maar dan ook alleen - voor Iraaks Koerdistan geldt wat George Bush op 1 mei 2003 aan boord van de USS Abraham Lincoln in zijn overwinningstoespraak zei, net iets te voorbarig: Mission accomplished.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden