Strandtafereel uit 2015 in de buurt van Banda Atjeh, de hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh, waar in 2004 de tsunami toesloeg. Op deze plek hebben de jongeren geen last van de shariapolitie.

terugblik 18 jaar in Indonesië

Het vrolijke land Indonesië zucht steeds meer onder het juk van de islam

Strandtafereel uit 2015 in de buurt van Banda Atjeh, de hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh, waar in 2004 de tsunami toesloeg. Op deze plek hebben de jongeren geen last van de shariapolitie. Beeld Foto Joan Bardeletti / HH

In de achttien jaar dat hij er correspondent was, zag Michel Maas de sfeer in Indonesië drastisch veranderen. Dat laat hij zien aan de hand van zijn mooie en minder mooie herinneringen aan Atjeh.

Tijdens het inpakken komt uit de achterste hoek van een la een sleutel tevoorschijn met een grote, langwerpige hotelsleutelhanger eraan. ‘Kuala Tripa’ staat erop. Ik haal hem eruit en vraag me af hoe het kan dat ik zo’n grote sleutel met dat enorme plexiglazen aanhangsel ooit uit Banda Atjeh heb kunnen meenemen zonder het te merken. Maar die vraag wordt snel overspoeld door herinneringen die zich niet meer laten stuiten.

Het sleutelgat waar deze sleutel ooit in paste, is er allang niet meer. Hotel Kuala Tripa heeft de aardbeving en de tsunami van 2004 niet overleefd. Ik herinner me dat het gebouw er, toen de schokken stopten en het water was verdwenen, nog behoorlijk netjes bij stond. Het was nog steeds een toren, je zag er haast niets aan. Pas als je goed keek, zag je dat er een knak in de top zat, en als je telde ontdekte je dat er een verdieping ontbrak. Die was verpulverd tussen het ingezakte dak en de rest van het gebouw. Hoeveel mensen ermee verpulverd waren, wist niemand, maar dat deed er toen niet zo toe. Heel Banda Atjeh was bezaaid met doden. Je moest wel een heel bijzonder lijk zijn wilde ­iemand zich nog om je bekommeren.

De sleutel is natuurlijk van daarvóór. 2003 moet het geweest zijn. Niemand heeft dan nog van een tsunami gehoord. Atjeh is alleen bekend van de kleine oorlog die er woedt. En ik ben er als correspondent om de rebellen van de GAM (de Beweging Vrij Atjeh) te bezoeken.

Atjeh is in die tijd nog een plek waar je ’s ochtends kunt schrikken omdat er ­iemand op straat ligt met een kapot­geschoten schedel: vermoedelijk het werk van het leger. De commandanten van dat leger zitten in het Kuala Tripa. ’s Avonds doen ze karaoke in de bar en als je daar ook zit, moet je meedoen. Met twee generaals zing ik My Way, het lijflied van de karaokers. Ik probeer het te zingen zoals de Sex Pistols het deden, rauw, rebels en scheldend, maar de generaals denken dat ik gewoon een vreselijke zanger ben en geven mij schouder­klappen en een biertje.

Gay team

Behalve generaals zitten in hotel Kuala Tripa ook Europese vredesonderhandelaars, en op een gegeven moment nemen zelfs leden van de ‘Atjehse regering in ballingschap’ uit Zweden er hun intrek. Ze scharrelen rond in de eetzaal en laten zich aanspreken met ‘minister’ door Atjehse journalisten voor wie ze stuk voor stuk levende legenden zijn. Natuurlijk worden deze ballingen, ondanks alle garanties en beloften van de Indonesiërs, toch gearresteerd. Het is een spel dat de generaals spelen en ze spelen het ‘hun way’: ze praten over vrede, maar tegelijkertijd halen ze alles uit de kast om het oorlogje op de valreep alsnog te winnen. Dertig jaar vechten de Atjehers al: de rebellen omdat ze onafhankelijkheid voor Atjeh willen, de Indonesiërs omdat ze die niet willen geven.

Naast de sleutel ligt een foto in de la. Een groepsfoto die ik heb genomen omdat het een triviaal bewijs was dat Indonesië ook in Atjeh het vrolijke land was waarvan ik altijd had gedacht dat het dat was. De foto is genomen op de allereerste dag die ik doorbracht in Kuala Tripa. Ik wandel het hotel uit en word meteen aangetrokken door rumoer van de overkant van de straat. Mensen verdringen zich om een klein betonnen sportveld waar twee teams aan het volleyballen zijn. De drukte is er eigenlijk maar voor één team. Elke keer dat dat een bal mist, of raakt, wat minder vaak voorkomt, wordt er gejoeld en gejuicht en gelachen.

Tim Waria Volleybalteam in Banda Atjeh van travestieten en transseksuelen, 2003. Beeld Michel Maas

Het team is ‘tim waria’: een team van louter travestieten en transseksuelen (die hier ‘waria’ worden genoemd). ‘Gay’ betekent in die dagen ook in Indonesië ‘vrolijk’, en als ik ze vraag of ze op de foto willen, gaan ze er graag voor zitten, in alle mogelijke varianten van vrouwelijkheid. Ze zijn clowns en dat weten ze, en het kan ze niet schelen.

Dus dit is Atjeh, denk ik, als ik de foto neem, en ook ik moet lachen.

Het zijn de jaren dat er ’s avonds na elf uur in Jakarta nog een file staat op de Kuningan, want dan komen daar de waria naar buiten om langs de weg te paraderen in hun mooiste jurken. Ze buigen voorover door openstaande autoraampjes, vragen geld en als je niet uitkijkt stelen ze en passant je telefoon.

Waria, en homo’s in het algemeen, zijn entertainment. Iedereen heeft er wel een paar in zijn kennissenstal, en ook de televisie weet ze ruimschoots te waarderen. Alle tv-programma’s hebben er dan op z’n minst wel één. Tv-homo’s zijn razend populair, ook in Atjeh. Het vrije Indonesië zet de toon en zelfs deze meest puriteins-islamitische provincie heeft maar te volgen.

Terug in de kast

In 2019 is dat wel anders.

Ik stuur de foto van ‘tim waria’ rond, en vraag iedereen die het kan weten of er iets bekend is over hoe het de tien leden is vergaan in de vijftien jaar dat ik ze niet heb gezien. Er komt bitter weinig terug. Vijf van de tien waria blijken voorgoed vergeten. Zoekgeraakt in de geschiedenis. Omgekomen in de tsunami. Ondergedoken. Man geworden. Vrouw geworden.

Van de andere vijf krijg ik alleen de ­namen: Stevany, Bang Joel, Mak Ojie, Mak Eka Aming en Mak Santi. Van die vijf weet ik er één op te sporen, en die ene wil zich onder geen beding laten interviewen. Hij/zij wil vooral geen aandacht trekken, geen gedonder krijgen, onzichtbaar blijven.

Waria zijn de afgelopen jaren vanuit de schijnwerpers terug de schaduw in gejaagd. Zelfs de parade op de Kuningan in het vrijzinnige Jakarta bestaat niet meer. Die verhuisde eerst nog naar een donkere zijstraat, maar daar werden de manvrouwen steeds vaker slachtoffer van ­potenrammers. Nu zie je ze helemaal niet meer. Ook niet op de tv.

In februari 2016 heeft de nationale omroepcommissie alle Indonesische zenders officieel verboden nog langer ‘mannen die vrouwelijk gedrag vertonen’ te laten zien. Zenders die niet gehoorzamen, kunnen uit de lucht worden gehaald. De tv-homo’s zijn verdwenen, sommigen zijn uitgeweken naar het buitenland, en er zijn er zelfs die, om hun tv-baan te redden, een kostuum hebben aangetrokken en een octaafje ­lager zijn gaan praten.

Het tv-verbod viel in een golf van anti-lhbti-geweld die over Indonesië spoelde. Opgestookt door islamitische knokploegen sloeg dit vuurtje snel over naar de raad van de islamitische schriftgeleerden, de oelama’s, en daarna door de politiek, die steeds nadrukkelijker ging buigen voor de druk vanuit de moskeeën. Onder die druk zijn nu alle ­Indonesische homo’s terug de kast in ­geduwd en daar moeten ze voortaan vooral blijven.

En in Atjeh krijgen ze stokslagen. Op 24 mei 2017 worden twee jongemannen ieder 83 keer met een rotanstok geslagen. Dat gebeurt na het vrijdaggebed op een schavot voor de moskee. Ze zijn op heterdaad betrapt. Buurtbewoners waren hun slaapkamer binnengedrongen. Dezelfde Atjehers die ooit nog juichten voor ‘tim waria’ staan nu te juichen en te joelen bij elke stokslag die doel treft. Zo werkt dat met mensenmassa’s, vooral in Indonesië. Niet zelden wordt een bromfietsdief door zo’n massa doodgeslagen of overgoten met benzine en in brand gestoken. Niet de mysterieuze goenagoena-toverij, maar de onberekenbare, explosieve meute is de echte ‘stille kracht’ van Indonesië. Politici, vakbonden en religieuze knokploegen gebruiken meutes maar al te graag. Trek ze een uniform aan en je hebt je eigen leger. Wie een ‘massa’ controleert heeft macht, maar wie de controle over zijn massa kwijtraakt heeft een nachtmerrie. Vandaar dat de politici er alles aan doen om hun legertjes tevreden te houden.

Allah-u-Akbar

Die legertjes zijn op elkaar gaan lijken. Ze persen net als voorheen mensen af, maar ze zijn daarbij ‘Allah-u-Akbar’ gaan roepen. Ze voeren de godsdienst als hun motto en hun schild. Wie zich nu ertegen verzet, verzet zich tegen de islam. Geen politicus durft daar zijn handen aan te branden, vooral niet sinds islamitische massa’s hun tanden hebben laten zien en met hun protesten de christelijke gouverneur van Jakarta uit zijn ambt en in de gevangenis hebben ­gekregen.

Wat de meutes vragen, kunnen ze krijgen. Of het gaat om het verbieden van homoseksualiteit, van voorbehoedmiddelen, van alcohol, of zelfs van seks buiten het huwelijk: altijd is er wel een parlementariër die daar een wetsvoorstel van wil maken. Of een stadsbestuur dat vrouwen wil verbieden alleen over straat te gaan na negen uur ’s avonds. Het dragen van een hoofddoek is voor een meerderheid van de Indonesische vrouwen inmiddels vanzelfsprekend.

Alleen de moskee staat er nog in Lhok Nga. Beeld AP

Om de rust te bewaren kreeg ook ­Atjeh meer godsdienst. De opstandige provincie kreeg in 2001 speciale autonomie, inclusief het recht de sharia in te voeren. Niemand had daar om gevraagd, ook de GAM niet, maar de Atjehse schriftgeleerden lieten deze buitenkans niet liggen. Toen de tsunami drie jaar later half Atjeh ontwortelde en 180 duizend mensen doodde, was het zaad van de sharia al ontkiemd.

De tsunami was een straf van God, en dat hielp de sharia natuurlijk een handje. In het vissersdorp Lhok Nga was alleen de moskee blijven staan. Het dorp was gereduceerd tot een platte lege vlakte waar kale betonnen vloeren als grafstenen op de plekken lagen waar ooit huizen hadden gestaan. Dat ­alleen de moskee er nog stond, moest wat betekenen. Op een dag kort na de vloedgolf klom ik op het dak van de moskee en zag met afgrijzen hoe hoog de muur van water was geweest. Zelfs de maansikkel op het topje van de moskeekoepel was door de tsunami krom­gebogen. Die sikkel bevond zich op twintig meter hoogte: meer dan zeven verdiepingen. Een moskeebewaker begeleidde me behulpzaam naar boven. Ik was van harte welkom.

Een maand of wat later keerde ik er ­terug. Ik wilde opnieuw de moskee beklimmen, maar vreemde mannen in lange gewaden versperden mij de weg. Ze waren niet uit Atjeh, maar wel van ­Allah, en ze claimden het gezag over ­alles wat de Allerhoogste aanging. Zij ­bepaalden dat ik als ongelovige kafir de moskee niet meer mocht betreden. De mannen waren niet onvriendelijk. Ze vroegen begrip en voor hun vertrek hielden ze met hun auto zelfs nog even stil om een gebed te zeggen, speciaal voor mijn zieleheil. Op mijn vraag wie zij waren, antwoordden de mannen: ‘Wij zijn van Hizbut Tahrir.’ Het was voor het eerst dat ik hoorde van deze islamitische ­organisatie die streeft naar een wereldwijd kalifaat, maar het zou niet voor het laatst zijn.

Kloof

Ik besteedde er toen nog weinig aandacht aan. Ik vond het niet gek dat mensen naar godsdienst grepen na de ongehoord massale sterfte door de tsunami. Niet alleen de moslims zetten het op een bidden.

Een fotograaf met wie ik in de loop der jaren vaak had samengewerkt, nam mij op een zondagochtend na de tsunami mee naar zijn kerk. Ik had hem nooit op religieuze belangstelling kunnen betrappen. Hij had als christen zelfs ongehuwd samen­gewoond met een islamitische vriendin. Dat kon toen nog in Banda Atjeh. Niemand die er iets van zei. Maar nu was het afgelopen. Zijn vriendin had de sharia omarmd en hijzelf ging mij die zondag voor naar een protestantse kerk, waar hij in vervoering de dienst volgde. Hij vond dat ik dat ook moest ervaren. Maar wat ik ervoer, was een kloof die ik niet eerder had gezien: tussen moslims en de rest. Christenen en moslims zouden verder gescheiden door het leven gaan.

Stokslagen

Altijd stond ik met de neus vooraan. In 2005 was ik al getuige van de allereerste stokslagen in Atjeh. Een raar officieel, bijna feestelijk moment. Naast mij stond Azwar Abubakar, destijds vicegouverneur, die later minister zou worden. De stokslagen leken uitsluitend bestemd voor kruimeldieven, drinkers en kaartspelers: minuscule vergrijpen, die niets voorstelden in vergelijking met, bijvoorbeeld, de kapitale corruptieschandalen die Atjeh net als de rest van het land verziekten. Ik vroeg Azwar of ze ook omkopers zouden gaan slaan en misschien zelfs de handen afhakken. Azwar zelf is nooit betrapt op corruptie, maar de verdenking bestond toen al en zijn naam is genoemd in een miljoenenschandaal, rond een nieuwe havenpier in Sabang. Hij glimlachte minzaam: ‘Daarin voorziet de sharia in Atjeh nog niet.’

Stokslagen Banda Atjeh, 2017. Beeld REUTERS

En zo is het nog steeds. De sharia is er voor de gewone man en het is een proces in wording. Ik ging mee met de shariapolitie toen ze de winkelsluiting tijdens gebedstijd begonnen af te dwingen. Een beetje lacherig deden koffietenthouders hun luiken half dicht als de patrouille voorbijkwam, terwijl binnen het koffieschenken gewoon doorging. Niemand had respect voor de sharia-agenten, van wie er al snel verscheidene zouden worden betrapt op de verkrachting van vrouwen die ze hadden opgepakt. Ook de Atjehse gouverneur, Irwandi Yusuf, zag er weinig heil in. Hij gaf de sharia­politie niet eens genoeg geld voor benzine voor hun patrouille-auto’s.

In 2012 verloor Irwandi de verkiezingen en moest hij toezien hoe de nieuwe gouverneur de deur wijd openzette voor de sharia. Toen Irwandi in 2017 opnieuw tot gouverneur gekozen werd, was zijn verzet gebroken. Inmiddels waren de ­homo’s al vogelvrij, konden vrouwen geen strakke spijkerbroeken meer dragen, had de shariapolitie meer dan genoeg benzine, en mochten ‘kafir’ zoals ik geen enkele moskee meer in.

Gouverneur Irwandi heeft niet kunnen verhinderen dat de stokslagen in juli 2018, na een pauze, werden hervat. Hij kreeg zelfs niet voor elkaar dat de ­executies van het moskeeplein verhuisden naar de binnenplaats van de gevangenis, zodat ze niet langer een soort ­middeleeuwse publieke spektakels zouden zijn. De gouverneur schikte zich en verlegde zijn aandacht naar iets anders, iets waartegen hij kennelijk ook geen ‘nee’ meer kon zeggen: geld. Negen dagen voor de nieuwe stokslagenronde van 2018 werd Irwandi Yusuf opgepakt als verdachte in een van de talloze corruptieschandalen. Een rechtbank in Jakarta veroordeelde hem tot zeven jaar gevangenisstraf, maar geen stokslagen. Irwandi ontsnapte in ieder geval aan de sharia van zijn eigen provincie.

Knokploegen

Niet alleen in Atjeh, maar overal in Indonesië worden de laatste jaren minderheden vervolgd, opgepakt en getreiterd. Ze worden belaagd door knokploegen-met-de-Koran, en zelfs in Jakarta voelen ze meer en meer het juk van de islam.

Waria hebben altijd symbool gestaan voor alle vrijheden die in het Westen moeizaam zijn bevochten. Seksuele vrijheid staat nooit los van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om ‘nee’ te zeggen, en alles hangt samen met tolerantie. Deze vrijheden staan overal onder druk, maar op weinig plaatsen gebeurt dat zo systematisch als in Indonesië. Ik zag ze onder mijn neus verdwijnen, een voor een. En Atjeh zet meer en meer de toon.

Natuurlijk is er altijd hoop op een kentering. De regering-Jokowi geeft signalen dat zij het intolerante religieus fanatisme wil aanpakken. Tijdens zijn eerste vijf jaar als president is hem dat niet gelukt, en dat hij een islamitische schrift­geleerde als vicepresident heeft benoemd (Ma’ruf Amin) belooft natuurlijk weinig goeds, maar Joko Widodo verzamelt ook tolerante krachten om zich heen, en wie weet wat die kunnen doen om de islamisering een halt toe te roepen.

Dictator Soeharto, die van 1967 tot 1998 president was, had de moslims onder de duim. Maar Soeharto’s bewind was een schrikbewind voor iedereen die het niet met hem eens was. En die kant gaat het sluipenderwijs onder Joko ­Widodo opnieuw op, waarschuwen mensenrechtenorganisaties. Jokowi brengt haatpredikers tot zwijgen, maar hij doet in toenemende mate hetzelfde met zijn critici. Wetten die ‘smaad’ of ‘godslastering’ verbieden blijken een al te handig middel om je van hen te ontdoen. En zo kan de bestrijding van ­islamisering uitmonden in een nieuwe dictatuur, heet het.

Lange tijd heb ik me vastgeklampt aan de troostende gedachte dat er niets is wat een goede leiding, betere scholen en een mondige bevolking niet kunnen ­repareren. Ik denk dat dat nog steeds klopt, maar in Indonesië dreigt het ­opnieuw nog vele generaties te gaan ­duren.

Ik wacht dat niet meer af. Achttien jaar is genoeg geweest. Ik heb alles ingepakt en ben naar Nederland vertrokken. De sleutel van Kuala Tripa heb ik meegenomen. Die geeft me toegang tot een Indonesië dat voorbij is, een land van lang ­geleden, waar ook van alles mis was, maar waar ‘tim waria’ tenminste nog ongestoord kon volleyballen. Een land waaraan ik met plezier zal terugdenken.

Michel Maas Beeld Rebecca Fertinel

Dit is de laatste bijdrage van Michel Maas als correspondent in Jakarta.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden