Het wachten is op de anonieme rechter

In de zaak-Mink K. blijkt een deel van het vonnis geheim. Deze beperking van de openbaarheid is een unicum in de Nederlandse rechtspraak, meent Tom Schalken....

DE UITSPRAAK van het Amsterdamse hof in de zaak Mink K. heeft ongewoon heftige reacties opgeroepen. Die zijn niet alleen afkomstig van het Openbaar Ministerie (OM), dat in deze zaak niet-ontvankelijk werd verklaard en zo de bevoegdheid werd ontzegd Mink K. nog langer te vervolgen. Ook de politiek reageerde furieus. Zowel minister Korthals van Justitie als leden van de Tweede Kamer hadden, vriendelijk gezegd, weinig begrip voor het standpunt van het hof.

Is die harde kritiek, ongebruikelijk als het om rechterlijke uitspraken gaat, begrijpelijk en, nog belangrijker, is zij ook terecht? Lezing van de Amsterdamse uitspraak maakt al snel duidelijk dat men ook tussen de regels door moet lezen. Want de zaak heeft een lange voorgeschiedenis en rechters zeggen in hun vonnis niet altijd wat hen echt op het hart drukt. Alleen tegen die achtergrond valt de beslissing van het Amsterdamse hof te verklaren. Zijn vergaande conclusie wordt immers op het eerste oog niet geheel door de aangevoerde argumenten gedragen.

Waar ging het in deze zaak om? Het hof meende dat het OM - dat Mink K. 'volledige en absolute geheimhouding' had beloofd ter verkrijging van informatie over het criminele milieu en corrupte ambtenaren, dit in ruil voor mogelijke strafvermindering uit een vorige strafzaak - de nakoming van die afspraak niet heeft kunnen garanderen. Doordat de status van Mink K. als informant (als 'verklikker') bekend werd, liep zijn veiligheid groot gevaar. Volgens de politie stond hij in 'het milieu' immers op de lijst om te worden geluiqideerd.

De wijze waarop de geheime overeenkomst met Mink K. openbaar werd, laat een onverkwikkelijke en nauwelijks nog te achterhalen gang van zaken zien. Wie bij het OM had nu eigenlijk en op welke wijze de deal naar buiten gebracht? Wie had de commisie Kalsbeek - die onderzoek deed naar de gevolgen van de IRT-enquête - over de geheime afspraak met Mink K. ingelicht, waarna de deal op straat kwam te liggen?

Naar de interne gang van zaken bij het OM deed het hof wel onderzoek, maar niet uitgebreid. Tenslotte was het OM formeel verantwoordelijk voor het bewaken van de geheimhouding. Dat het OM intern verdeeld was over wat er precies is gebeurd, doet daar niet aan af.

Voor het hof was evenmin van belang dat de minister van Justitie had meegedeeld dat ook hij de commissie-Kalsbeek over de geheime overeenkomst (vertrouwelijk) had geïnformeerd. De rechter heeft immers niet met de minister, maar alleen met het OM van doen. Het is het OM dat het vervolgingsrecht kan worden ontzegd, zelfs als het geen verwijt treft. Daarom kon het hof ook het (per ongeluk) laten openstaan van de microfoon bij de rechtbank, toen met gesloten deuren over de geheime deal werd gesproken, aan het OM toerekenen.

Het hof rekent het OM zwaar aan dat de gesprekken met Mink K. als onderdeel van de deal zijn voortgezet ook nadat de minister aan de Tweede Kamer had meegedeeld dat zij gestopt waren. Daardoor is bij Mink K. de indruk ontstaan dat hij nog steeds het vertrouwen en de bescherming van het OM genoot. Niettemin werd hij kort vóór een nieuw gesprek gearresteerd. En dat nota bene voor een zaak die het hof, zoals aan het slot van zijn uitspraak duidelijk wordt, niet erg overtuigt. Met andere woorden: had het OM deze niet al te sterke zaak, wetende welke veiligheidsrisico's Mink K. intussen liep, eigenlijk wel voor de rechter moeten brengen?

Door dit alles ontstaat niet direct het beeld van een integere en doeltreffende strafrechtspleging. Toch dringt zich de vraag op waarom de hele gang van zaken volgens het hof per se tot de niet-ontvankelijkheid van het OM moest leiden. Waren de belangen van Mink K. in de concrete zaak die aan het hof was voorgelegd (het ging om een verdenking wegens wapenbezit), zodanig geschaad dat hij op die grond niet vervolgd mocht worden?

Van een dergelijke sanctie kan alleen sprake zijn als door het openbreken van de geheimhouding het recht van Mink K. op een eerlijk proces in die zaak daadwerkelijk was geschaad. Is het hof niet al te snel meegegaan met de door de verdediging gevolgde strategie om de paranoia jegens de overheid flink aan te wakkeren?

Dat niet zorgvuldig met de belangen van Mink K. is omgesprongen, is duidelijk. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het ontstane risico voor diens persoonlijke veiligheid een eerlijke berechting in de wapenzaak automatisch in de weg zou staan. Had het veiligheidsprobleem niet op andere wijze kunnen worden opgelost? Dat probleem is in elk geval niet opgelost doordat Mink K. nu, zonder voorbereiding, op vrije voeten is komen te staan. Strafvermindering ligt in dit soort situaties eerder voor de hand. En als er toch voor niet-ontvankelijkheid wordt gekozen, dan beter op een andere rechtsgrond. De Hoge Raad heeft in de Karman-zaak uit 1999 de mogelijkheid geopend dat niet-ontvankelijkheid ook wegens schending van fundamentele algemene belangen (zoals de integriteit van de strafrechtspleging) kan worden uitgesproken, dus zonder dat een concrete schending van een eerlijk proces hoeft te worden aangetoond.

Maar de strekking van de Amsterdamse uitspraak is niet mis te verstaan. Tussen de regels door valt de weerzin van het hof te lezen tegen al het justitiële en politieke gedoe rond deals met criminelen. Die weerzin kan worden teruggevoerd op de kritiek die tijdens de IRT-affaire over de rechterlijke macht is uitgestort. De rechter werd toen verweten dat hij lange tijd niet kritisch heeft gestaan tegen de oprukkende eisen van een harde criminaliteitsbestrijding, waardoor politie en justitie te veel ruimte werd geboden.

Nu lijkt de rechter te zeggen: als jullie zonodig die deals met criminelen willen handhaven, zorg dan maar dat de zaak goed geregeld wordt. Als dat niet lukt, moeten jullie niet verbaasd zijn dat je het lid op de neus krijgt.

Vooral de politiek - die zich steeds meer met individuele strafzaken is gaan bemoeien - mag zich de uitspraak van het hof stevig aantrekken. Het is ook in het belang van de politiek dat het OM op afstand daarvan functioneert. Alleen op die manier kan het OM de rechter in staat stellen te doen wat het recht voorschrijft: het publieke belang dat met de vervolging van strafbare feiten is gemoeid, op een evenwichtige manier afwegen tegen het belang dat de verdachte bij een eerlijke berechting van zijn zaak heeft. Alles wat het OM daarvan afhoudt, keert zich tegen zichzelf.

Er is nog een reden waarom het OM nu eindelijk eens afstand moet nemen van de omstreden overeenkomsten met criminelen. Door de rechter te laten controleren wat in het geheim met criminelen is afgesproken, dient hij ook zelf geheimhouding te betrachten. Dat is precies wat er in deze zaak is gebeurd. Het hof hoorde in het geheim een hoge ambtenaar van het OM, terwijl het voor het publiek bestemde deel van de uitspraak - een unicum in de Nederlandse rechtspraak - naar een geheim deel verwijst. Door geheime deals met criminelen te sluiten dwingt het OM de rechter dus tot beperking van de grondwettelijk voorgeschreven openbaarheid. Hebben we in Nederland na de anonieme verdachte, de anonieme getuige en de anonieme politieambteaar nu ook al behoefte aan een anonieme rechter?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden